Hoofdstuk 5
BARBARA WALTERS: Waarom hebt u na uw vrijlating uw naam veranderd in Gabriel Sun?
CHARLIE MARSH: In de Bijbel is Gabriël een engel die als Gods boodschapper dient en ik had het gevoel dat een grotere macht, God of Allah of wie dan ook, mij had uitverkoren om Zijn boodschapper te zijn toen Crazy Freddy de gijzelaars probeerde te vermoorden. En de zon staat natuurlijk symbool voor het innerlijke licht dat mij op het moment van de waarheid geopenbaard werd.
WALTERS: Wat voelde u op het moment dat Freddy u neerstak? Was u bang dat u zou sterven?
MARSH: Integendeel. Toen Freddy me neerstak, voelde ik alleen maar mijn innerlijke licht en had ik een gevoel van volkomen vrede. Er was geen angst, alleen maar liefde. En dat is de ervaring die ik ook aan anderen wil schenken, zodat ze kunnen ontdekken dat ze over de kracht beschikken om hun leven te verbeteren.
WALTERS: Veel van de gijzelaars hebben gezegd dat je Clayton, een van de meest gewelddadige gevangenen in de penitentiaire inrichting, hebt kunnen overreden om zijn aanval op de bewaker te staken door hem te vertellen dat u van hem hield.
MARSH: Dat klopt, Barbara. Toen ik door mijn innerlijke licht werd bezield, kwam ik tot het inzicht dat Liefde de grootste kracht in het heelal is, en dat Liefde geweld kan overwinnen. En het is niet alleen geweld dat overwonnen kan worden als we eenmaal geleerd hebben hoe we ons innerlijke licht kunnen inschakelen en gebruiken, Barbara. Zoals ik bij mijn cursussen uitleg: als ons innerlijke licht schijnt, versterkt dat het zelfvertrouwen dat ons succes brengt in ons werk, in onze persoonlijke relaties en alle andere aspecten van ons leven. En ik vind het erg opwindend als ik zie wat voor kansen mijn cursussen me bieden om zo veel mensen te leren hoe ze die kracht, die in ieder van ons aanwezig is, kunnen gebruiken.
De lampjes ‘riemen vastmaken’ lichtten op en een stewardess kondigde de landing op Baptisteville International Airport aan. Dennis stopte de tekst van het twaalf jaar oude interview uit de reeks Barbara Walters Specials terug in de map met Marsh’ gegevens en deed de map in zijn tas met handbagage. Hij keek uit het raampje. Flarden mist verdichtten zich tot ondoorzichtige stapelwolken en onttrokken de oceaan aan het zicht. Even later was het vliegtuig tot onder de wolken gedaald. Ze vlogen nu boven een uitgestrekt helderblauw wateroppervlak, een wit zandstrand en dicht opeenstaande smaragdgroene palmbomen. Na een aantal harde schokken kwam het vliegtuig voor een lange, één verdieping hoge aankomsthal tot stilstand.
De drukkende, verzengende hitte overviel Dennis toen hij uit het vliegtuig stapte en de verrijdbare trap naar de landingsbaan afdaalde. Tijdens de korte wandeling naar de aankomsthal bleven zijn schoenen aan het asfalt plakken en door de hoge vochtigheidsgraad kleefde zijn overhemd aan zijn lijf. Je in de Afrikaanse hitte bewegen was net zoiets als zwemmen in een bak met lijm. Hij hoopte vurig dat de aankomsthal van airconditioning was voorzien.
Het zonlicht was zo fel dat Dennis zijn ogen moest afschermen. Toen hij weer wat kon zien, was hij meteen diep onder de indruk van de grote kleurenpracht. Hij had nog nooit zo veel groen of zo’n blauwe lucht gezien, en iedereen was zwart. De luchtvaarttechnici, de piloten en de stewardessen, en ook de meeste passagiers. Dat gold ook voor de soldaten met hun automatische wapens en de overgrote meerderheid van de mensen die achter de grote ramen in de aankomsthal stonden te wachten. Dennis was hier de enige met een afwijkende huidkleur, iets waardoor hij zich niet helemaal op zijn gemak voelde.
