31
Dublin Airport
Dinsdag, 6 maart
1415 uur
Regen droop van de overkapping buiten de aankomsthal waar ik in de rij stond voor een taxi. De bus zou even snel zijn geweest, maar daarin zou ik niet zoveel wijzer zijn geworden. Het was lang geleden sinds ik hier was geweest, en een praatje met een taxichauffeur was de beste manier om snel van alles op de hoogte te zijn.
Dat was de uitvlucht die ik voor mezelf had verzonnen. In werkelijkheid wilde ik me wat meer tijd gunnen om na te denken. Ik moest de situatie meester blijven en me niet laten verrassen. Lulkoek kan hersenen op een dwaalspoor brengen en de Yes Man probeerde me te veel daarvan in de maag te splitsen. Hij moest me voor compleet achterlijk houden als hij dacht dat een paar stempels op een dossiermap mij de overtuiging gaven dat er nu een gele kaart aan zat.
De enige bekende contactadressen die nog resteerden, waren het televisiestation, zijn vrouw en zijn stiefzoon. Ik had tegen de Yes Man gezegd dat ze een tap moesten zetten op het mobieltje van Dom en dat van zijn vrouw, alle vaste nummers en de thuiscomputer. Hij was niet achterlijk. Hij had dat al geregeld met zijn Ierse collega’s.
Goed, er zat dus geen vel met parafen aan de binnenkant van de omslag en dat zou er ook nooit komen. Het maakte niet uit. Ik ging de Yes Man en al zijn hulpbronnen gebruiken om Dom te vinden. Maar daarna zou ík het zijn die ging achterhalen wat hij wist – en die zo nodig naar bevind van zaken ging handelen.
Siobhan was de laatste met wie Dom contact had gehad. Hij had haar vanuit de NOB gebeld voordat hij definitief het zwijgen ertoe deed. Ik had er regelrecht naartoe moeten gaan, maar zijn dossier had niet zoveel over hem aan het licht gebracht, om over haar maar te zwijgen. Het was niet bekend of ze werkte, haar dagen in de sportschool doorbracht of alleen maar winkelde. Wat had het voor zin om daar meteen naartoe te gaan en urenlang op de hoek van de straat rond te hangen? Wat ik ging doen, was verstandiger.
De chauffeur van de taxi die op me af reed, moest minstens de zeventig zijn gepasseerd. Er zaten kreukels in zijn gezicht die er zelfs met een stoomstrijkijzer niet meer uit zouden gaan.
‘O’Connell Street, maat.’ Ik sprong achterin met al mijn aardse bezittingen nog altijd in mijn Bergen. De Yes Man had een rekening bij een Britse bank geregeld en ik had nu tienduizend euro in contanten op zak. Ik had het hele bedrag opgenomen, omdat ik dan alles in eigen hand had. Hij zou mijn bewegingen niet kunnen nagaan doordat ik telkens kleine bedragen opnam. Ik had me niet omgekleed. Mijn kleren hadden ook wel wat aandacht van dat stoomstrijkijzer kunnen gebruiken.
‘Al eerder in Dublin geweest, meneer?’
We reden weg en belandden in een file.
‘Vaak, maar dat is misschien wel twintig jaar geleden. Bokkenfuiven, rugbywedstrijden… Je kent dat wel.’
‘Dat is nog wel een beetje aan de gang. Maar er is ook heel veel veranderd. Dublin is het verhaal van de bedelaar die miljonair werd. Ik zou willen dat ik jong genoeg was om ervan te kunnen genieten.’
Ik had genoeg lol gehad met bokken- en geitenfuiven en rugbysupporters, maar dat had niets te maken gehad met zo dronken worden dat je een politieagent onderkotste. Toen ik bij het Regiment zat, gebruikten we de weekenden om er zelf beter van te worden. We kwamen gewoonlijk op vrijdagavond vanuit het noorden hierheen om mensen op te pakken met wie de Special Branch een indringend privégesprek wilde voeren.
De laatste keer was het net zoals nu geweest: grauw, nat en ellendig. Maar in plaats van de rit van een paar uur naar het zuiden te maken, waren we naar Londen gevlogen en vandaar weer hierheen met een speciale vlucht voor een vijflandenwedstrijd. De pubs hadden stampvol gezeten met Britse rugbyshirts, dus waren wij helemaal niet opgevallen in de shirts die we belastingvrij op Heathrow hadden gekocht. Ons doelwit was een lid van de oorlogsraad van de Provisional IRA die had gedacht dat hij veilig vanuit het zuiden de drugshandel van de PIRA aan het regelen was.
