Hoofdstuk 35

 

 

Amanda besloot de rest van de dag te besteden aan het doornemen van het dossier over ‘de Staat versus Pope’. Dennis Levy zat niet meer in de vergaderzaal en ze dankte God voor dit kleine blijk van barmhartigheid. Tegen de tijd dat ze het werk van die dag erop had zitten, was ze aan haar derde mok koffie bezig. Iedereen op kantoor was al naar huis. Mike Greene belde om te vragen of ze ergens iets wilde gaan eten, maar ze was zo moe dat ze besloot dat ze behoefte had aan een snelle maaltijd en een warm bad en dat ze vroeg naar bed zou gaan. 

   Amanda bestelde sushi bij een afhaalrestaurant vlak bij haar kantoor. Even voor achten zette ze haar auto neer op haar vaste plaats in de parkeergarage van een verbouwd roodstenen pakhuis in Portlands modieuze wijk Pearl en nam de lift naar haar zolderverdieping, een grotendeels open woonruimte van bijna 115 vierkante meter met hardhouten vloeren, hoge plafonds en grote ramen die uitzicht boden op de metalen bogen van de Freemont-brug, het scheepverkeer op de Willamette-rivier en de met sneeuw bedekte hellingen van Mount St. Helens, een actieve vulkaan. Het grootste deel van de kunst die haar koopappartement sierde, was afkomstig uit de vele galerieën tussen de restaurants en koffiebars die Pearl rijk was. Ze vond het fijn dat ze ergens woonde waarvandaan ze eventueel naar haar werk kon lopen of op de dagen dat ze haar auto niet nodig had de trolleybus kon nemen.

   Amanda deed de voordeur open en begon de code van haar alarm in te toetsen. Het alarm stond niet aan. Ze wachtte even, met haar vingers boven het toetsenpaneeltje. Amanda had niet goed geslapen vanwege wat er bij het gerechtsgebouw was gebeurd. Ze hield het erop dat ze waarschijnlijk zo moe was geweest dat ze vergeten had het alarm aan te zetten toen ze naar haar werk ging. Ze deed het licht aan, legde de sushi op het aanrecht en liep naar haar slaapkamer om zich om te kleden. Halverwege de woonkamer bleef ze stokstijf staan. Vanaf haar zitbank zat een slanke zwarte man naar haar te kijken.

   ‘Maakt u zich geen zorgen, mevrouw Jaffe,’ zei Nathan Tuazama in zijn zangerige Afrikaanse Engels. ‘Ik heb geen kwaad in de zin.’

   Amanda nam haar bezoeker wat nauwkeuriger op. Hij droeg een duur kostuum en gepoetste schoenen. Ze dacht dat zijn das van zijde zou kunnen zijn. Dit was beslist niet de kledij van een inbreker.

   ‘Voordat ik de politie bel, wil ik dat u me even uitlegt waarom u mijn appartement binnen bent gedrongen,’ zei Amanda op kalme toon terwijl ze om zich heen keek of ze ergens iets zag wat ze eventueel als wapen kon gebruiken.

   De mondhoeken van de indringer gingen omhoog, maar zijn glimlach had iets onnatuurlijks. Amanda moest denken aan de grimassen die ze op de gezichten van lijken op autopsiefoto’s had gezien.

   ‘Ik kan u verzekeren dat Charlie niet wil dat de politie van ons gesprek op de hoogte wordt gebracht.’

   Amanda haalde haar mobieltje tevoorschijn. ‘Ik toets een negen en een één in. Als ik geen goede verklaring voor deze inbraak krijg, toets ik nog een één in.’

   ‘Gaat u toch alstublieft zitten, mevrouw Jaffe. Ik weet dat mensen van streek raken als ze iemand in hun huis aantreffen, maar ik blijf niet lang en u bent volkomen veilig. Uw cliënt is degene die zich zorgen zou moeten maken.’

   ‘Ik heb een kantoor met vaste openingstijden als u met mij over mijn cliënt wilt praten.’

   ‘Maar u werkt zelf lang door, als ik kijk hoe lang ik hier op u heb zitten wachten. Het doet me genoegen dat Charlie zo’n toegewijde advocaat heeft. Maar nu ter zake. Het is al laat en u zult wel moe zijn.

   Ik ben Nathan Tuazama. Ik sta aan het hoofd van president Jean-Claude Baptistes Nationale Bureau voor Opvoeding.’ Amanda voelde haar maag omdraaien. ‘U hebt over president Baptiste gehoord?’

