Hoofdstuk 32
Amanda had kamers voor Charlie en Dennis gereserveerd in een hotelletje aan de rand van het centrum van Portland. Tijdens de rit naar het hotel zat Levy onafgebroken te kletsen, maar Charlie zei amper een woord. Amanda dacht dat hij zweeg vanwege het psychische trauma dat de moordpoging teweeg had gebracht, maar Charlie zat aan Nathan Tuazama te denken.
Toen Amanda bij het hotel parkeerde, was Charlie volkomen uitgeput. Levy nodigde hen uit voor een drankje in de bar, maar nog langer naar de eindeloos over zichzelf zeurende verslaggever luisteren was meer dan ze op konden brengen. Amanda excuseerde hen door te zeggen dat ze nog verschillende zaken met haar cliënt te bespreken had.
De lift stopte op Charlies verdieping. Ze liepen de gang door naar zijn kamer en Charlie stond op het punt zijn sleutelkaart in de gleuf te stoppen toen hij zag dat de deur op een kier stond. Zijn mond werd droog en zijn pols ging sneller slaan. Hij had weg moeten rennen, maar hij kon niet normaal nadenken en duwde de deur open.
De kamer zag eruit alsof orkaan Katrina er doorheen was getrokken. De matras was van het bed gehaald en met een mes bewerkt. De vulling van de matras en spullen uit Charlies laden en zijn kast lagen over de hele vloer verspreid. De televisie was gesloopt en de airconditioning was van de muur getrokken en uit elkaar gehaald.
Amanda belde de receptie en zei dat ze de politie moesten bellen. Nadat ze had opgehangen, wendde ze zich tot haar cliënt.
‘Oké, Charlie, wat is hier aan de hand? Heeft het soms iets te maken met de doos die ik net in mijn nieuwe kluis heb gestopt?’
‘Waarschijnlijk wel,’ antwoordde Charlie nerveus.
‘Breng ik mezelf in gevaar omdat ik je heb geholpen?’
Voordat Charlie kon antwoorden ging Amanda’s mobieltje over. Ze viste het uit haar handtas en zag dat het Mike Greene was die belde. Amanda verontschuldigde zich en liep de gang op.
‘Ik heb net van de schietpartij bij het gerechtsgebouw gehoord. Is alles in orde met je?’ vroeg Mike.
Amanda kon de bezorgdheid in zijn stem horen. Dit was niet de eerste keer dat Amanda op het nippertje aan de dood was ontsnapt. Mike was meteen naar haar toe gekomen nadat ze ternauwernood aan de seriemoordenaar was ontsnapt die de pers de bijnaam de Chirurg had gegeven en ook kort nadat beroepsmoordenaars haar huis waren binnengedrongen in de tijd dat ze Jon Dupre verdedigde. Amanda was blij dat hij belde. De wetenschap dat Mike zich zorgen om haar maakte, werkte net zo kalmerend als een kop kamillethee.
‘Ja hoor, alles is in orde. Ik was wel erg van streek vlak nadat er geschoten werd, maar ik ben helemaal niet gewond of zo.’
‘Wil je dat ik vanavond langskom? Ik kan wat halen bij de chinees.’
‘Dat lijkt me prima. Moet je horen, ik ben net met iets bezig. Ik bel je wel als ik klaar ben, dan kunnen we verder over vanavond praten.’
Amanda verbrak de verbinding op het moment dat de directeur en de veiligheidsmensen van het hotel uit de lift stapten. Nadat de directeur even had rondgekeken zei hij tegen Charlie dat hij hem een andere kamer zou geven. Even later kwamen er twee agenten van de Portlandse politie binnen. Terwijl ze Amanda ondervroegen, werd er weer op de deur geklopt. Charlie draaide zich om. De man in de deuropening kwam hem bekend voor. Toen hij zag dat Charlie hem niet meteen herkende, stak hij zijn handen omhoog, alsof het feit dat hij meer van zichzelf liet zien Charlie op een idee zou brengen.
‘Ik ben het, Charlie,’ zei de man. ‘Mickey Keys, je agent.’
Charlie nam zijn vroegere agent en partner in de misdaad goed op terwijl hij met hem naar het eind van de gang liep, waar ze ongestoord zouden kunnen praten. Keys was mager, niet op een manier die een uitstekende lichamelijke conditie deed vermoeden, maar zoals iemand eruitziet die niet goed eet omdat hij geen eten kan betalen. De kraag van zijn overhemd was gerafeld en de ellebogen van zijn jasje glommen. Hij had rimpels op zijn gezicht die hij twaalf jaar geleden niet had gehad. Zijn huid was wasachtig bleek en hij had donkere wallen onder zijn ogen.
‘Wat kom jij hier doen?’ vroeg Charlie.
‘Wat bedoel je, Charlie?’ vroeg Keys op zijn beurt. Hij glimlachte op een gespannen manier, waardoor hij er eerder wanhopig uitzag. ‘Ik ben je agent, ik behartig je zakelijke belangen. Zodra ik hoorde dat je terug in de Verenigde Staten was, heb ik het eerstvolgende vliegtuig naar het westen genomen. Ik dacht dat je wel iemand kon gebruiken die lezingen voor je regelt en je contracten behandelt. Net als vroeger, weet je nog?’
