Hoofdstuk 3

 

 

Vier dagen na zijn ontsnapping uit het paleis liep Charlie in Waterside door de krioelende menigten. Het was even na acht uur ’s avonds, en in de schemering weerklonken de concurrerende ritmes van de plaatselijke trommelaars. Uit radio’s klonk hiphop en Afrikaanse highlife-muziek. De rook van de vuren waarop eten werd gekookt kringelde in de avondlucht. De vuren waren aangelegd vlak voor de vervallen krotten die van golfplaat en andere rommel waren gemaakt. Ze stonden vlak naast elkaar in de buurt van open riolen. In alle kleuren van de regenboog geklede vrouwen verkochten vis, die vers uit de kano’s van de vissers kwam. Andere verkopers zaten op lage krukjes gehurkt naast kleine barbecues en verkochten geroosterde yams. 

   Charlie liep langs groepjes jongens met blote bovenlijven. Ze droegen alleen maar versleten korte broeken en speelden op het onverharde terrein in de buurt van winkels waar je overdag zo binnen kon lopen, maar die nu waren afgesloten met zware metalen hekken. Deze kinderen geloofden dat alle blanken rijk waren, en dus benaderden ze Charlie met uitgestoken handen, onder het roepen van ‘papa, papa, hebbu een stuiver voor me?’ Veel van de kinderen hadden opgezwollen buiken. Een jongen sleepte een afschuwelijk verminkte voet achter zich aan. Een andere had een grote bult in zijn maagstreek en zat midden op de weg met doffe ogen voor zich uit te staren. Oude bedelaars, die een arm of een been misten of blind waren, vroegen op rustiger toon om een aalmoes. Terwijl hij langsliep, staken ze hun roestige blikken bekers naar hem uit. 

   Charlie negeerde de kinderen en de bedelaars terwijl hij moeizaam heuvelopwaarts in de richting van het centrum van Baptisteville liep. Aan de top van de heuvel lag Main Street, die door een door bomen overschaduwde middenberm die door de hele stad liep in tweeën werd gedeeld. Aan weerszijden bevonden zich op westerse leest geschoeide drugstores, bioscopen, restaurants en souvenirwinkels die voornamelijk bezocht werden door rijke Batangezen, immigranten en de zeldzame toerist. Hier liepen ’s avonds minder mensen rond, omdat de eigenaars, van wie de meesten uit Europa of het Midden-Oosten afkomstig waren, hun winkels hadden gesloten, maar er waren nog steeds drommen taxi’s en betaalbussen op straat. Charlie stak de weg over en sloeg Lafayette Street in, die het centrum van het Batangese nachtleven vormde. Hier bevonden zich de Cave, de Peacock, de Mauna Loa en andere felgekleurde bars annex bordelen, waar de barmeisjes de overwegend blanke klanten lokten op de onophoudelijke dreun van rock en hiphop. 

   Charlie baande zich een weg langs een aantal Batangese mannen in korte broek en gescheurde T-shirts, die op de stoep voor de Mauna Loa grappen zaten te vertellen, ruziemaakten en warm bier uit flesjes dronken. Een sigarettenverkoper probeerde Charlie een van de pakjes sigaretten aan te smeren, die op een dienblad lagen dat hij op een houten stelling in evenwicht hield. Een aantal mooie Afrikaanse meisjes in strakke, opzichtige en laag uitgesneden jurken stond buiten tegen de muur van de bar geleund. Charlie groette de vrouwen, die wisten wie hij was en hoe hij heette. Een van de meisjes beloofde hem een nacht vol opwinding die geen sterveling ooit had meegemaakt. Charlie bedankte ervoor, met als excuus dat een nacht van genot met een van de meisjes zijn dood zou betekenen. De vrouwen stonden te lachen toen Charlie het bordeel betrad.

   Langs een houten bar en aan een paar kleine tafels, die het grootste deel van de ruimte in beslag namen, zaten blanke immigranten en Afrikaanse vrouwen. Charlie baande zich een weg langs twee Batangese meisjes die met elkaar dansten op ‘Brown Sugar’ van de Rolling Stones en ging op de enige vrije barkruk zitten. 

   ‘Hé, Charlie, waarom kom je niet vaker hier?’ vroeg het meisje achter de bar.

   ‘Rebecca, je weet toch dat ik veel te veel van je houd,’ antwoordde hij. ‘Als ik hier te vaak kom, vraag ik misschien of je met me wilt trouwen.’

   ‘En misschien zeg ik dan wel ja,’ antwoordde ze quasi-verlegen.