De aankomsthal was aan de buitenkant matbruin geverfd en het middengedeelte van een muur werd in beslag genomen door een meer dan levensgrote afbeelding van Jean-Claude Baptistes glimlachende gezicht, met daarboven de begroeting WELKOM IN BATANGA. Toen Dennis het gebouw naderde, leek het of de president zijn ogen op hem gericht hield, alsof de president wist dat hij geld binnensmokkelde en een vals paspoort bij zich had om Charlie Marsh aan zijn greep te helpen ontsnappen. Dennis had verhalen gelezen over de gruwelen die in Batanga werden begaan, en hij voelde zich misselijk en een beetje gedesoriënteerd terwijl hij stond te wachten om door de douane te gaan. Hij stelde zich voor dat hij uit de rij zou worden gehaald en naar een geluiddichte kamer zonder ramen werd gebracht, waar hij door angstaanjagende ondervragers met een ijskoude blik in hun ogen op een ongemakkelijke houten stoel werd vastgebonden en geconfronteerd werd met het geld dat ze in de voering van zijn koffer hadden gevonden. Maar toen hij aan de beurt was, stelde een verveelde douanebeambte hem een paar routinevragen, zette een stempel in zijn paspoort en gebaarde dat hij door kon lopen.
Dennis haastte zich om zijn koffer op te halen. Hij probeerde kalm te blijven terwijl hij wachtte tot het bagagepersoneel de koffer uit het vliegtuig had gehaald, maar hij vond het moeilijk om niet steeds van het ene been op het andere te gaan staan. Hij kon ook zijn hoofd niet stilhouden en keek nu weer hier, dan weer daar of hij nergens de politieagenten zag die, zo wist hij zeker, bezig waren hem te omsingelen. Hij zocht in de menigte in de afhaalruimte naar Charlie Marsh, die hem, zoals was afgesproken, van het vliegveld op zou halen om hem naar zijn hotel te brengen, maar hij zag niemand die op de glimlachende, dromerige swami leek die hij op de foto’s in de map had gezien.
Dennis zag zijn koffer en hij pakte hem op. Hij verwachtte dat hij nu elk moment in zijn kraag kon worden gegrepen. Toen dat niet gebeurde, liep hij met zijn koffer naar de voorkant van de aankomsthal, waar groepjes Batangezen en een paar immigranten zijn medereizigers begroetten. Een man maakte zich los van de muur en kwam Dennis’ richting uit. Hij droeg een donkere bril, een kaki broek, een bezweet T-shirt met een Guinness-reclame, sandalen en een honkbalpet.
‘Ben jij van World News?’ vroeg hij.
‘Dennis Levy,’ antwoordde Dennis, opgelucht glimlachend. Hij stak zijn hand uit. Charlie aarzelde. Terwijl hij Dennis’ hand schudde, keek hij ongerust om zich heen. Charlies handdruk was slap en ongeïnteresseerd. Zijn hand was klam van het zweet.
‘Laten we maken dat we wegkomen,’ zei hij, in de richting van de deur lopend.
Dennis haalde Charlie in toen deze bij een roestige, gedeukte, onder de aangekoekte aarde zittende Volkswagen stopte, die langs het trottoir geparkeerd stond op een plek waar parkeren verboden was. Naast de auto stonden twee politieagenten. Dennis bleef verlamd van schrik staan. Hij wist zeker dat ze op het punt stonden gearresteerd te worden. Maar toen Charlie elk van de agenten wat geld gaf, drong het tot Dennis door dat ze betaald werden om op de auto te letten. Charlie deed de kofferbak open, zodat Dennis zijn koffer erin kon zetten.
‘Heb je het geld bij je?’ vroeg Charlie zodra ze in de auto zaten.
‘Ja. Het zit in de voering van mijn koffer.’
‘Alle vijfenzeventig?’
‘Het hele bedrag.’
‘Goddank,’ zei Charlie op vlakke toon. Hij deed zijn ogen even dicht.
Even later reden ze met grote snelheid over een tweebaansweg. Achter een rij lage groene heuvels begon de zon onder te gaan. Dennis wachtte tot Charlie misschien nog iets zou zeggen, maar het onderwerp van zijn toekomstige bestseller hield zijn aandacht op de weg gericht en leek te zijn vergeten dat er een passagier bij hem in de auto zat.
‘Gaan we naar mijn hotel, meneer Sun?’ vroeg Dennis, in een poging een gesprek op gang te brengen.
‘Marsh, Charles Marsh. Dat is mijn echte naam. Noem me maar gewoon Charlie.’
‘Dus je noemt jezelf geen Gabriel Sun meer, Charlie?’
Charlie keek hem heel even geërgerd aan en richtte zijn blik toen weer op de weg, net op tijd om een rondzwervende geit te ontwijken.