   Amanda knikte. ‘Charlie heeft uw naam ook genoemd.’

   ‘Dat kan ik me voorstellen.’

   ‘Wat wilt u van me?’

   ‘President Baptiste zou het erg op prijs stellen als u hem kunt helpen bij een probleem.’

   ‘En dat is?’

   ‘Toen Charlie uit Batanga vertrok, heeft hij iets meegenomen wat niet van hem is, maar van president Baptiste. Als Charlie nog in Batanga was, zou ik daar met hem in de kelder van het presidentiële paleis over praten, en dan zou het probleem snel uit de wereld zijn.’

   Charlie had Amanda verteld wat er in de kelder van het paleis gebeurde en Amanda had al haar ervaring in de rechtszaal nodig om haar kalmte te bewaren.

   ‘Helaas ben ik nu in Amerika, en dus wil ik u namens mijn president vragen als tussenpersoon voor ons op te treden en Charlie ervan te overtuigen dat hij datgene wat hij heeft meegenomen terug moet geven.’

   De doos! Tuazama moest het over de inhoud van Charlies doos hebben.

   ‘Stel dat ik u uw eigendommen kan terugbezorgen, wat gebeurt er dan met Charlie?’

   ‘Als ik ze eenmaal in mijn bezit heb, heeft president Baptiste verder geen belangstelling meer voor uw cliënt,’ loog Tuazama. ‘Charlie is een onbelangrijk individu, aan wie we beter geen aandacht kunnen besteden, maar als hij probeert de eigendommen van de president in zijn bezit te houden, wordt hij voor mij wél belangrijk. Dat kunt u tegen hem zeggen. Zegt u maar tegen Charlie dat hij voor mij van groot belang wordt als ik niet krijg wat ik hebben wil. En zeg ook maar dat ik niet veel geduld heb als het om de belangen van mijn president gaat.’ 

   ‘Wat heeft de heer Marsh volgens u in zijn bezit?’

   Tuazama ging staan. ‘Daar hoeft u zich niet druk om te maken. Trouwens, hoe minder u weet, hoe beter het voor u is. Neemt u maar van me aan dat u hier niet bij betrokken wilt raken. U hoeft alleen maar mijn boodschap over te brengen.’

   ‘Hoe kan ik u bereiken om u te vertellen wat de heer Marsh wil?’

   ‘De enige moeite die u zich hoeft te getroosten is de wensen van president Baptiste aan uw cliënt overbrengen. Ik heb uw mobiele nummer. U kunt erop rekenen dat ik binnenkort contact met u opneem. Het was een genoegen kennis met u te maken.’

   Zodra de deur achter Tuazama dichtging, schakelde Amanda haar alarm in. Daarna ging ze zitten tot haar zenuwen een beetje tot rust waren gekomen. Amanda had geen idee waar Charlie mee bezig was, maar ze was ervan overtuigd dat Tuazama de chaos in Charlies hotelkamer had veroorzaakt. Amanda vroeg zich af of Tuazama de sluipschutter was en of hij opzettelijk mis had geschoten om Charlie de stuipen op het lijf te jagen. Dat had hij bij haar tenminste wel gedaan.

 

Een half uur later zat Amanda op de bank in de zitkamer van Charlies hotelsuite.

   ‘Weet je nog dat je het met mij over Nathan Tuazama hebt gehad, het hoofd van Baptistes geheime politie?’

   Charlies ogen schoten nerveus heen en weer en er verscheen een laagje zweet op zijn voorhoofd.

   ‘Ik heb zojuist de gelegenheid gehad kennis met hem te maken, Charlie. Hij was mijn appartement binnengedrongen.’

   ‘Hij heeft je hopelijk toch niets aangedaan?’ vroeg Charlie met oprechte bezorgdheid.

   ‘Nee, maar hij liet duidelijk blijken dat hij jou wat gaat aandoen als je niet teruggeeft wat je van president Baptiste hebt gestolen.’

   ‘Ik heb niets gestolen.’

   ‘Wat komt Tuazama hier dan doen?’

   Charlie zag er beroerd uit. ‘Hij wil de inhoud van de doos die ik je heb gegeven.’

   ‘En wat zit er in die doos?’

   ‘Wat diamanten die ik uit Batanga mee heb gesmokkeld,’ antwoordde Charlie op nauwelijks hoorbare toon.