   Charlie schudde zijn hoofd. Hij deed alsof hij verdrietig was. ‘Dat kan ik hopen, maar ik weet dat je mijn hart zult breken.’

   Rebecca lachte schor. ‘Charlie, je bent een grote ouwehoer.’

   Charlie glimlachte. ‘Kun je ergens een koud flesje Heineken voor me vandaan halen?’

   Bijna iedereen in Batanga leefde van de ene dag op de andere. Baptistes geheime politie buitte hun armoede uit door te betalen voor inlichtingen. Charlie had geleerd dat het verstandig was om niemand te vertrouwen, maar Pierre had tegen Charlie gezegd dat Rebecca te vertrouwen was. Rebecca was een mooie Batangese, die ooit de minnares van de minister was geweest die de eigenaar was van de Mauna Loa. Charlie kwam vaak in de bars aan Lafayette Street. Hij kende Rebecca. Hij had haar nog nooit een subversieve gedachte horen uiten of over politiek horen praten. Toen hij hoorde dat ze deel uitmaakte van het ondergrondse verzet had hem dat geschokt.

   Barkeepers komen met een breed scala van mensen in aanraking en Rebecca’s kennissenkring, die zowel uit Batangezen als andere nationaliteiten bestond, besloeg de hele maatschappelijke ladder. Pierre had tegen Charlie gezegd dat Rebecca bereid was om iemand te vinden die hem uit Batanga kon helpen ontsnappen. Die ochtend had een jongetje hem om geld gesmeekt en daarbij een paar codewoorden gebruikt. Terwijl Charlie hem een kwartje gaf, zei de jongen tegen Charlie dat hij om half negen naar de Mauna Loa moest komen. 

   Rebecca zette een met ijs bedekt groen flesje op de bar. Ondertussen keek Charlie terloops de ruimte rond. De mannen aan de bar zaten in groepjes bij elkaar. Anderen probeerden vrouwen te versieren. Niemand toonde enige belangstelling voor hem. Toen hij zich weer omdraaide, boog een blanke man, die twee krukken bij hem vandaan zat, zich voorover langs het animeermeisje dat tussen hen in zat.

   ‘Ik ken jou,’ zei hij zo hard dat je het boven de muziek uit kon horen.

   ‘Dat denk ik niet,’ zei Charlie, die zijn dranklucht twee krukken verderop kon ruiken.

   De man had forse schouders en een brede borstkas en sprak met een zuidelijk accent. Charlie schatte hem op één meter vijfentachtig en ongeveer negentig kilo. Hij was kaal en had een rode huidkleur. Op zijn gezicht waren vaag de sporen van jeugdpuistjes te zien. Het leek iemand die bij een vechtpartij zijn mannetje zou kunnen staan.

   ‘Nee, nee, niets zeggen! Ik kom er wel op,’ hield de dronkaard vol. Hij staarde even in de ruimte en knipte toen met zijn vingers. ‘Van de tv! Ik heb jou op de televisie gezien!’

   Charlie hield zijn adem in.

   ‘Jij bent die goeroe. Zeg maar als het niet zo is.’

   ‘Nee, dat heb je goed.’ Charlie zuchtte.

   ‘Hé, schattebout, wil je met mij van plaats wisselen?’ zei de man tegen het animeermeisje dat tussen hem en Charlie in zat. ‘Dan krijg je wat van me voor de moeite.’

   Het animeermeisje stond haar kruk af en de man ging naast Charlie zitten.

   ‘Ik hoop dat je het me niet kwalijk neemt, maar ik kom hier niet elke dag een beroemdheid tegen. Brad en Angelina komen hier niet vaak,’ zei hij met een schallende lach die Charlie door merg en been ging.

   ‘Chauncey Evers,’ zei de man, Charlie een grote hand toestekend. Charlie schudde hem met tegenzin de hand.

   ‘Charlie Marsh,’ antwoordde Charlie, terwijl hij een manier probeerde te bedenken om van de man af te komen. Zijn contactpersoon zou hem nooit benaderen zolang hij hier met die hansworst zat.

   ‘Ik moet meteen mijn verontschuldigingen aanbieden. Ik heb je boek niet gelezen. Ik was het wel van plan, maar het is er nooit van gekomen. Maar ik heb je wel op tv gezien, met die gijzeling in de gevangenis, toen je die bewaker het leven hebt gered. Dat was me wat!’

   Twee mannen en twee vrouwen maakten een tafeltje vrij. Evers pakte zijn glas op.

   ‘Laten we aan die tafel gaan zitten, dan kun je me alles over dat drama in de gevangenis vertellen.’

   ‘Nu liever niet,’ zei Charlie, wanhopig naar een excuus zoekend. ‘Ik heb een afspraak met iemand.’