‘Ik heb al een contract voor een nieuw boek. Als ik niet in de dodencel zit, kan mijn uitgever afspraken voor een tournee maken.’
‘Je kunt me niet buitensluiten, Charlie. Wij hebben ook een contract,’ zei Mickey terwijl hij een verfomfaaid en onder de vlekken zittend bundeltje papieren uit zijn jaszak haalde. ‘Dit is een kopie, voor het geval je dat van jou kwijt bent geraakt. In het contract staat dat ik jouw agent ben.’
‘Toen jij een schikking met de FBI trof, kwam er een eind aan onze overeenkomst.’
Keys duwde Charlie de papieren toe. ‘In het contract staat niets over een ontsnappingsclausule. Ik heb recht op vijftien procent van alles.’
Charlie stak zijn hand op. Hij weigerde het contract aan te raken. ‘Je krijgt geen cent. Jij hebt me verraden.’
‘Ik moest wel. Ze zouden me in de gevangenis hebben gestopt als ik niet alles had opgebiecht over de Innerlijk Licht-zwendel en de tweede serie boeken. Jij zat in Batanga, jij werd daar beschermd. Ik had niemand, ik stond er alleen voor.’
‘Voor een zakelijke relatie heb je vertrouwen nodig, Mickey. Hoe kan ik je vertrouwen na wat je gedaan hebt?’
‘Wat ik gedaan heb, is drie jaar in een federale gevangenis zitten terwijl jij je op een tropisch strand liet pijpen.’
‘Ho even. Ik vind het erg dat je in de gevangenis hebt gezeten, maar in Batanga was het ook geen pretje. Als ik had geweten waar ik in verzeild zou raken, zou ik meteen met je geruild hebben. Waarom denk je dat ik hier ben terwijl me de doodstraf boven het hoofd hangt?’
Keys liet zijn harde opstelling varen en liet zijn schouders hangen.
‘Luister, Charlie. Ik zal het je eerlijk zeggen: ik zit aan de grond. De FBI heeft alles ingepikt. Ik heb als telefonisch verkoper gewerkt, omdat niemand een ex-veroordeelde aanneemt om iets anders te doen. Ik heb in een hotelkamer vol kakkerlakken gewoond. Jij hebt nog steeds dat geld op je Zwitserse bankrekening staan en alles wat er in de tussentijd is bijgekomen. Ik moest mijn geld teruggeven als onderdeel van mijn schikking met het Openbaar Ministerie. Ik heb niets.’
‘Ik kan je wel een paar dollar geven, als dat de reden is waarom je hier bent.’
Keys’ gezicht werd rood. ‘Ik wil geen aalmoes. Ik wil weer meedoen. Ik wil het spel weer gewoon meespelen.’
‘Dan kan ik je niet helpen.’
‘Ik neem een advocaat in de arm en span een proces aan. Dat win ik gegarandeerd.’
‘Doe maar wat je niet laten kunt,’ zei Charlie voordat hij terug naar de chaos in zijn kamer liep.
Keys leunde achterover tegen de muur. Toen hij weer een beetje tot zichzelf was gekomen, liep hij met zijn hoofd omlaag naar de lift. Hij maakte een volkomen verslagen indruk.
‘Meneer Keys.’
Mickey keek op en zag dat Charlies advocaat hem de weg versperde.
‘Kan ik even met u praten?’ vroeg Amanda.
‘We praten wel in de rechtszaal als ik uw cliënt ga vervolgen wegens contractbreuk,’ antwoordde Keys, waarbij hij probeerde te klinken als de keiharde onderhandelaar die hij voor zijn ondergang geweest was.
‘Ik weet niets over uw zakelijke problemen met de heer Marsh. Ik ben zijn strafpleiter.’
‘Wat wilt u dan van me?’
‘U was toch bij de Westmont toen congreslid Pope werd vermoord?’
‘Ja.’
‘Bent u bereid om met mijn detective te praten?’
‘Waarover?’
‘Over alles wat u gezien hebt wat ons kan helpen om greep op de gebeurtenis te krijgen.’
Keys keek haar ongelovig aan. ‘Wilt u dat ik die ondankbare hond ga helpen na wat hij me net heeft aangedaan?’
‘We willen alleen maar uw versie van wat er gebeurd is horen.’
‘Mijn versie, hè?’ Keys zweeg en Amanda kon zien dat zijn hersens op volle toeren werkten. ‘Daar kunnen we het wel over hebben. Mijn herinnering is momenteel een beetje vaag, maar misschien kan ik me de dingen beter herinneren als ik er financieel wat beter voorsta. Waarom praat u niet even met Charlie? Als ik wat van u hoor, zal ik – afhankelijk van wat u me te zeggen hebt – beslissen met wie ik verder praat. Of met uw detective óf met de officier van justitie.’