‘Je moet al die onzin met Sun gewoon vergeten,’ zei hij toen het gevaar geweken was. ‘Dat is allemaal verleden tijd.’
‘Goed.’
De Volkswagen reed langs een paar marktkraampjes die op een braakliggend terrein langs de kant van de weg waren opgezet. Dennis draaide zich in zijn stoel om het tafereel in zich op te nemen. Zwarte, in veelkleurige stoffen geklede vrouwen droegen baby’s op hun rug terwijl ze manden fruit, rijst en vis op hun hoofd in evenwicht hielden. Mannen in korte kaki broeken en uit elkaar vallende T-shirts die in flarden aan hun gespierde rug hingen, liepen langs houten stalletjes waar rode, gele en blauwe blikjes en dozen verkocht werden. Vreemd genoeg leek het of elk kraampje dezelfde goederen verkocht. Tussen de kraampjes waren kinderen aan het spelen. Een paar mensen langs de kant van de weg glimlachten en zwaaiden toen de auto in volle vaart langsreed. Dennis zwaaide terug. Marsh negeerde hen en sloeg met de onderkant van zijn hand op de claxon als er iemand te dichtbij kwam, maar minderde geen moment vaart.
‘Moet je die stomme klootzakken zien,’ mompelde hij.
Dennis keek Charlie vreemd aan. Het liep allemaal anders dan hij verwacht had. Marsh bleek een boosaardige, gefrustreerde man te zijn. Dennis vroeg zich af of hij de reden voor Marsh’ woede en frustratie als het centrale thema voor zijn interview moest gebruiken. Als Charlie Marsh tijdens zijn jaren in Afrika een geestelijke metamorfose had ondergaan, zou dat Dennis’ boek alleen nog maar interessanter maken. Hij had de artikelen gelezen die Martha Brice in de map had gestopt, over de spannende gijzeling in de gevangenis, Charlies verhouding met de vrouw van het congreslid en de moordzaak, dus hij wist dat het boek seks, politiek en geweld zou bevatten, maar dit gegeven kon een heel nieuwe intellectuele dimensie aan de biografie geven. Het zou de critici en degenen die hun stem uitbrachten bij de toekenning van literaire prijzen in elk geval volop bezighouden.
Toen ze Baptisteville naderden, begonnen er met onregelmatige tussenpozen groepjes uit modder en blik opgetrokken hutten in zicht te komen. Nu en dan zag Dennis een huis dat van betonblokken was gebouwd, dat een beetje op de huizen leek waarmee hij in de voorsteden was opgegroeid. Achter de gebouwen strekte het grasland zich uit tot de horizon. Het ongewone landschap trok Dennis’ aandacht en hij begon Charlie vragen te stellen over wat hij zag. Charlie beantwoordde zijn vragen met tegenzin en hij weerde alle vragen over onderwerpen die Dennis voor het interview kon gebruiken af.
Dennis vermoedde dat ze de buitenwijken van de stad hadden bereikt toen ze langs het presidentiële paleis reden, dat hem deed denken aan een casino dat hij in Atlantic City had bezocht. Een paar minuten later zat de Volkswagen vast in een verkeersopstopping in een smalle straat met eenrichtingsverkeer. Aan weerszijden stonden gebouwen van twee verdiepingen. De winkels op de begane grond lagen in de schaduw van de balkons op de eerste etage. Doordat de winkels helemaal open waren, kon Dennis planken en toonbanken zien die vol lagen met rollen stof en etenswaren in blik.
Dicht opeengepakte menigten bevolkten de trottoirs, maar je zag maar zelden een blank gezicht. Er werd geclaxonneerd en bedelaars op houten krukken hinkten langs. Het verkeer kwam in beweging en de auto reed de winkelwijk uit en een weg langs de kust op, die over steile rotsen liep. Boven aan de rotsen lag in de verte het vijftien verdiepingen tellende Batanga Palace-hotel, een strak, modern bouwwerk, dat het hoogste gebouw van de stad was.
‘Ik zal je vertellen hoe het er hier aan toegaat,’ zei Charlie toen de oprijlaan van het hotel in zicht kwam. ‘In Batanga is iedereen een spion. Je kunt niemand vertrouwen. De gemiddelde Batangees is in staat om zijn eigen moeder voor een paar dollar aan de geheime politie te verkopen. Praat dus met niemand ergens over. Niet met de piccolo of met de receptionist, maar met helemaal niemand.