   ‘Om hoeveel diamanten gaat het?’

   ‘Dat weet ik niet precies.’

   ‘Maak eens een schatting.’

   Charlie keek omlaag, niet in staat haar in de ogen te kijken. ‘Een heleboel. Ik heb nog geen kans gehad om ze aan iemand te laten zien die me kan zeggen wat ze waard zijn.’

   ‘Zijn de diamanten in de doos eigendom van president Baptiste?’

   ‘Nee, niet echt.’

   ‘Waarom zei Nathan Tuazama dan van wel?’

   ‘Dat is eh… een juridische kwestie.’

   ‘Doe me een lol, Charlie. Stel je eens voor dat ik een advocaat ben die misschien slim genoeg is om te begrijpen wat je te zeggen hebt.’

   Charlie bevochtigde zijn lippen. ‘Kijk, in de Verenigde Staten hebben vrouwen een heleboel vrijheid. Ik bedoel, kijk maar naar jezelf. Je kunt stemmen en je kunt rechten studeren. Dat soort dingen. In Batanga kennen ze stammenrecht. De vrouw is min of meer eigendom van haar echtgenoot en als ze eenmaal getrouwd zijn, gaat al het bezit van de vrouw over op haar man.’

   ‘Waren die diamanten van Bernadette?’

   ‘Hij behandelde haar als een stuk vuil, Amanda. Hij heeft een erectieprobleem en dat reageerde hij regelmatig op haar af. Als we in bed lagen, huilde ze steeds. Ik heb gezien dat ze onder de blauwe plekken zat.’

   ‘En daar heb jij misbruik van gemaakt door haar zover te krijgen dat ze je die diamanten gaf,’ zei Amanda, niet eens de moeite nemend om haar afschuw te verbergen.

   ‘Zo was het niet,’ protesteerde Charlie. ‘Die diamanten waren van Bernadette en zij heeft ze aan iemand gegeven die ze weer aan mij gegeven heeft.’

   ‘Wie was dat?’

   ‘Dat kan ik je niet vertellen.’

   ‘Waarom niet?’

   ‘Dat kan ik je ook niet vertellen. Als ik dat wel kon, zou ik het doen, echt waar, maar ik heb gezworen dat ik er niet over zou praten.’

   ‘Vind je niet dat ik na dat bezoek van Tuazama recht heb op die informatie?’

   ‘Alsjeblieft, Amanda, vraag me niets meer over die diamanten.’

   ‘Loop ik gevaar, Charlie?’

   ‘Als Tuazama ook maar zou vermoeden dat je iets wist, zat je hier nu niet. Zolang hij niet weet dat ik de diamanten aan jou heb gegeven ben je veilig.’

   ‘Zou Tuazama het aandurven om jou in de Verenigde Staten te vermoorden?’ vroeg Amanda.

   ‘Zeker weten. Die vent is het kwaad in eigen persoon. Ik ben er ook niet helemaal zeker van of hij wel menselijk is.’

   ‘Denk je dat hij de sluipschutter is geweest?’

   ‘Dat zou kunnen. Ik zie hem er best voor aan dat hij met opzet mis heeft geschoten om me doodsbang te maken. Wist je dat hij in de rechtszaal zat?’

   ‘Bij de hoorzitting?’

   Charlie knikte.

   ‘Waarom heb je dat niet tegen me gezegd?’

   ‘Omdat ik jou er niet bij wilde betrekken.’

   ‘Maar dat ben ik nu toch. Jij hebt me erbij betrokken toen je me die diamanten gaf.’

   Amanda dacht even na. Vervolgens keek ze haar cliënt recht in de ogen.

   ‘Laat mij hem die diamanten geven, Charlie, als dat ervoor zorgt dat hij weggaat. Als je dood bent, zijn ze voor jou toch niets waard.’

   ‘En als ik dat niet doe? Wat moeten we dan? Kun je hem niet aangeven vanwege die inbraak in jouw appartement?’

   ‘Tuazama heeft alleen maar huisvredebreuk gepleegd, en dat is geen misdrijf, maar meer een overtreding. Hij is niet binnengedrongen om een misdrijf te plegen. Hij heeft me alleen maar gevraagd of ik jou wilde vragen die diamanten terug te geven. Hij zou meteen op borgtocht vrijgelaten worden en nog gekker gaan doen dan hij al is. Je moet hem geen geintjes flikken, Charlie. Misschien kan Baptiste wettelijk aanspraak op de juwelen maken. Geef hem die diamanten maar.’

