95
Ik schonk meneer Wintersoldaat een brede glimlach, en toen de deur openzwaaide, kreeg ik een grote rij bruine tanden terug. Hij was nog steeds gekleed in de dikke, zwarte polotrui en de nog dikkere gestreepte bodywarmer. Vijf of zes stoffige 4x4’s stonden dicht naast elkaar geparkeerd op de binnenplaats. Ik volgde het grindpad door de tuin naar de betonnen trap.
Ik hoopte dat de receptie onbemand zou zijn, maar de knul in het witte overhemd stond erachter te glimlachen en een toonbeeld van efficiëntie te zijn. Ik liep langs het rek Martini-Henry’s. ‘Hallo, maat – alles goed?’
‘Ja, dank u wel, meneer.’
‘Ik ben op zoek naar een kerel met wie ik een paar avonden geleden wat zaken heb gedaan. Afghaan, half dertig, gladgeschoren, kleedt zich behoorlijk westers – polohemd en spijkerbroek. Hij droeg een blauwe baseballpet…’
Zijn gezicht lichtte op. ‘Kellogg, Brown en Root?’
‘Dat is ’m. Zou je me een plezier willen doen? Ga even kijken of hij hier is. Ik had gezegd dat ik hem in de Haas en Hond zou treffen, maar ik verwacht een telefoontje, en daarbeneden heb ik geen signaal.’
‘Natuurlijk, meneer. Twee minuten.’
‘Zo lang als het duurt, maat.’
Hij liep langs het wapenrek naar buiten in de richting van de trap naar de kelder.
Als de regelaar er echt was, zou ik kijken of ik hem met ons meenam. Iemand die Pasjtoe sprak, zou gemakkelijk kunnen zijn. Als ik alleen was geweest, zou ik zo dicht mogelijk naar de grens zijn gereden tot ik controleposten of blokkades kon verwachten, dan zou ik de auto achter hebben gelaten en te voet verder zijn gegaan. Ik kende deze bergen – zij het misschien niet zo goed als de moedja’s en de taliban – omdat ik ze vele keren was overgestoken. Maar ik had een halve invalide op sleeptouw, en de klok bleef doortikken. We moesten zo snel mogelijk op een vliegveld in Pakistan zien te komen. En we hadden geen tijd te verspillen.
Ik zou weer eens de grootste bewonderaar van Martini-Henry ter wereld worden. Ik liep naar het rek en streelde ze bijna, terwijl ik de kleerhanger uit mijn zak haalde en rechtboog.
Ik controleerde de gang op personen en camera’s voordat ik tot de ontdekking kwam dat mijn veters opnieuw gestrikt moesten worden. Ik boog voorover, duwde de draad achter het rek en viste. De dunne bundel was waar ik hem had achtergelaten. Ik pakte mijn paspoort van Nick Stone met de tien biljetten van honderd dollar.
De jonge receptionist verscheen weer en schudde zijn hoofd. ‘Hij is niet in de bar, meneer. Kan ik een boodschap overbrengen?’
Ik schonk hem de grootste grijns die ik op kon brengen. ‘Vertel hem dat ik hier was, maar vroeg ben vertrokken.’
Ik liep terug naar Basma’s auto.