We zijn vanaf het vliegveld achtervolgd. Nee, niet omkijken. Je kunt toch niet zien wie het zijn. Als we bij het hotel stoppen, moet je je volkomen normaal gedragen. Je zult je koffer geen moment uit het oog willen verliezen, maar dat is hetzelfde als met een groot bord rondlopen waarop staat IK HEB HIER IETS IN VERSTOPT. Laat dus de piccolo de koffer naar je kamer brengen. Dan haal je het geld eruit en stopt dat in de tas van je handbagage. Als je dat gedaan hebt, neem je een douche, wat trouwens het eerste is wat een blanke die nog nooit in Afrika is geweest zou doen zodra hij in zijn hotel aankomt. Maar hou je tas bij je in de badkamer. Zo gauw je je hebt omgekleed, ga je naar de bar. Neem je tas mee. Als je hem in je kamer laat liggen, gaan ze erin snuffelen.’
‘Zie ik u dan in de bar?’
‘Nee. Zo gauw ik je af heb gezet, maak ik dat ik wegkom. Luister even goed. Je wordt aangesproken door een blanke man met een kaal hoofd en een fors postuur. Hij heet Evers. Je geeft hem het geld. Hij zorgt dat wij hier vannacht vandaan kunnen vliegen.’
‘Vannacht? Maar ik ben hier net.’
‘En je gaat ook zo weer weg. Evers is een huurling. Hij heeft geregeld dat er een vliegtuig gaat landen op een landingsstrook in de bush, een paar kilometer buiten de stad. Zodra je hem het geld hebt gegeven neemt hij contact op met zijn compagnon en dan zien we elkaar bij de landingsstrip.’
‘Gaat Evers me daar naartoe brengen?’
‘Jezus, nee! Baptistes mannen mogen jullie twee niet samen zien. Hij neemt alleen maar het geld aan.’
‘Hoe kom ik daar dan?’ vroeg Dennis bezorgd.
‘Je vraagt aan de portier van het hotel waar het nachtleven is en laat hem dan een taxi voor je bestellen.’
‘Moet ik mijn koffer meenemen?’
‘Doe niet zo stom! Wie neemt er nou een koffer mee naar een bar? Nee, je komt zonder koffer. Die laat je in je kamer staan, zodat niemand op het idee komt dat je ertussenuit knijpt.’
‘Hé, Charlie, doe even normaal. Al dat geheimzinnige gedoe is nieuw voor me.’
‘Dan kun je het beter snel leren, want één stommiteit kan je het leven kosten. Let nu goed op. Zo gauw je bij het hotel uit de buurt bent, zeg je tegen de chauffeur dat je van gedachten bent veranderd en een oude vriend wilt gaan bezoeken. Geef hem deze aanwijzingen,’ zei Charlie, terwijl hij Dennis een stuk papier gaf. ‘Daarmee kom je in een besloten immigrantenwijk, zodat het net lijkt of je bij een blanke kennis op bezoek gaat. Als je bij de poort bent, zeg je tegen de chauffeur dat hij nog een paar kilometer door moet rijden. Als hij tegensputtert, geef je hem vijf dollar. Voor zo’n fooi brengt hij je desnoods naar de maan. Hou de kilometerteller in de gaten. Vlak voordat hij op drie springt, zie je rechts een onverharde weg. Laat hem anderhalve kilometer die weg op rijden, dan zien we je daar.’
‘Ik weet niet of ik dit wel…’ begon Dennis zenuwachtig.
‘Je kunt uit twee dingen kiezen. Of je doet wat ik net tegen je gezegd heb en maakt dat je vannacht uit dit godvergeten oord wegkomt, óf je gebruikt je retourticket en vertrekt morgen. Het probleem met die tweede keus is dat je morgenochtend in Batanga zult moeten zijn, en tegen die tijd weet Baptiste al lang dat ik hem gesmeerd ben.
Stel jezelf de volgende vragen: wie is de laatste met wie ik samen gezien ben en wie denk je dat er ondervraagd gaat worden over waar ik naartoe ben? Terwijl de geheime politie het voltage van de elektroden die ze aan je testikels hebben gehangen aan het bijstellen is, zit ik in een vliegtuig op weg naar de vrijheid en zit jij je af te vragen waarom je niet met mij mee bent gegaan.’
‘Elektroden aan mijn… Kan dat zomaar? Ik ben Amerikaans burger.’
‘Denk je dat dat Baptiste ene moer kan schelen? Als hij erachter komt dat ik ontsnapt ben, zal hij willen dat iemand daarvoor gaat bloeden, en jij bent de enige die daarvoor in aanmerking komt.’