   Charlie wreef aan zijn lip. Hij keek naar de vloer. Vervolgens schudde hij zijn hoofd.

   ‘Dat kán ik gewoon niet doen.’

   ‘Waarom in godsnaam niet? Zijn ze voor jou meer waard dan je eigen leven?’

   ‘Als ik de diamanten teruggeef, is het of Bernadette voor niets is gestorven. Baptiste denkt dat niemand hem iets kan maken en dat hij mensen naar eigen goeddunken pijn kan doen zonder dat het gevolgen heeft.’

   Charlie zweeg. Hij haalde diep adem en keek toen Amanda recht in de ogen. ‘Als ik zijn diamanten houd, stelt dat niet veel voor, maar het is wel íéts.’

   ‘Charlie, er zijn diamantmijnen in Batanga en die zijn allemaal in handen van Baptiste. Hij kan net zo veel diamanten krijgen als hij wil.’

   ‘Maar deze niet. Ik weet dat het volgens jou nergens op slaat, maar ik ken Baptiste. Hij kan niet verkroppen dat iemand zich tegen hem verzet of hem te slim af is. Daarom betekenen mijn diamanten ook zo veel voor hem. Als hij ze niet krijgt, wordt hij gek.’

   ‘Uit wat jij me verteld hebt, maak ik op dat hij al gek ís en dat hij geen eerbied voor het leven heeft. Als Tuazama net zo gevaarlijk is als jij zegt, loop je grote kans dat hij je vermoordt.’

   Charlie verbrak het oogcontact met Amanda. Hij trok zijn schouders op en zat handenwringend voor zich uit te staren.

   ‘Ik kán het gewoon niet.’

   ‘Misschien moet je wel, als je daarmee je leven kunt redden. Tuazama gaat me bellen om te horen wat je antwoord is en ik denk niet dat hij daar lang mee wacht.’

   Charlie staarde naar de vloer.

   ‘We moeten ook nog iets anders bespreken,’ zei Amanda toen haar duidelijk werd dat ze die avond niet verder zou komen met dit onderwerp. ‘Ik wilde er morgen met je over praten, maar ik ben hier nu toch, dus kunnen we het net zo goed nu doen. Wat ben je met Mickey Keys van plan?’

   ‘Hoe bedoel je?’

   ‘Toen hij wegging, heb ik op de gang even met hem staan praten. Hij is behoorlijk overstuur en hij lijkt een en al wanhoop. Hij heeft gedreigd dat hij naar Burdett zou stappen als je het niet met hem in orde maakte. Is er iets wat hij tegen de officier kan zeggen wat schadelijk voor je kan zijn?’

   ‘Dat denk ik niet.’

   ‘Keys zat tijdens de rit naar de Westmont bij jou in de limousine. Zou hij weten wat er tussen het hotel en de club met het moordwapen is gebeurd?’

   ‘Dat… dat weet ik niet.’

   ‘Verzwijg je tegenover mij iets over het wapen, Charlie?’

   ‘Nee. Ik weet niet wat er nadat ik uitstapte mee gebeurd is. Ik weet alleen maar dat ik het niet bij me had.’

   ‘Kun je iets doen om Keys te sussen, zodat hij met Kate gaat praten?’

   ‘Je bedoelt of ik hem een deel wil geven van wat ik verdien? Dat wil hij namelijk.’

   ‘Keys heeft me een kopie gegeven van het contract dat hij met jou had. Verbintenissenrecht is niet mijn specialiteit, maar we hebben advocaten op ons kantoor die kunnen kijken of het bindend is. Als je de zaak verliest, kunnen we net zo goed een schikking met Keys treffen om hem tevreden te houden.’

   ‘Die klootzak heeft me aan de FBI verraden.’

   ‘Uit wat ik over Innerlijk Licht weet, maak ik op dat de FBI toch alles wat hij hun verteld heeft te weten zou zijn gekomen.’

   Charlie wreef in zijn ogen en zuchtte. ‘Ik ben doodop, Amanda. Ik wil gaan slapen. Ik kan niet meer normaal denken.’

   ‘Prima, dan praten we morgenochtend verder, maar je moet wel een besluit nemen over wat ik tegen Tuazama moet zeggen. Ik denk niet dat we veel tijd bij hem kunnen rekken.’