   ‘Je kunt hier met mij wat drinken tot de dame in kwestie opduikt,’ zei Evers met een overdreven knipoog. ‘Ik betaal. Ik kom niet vaak een echte held tegen, eentje die op televisie is geweest en een boek heeft geschreven.’ Evers voegde er op gedempte toon aan toe: ‘En uit dit afschuwelijke oord wil ontsnappen.’

   ‘Ben jij…’ begon Charlie, maar Evers had zich afgewend en baande zich met onvaste tred een weg tussen de dicht op elkaar staande tafeltjes. Zodra hij zat, stak hij Charlie een pen en een servetje toe.

   ‘Mag ik je handtekening? Voor mijn vriendin, hoor,’ vroeg hij op luide toon.

   ‘Kun je me hier weg krijgen?’ vroeg Charlie terwijl hij zich over het servet boog.

   ‘Dat is geen probleem,’ verzekerde Evers hem.

   ‘Hoe gauw?’

   ‘Zo gauw je me vijfenzeventigduizend dollar betaalt.’

   ‘Vijfenzeventig?’ herhaalde Charlie op bezorgde toon.

   ‘En alleen contant. Ik neem geen cheques aan. Is dat een probleem?’

   ‘Nee,’ zei Charlie.

   World News had ingestemd met het interview, zodat Charlie aan Rebecca kon vragen om via Pierre Girard en de rebellen een boodschap naar Martha Brice te sturen, waarin om een honorarium van vijfenzeventigduizend dollar werd gevraagd. 

   ‘Wat ik wil weten is hoe je dat gaat regelen zonder dat Baptistes geheime politie het in de gaten krijgt,’ zei Charlie.

   ‘Bedoel je die vent daar tegen de muur?’ zei Evers terwijl hij breed glimlachend zijn blik op Charlie gericht hield. ‘Ik had die klojo al meteen door toen hij binnenkwam.’

   ‘Dat zal best, maar daar hoef je niet echt slim voor te zijn. Ik had hem ook in de gaten. Hij heeft me vanaf mijn appartement achtervolgd en duidelijk laten merken dat hij me schaduwde. Als ik thuis ben, staan er elk moment van de dag mensen voor mijn deur en elke keer dat ik naar buiten ga, loopt er iemand achter me aan. Baptiste wil me duidelijk laten merken dat hij me laat schaduwen. Zijn geheime politie is daar erg goed in. Ze kunnen zich onzichtbaar maken als ze dat willen. Dit is Baptistes manier om me te laten weten dat ik niet veel bewegingsvrijheid heb. Wat ik wil weten is hoe je dat gaat doen zonder dat die lui het in de gaten krijgen.’ 

   ‘Maak je daar maar geen zorgen over,’ zei Evers op vertrouwelijke toon. ‘Zorg dat ik het geld krijg, dan zorg ik dat je hier weg komt.’

   ‘Waarom zou ik jou moeten geloven?’

   Evers haalde zijn schouders op. ‘Geen idee. Maar jij bent degene die me hiernaartoe heeft laten komen. Vertel me eens wat je gedaan hebt om Baptiste tegen je in het harnas te jagen?’ vroeg de huurling.

   Charlie aarzelde. Als Evers erachter kwam dat de president een persoonlijke wrok tegen hem koesterde, zou hij misschien van gedachten veranderen en zou hij ervan afzien hem naar huis te brengen. Een Amerikaans paspoort bood in Batanga maar tot op zekere hoogte bescherming.

   ‘Kom nou, Charlie. Als ik mijn leven riskeer om je hier vandaan te krijgen, wil ik wel weten waar ik mee te maken heb.’

   Charlie keek omlaag naar het tafelblad. ‘Ik had een verhouding met een van Baptistes vrouwen.’

   Evers floot tussen zijn tanden.

   ‘Hij heeft haar doodgemarteld en me de gevolgen daarvan laten zien. Toen deed hij net of hij niet wist wie haar minnaar was, maar dat weet hij wel degelijk,’ zei Charlie verbitterd.

   ‘Dan zit je diep in de problemen, joh. Maar heb geen angst, want Chauncey Evers brengt redding.’

   ‘Wat moet ik nu doen?’ vroeg Charlie, terwijl hij Evers het servet met zijn handtekening toestak.

   ‘Zorg dat je het geld krijgt. Laat Rebecca weten als je het hebt, dan hoor ik dat van haar. En dan doe je precies wat ik zeg dat je moet doen, en voor je het weet ben je weer terug in die goeie ouwe Verenigde Staten van Amerika.’