Connor McNaughten bracht het grootste deel van zijn tijd in Dublin door en waagde zich alleen maar in Belfast en Londonderry om iemands knieschijven te verbrijzelen of een volle koffer met de drugswinsten van de Provo’s op te halen. Tegen het eind van de oorlog, toen de meeste ASU’s (active service units) van de PIRA waren opgerold, hadden we het gevoel gehad dat het merendeel van onze operaties tegen drugsbaronnen was gericht in plaats van tegen terroristen.
We pikten hem op in de kleine uurtjes van de zaterdagochtend toen hij de bloemetjes aan het buitenzetten was. We sleepten hem in de kofferbak van een auto die door een van de andere mannen naar het zuiden was gereden en brachten hem rechtstreeks naar het politiebureau van Castlereagh in het noorden. Het grote stenen fort was de Abu Ghraib van Noord-Ierland. Geen enkele klootzak, hoe hard hij ook was, wilde worden verhoord door de Special Branch. Ging je Castlereagh in, dan kwam je eruit met een paar vingers minder en een paar botten die uit vorm waren gebogen. En dat was geen sprookje. Maximaal vierentwintig uur, dat was de langste tijd dat iemand het volhield, en daarna spuiden ze alles wat ze te spuien hadden.
Connor was een dik mannetje, maar verrekte hard. Hij hield het meer dan twintig uur vol, wat hem tegen wil en dank het respect van de SB opleverde.
Later werd hij weer achter in de kofferbak van een auto gestopt en terug over de grens gezet voordat het jolige weekend in Dublin voorbij was. Eenmaal terug in de stad met een rechterhand waaraan een pink ontbrak, had ik hem in heel duidelijke bewoordingen verteld dat als hij ook maar iets losliet over wat er was gebeurd, de Special Branch zou laten uitlekken dat hij de informatie vrijwillig had verschaft.
Het enige wat van hem werd gevraagd, was dat hij zijn akelige leventje weer oppakte en als hem om informatie werd gevraagd, hij die zou geven. Anders zou hij weer worden opgepakt om een nacht of twee in het kasteel door te brengen of hij zou worden verlinkt aan de Provo’s. Hij had niet veel keus: nog een paar vingers kwijtraken of een stoeptegel op je hoofd krijgen. Geen wonder dat we ten slotte zeer ruim in de judassen zaten.
Aan dat alles was een eind gekomen sinds Gerry Adams en Ian Paisley liefdevol waren begonnen met het delen van de macht. Ik vroeg me af wat Sundance en Gympen daarvan vonden. Na al die jaren van strijd tegen de UDA en het ‘Overgeven? Nooit!’ van de protestanten was dat precies wat de loyalisten – en de nationalisten – hadden gedaan. Waarschijnlijk zagen ze het als het totaal vergooien van een oorlog. Ik betwijfelde of ik het ze ooit zou vragen. Ik had graag tanden en ongebroken botten.
Wat Connor betreft, hij had zich heel stil gehouden over zijn bezoekje aan het kasteel en gedaan wat hem was gezegd. Nog beter dan dat, hij was een jaar later raadslid voor de Sinn Fein in Dublin geworden. Dat hield in dat de Britten ook daar een informatiebron hadden.
Ik keek uit het raampje toen we door de buitenwijken kropen. De chauffeur had gelijk. Dublin was van bedelaar miljonair geworden sinds Ierland zich had aangesloten bij de EU, en kennelijk waren het niet alleen de Ieren zelf die het economische wonder aanzwengelden. We passeerden een aanplakbord met een advertentie voor een krant. De hele tekst was in een vreemde taal, maar ik herkende ‘Polski’. ‘Hebben jullie veel Polen hier?’
‘Ze hebben zelfs hun eigen tv-programma. Beste mensen, ik mag ze wel. We hebben allerlei nationaliteiten. We hebben Litouwers, Afrikanen, Spanjaarden en massa’s van die Chinese mannetjes. We hebben zelfs een moskee.’
‘Is dat hem?’ Ik zat te kijken naar een zilveren mast die boven het centrum van de stad naar de hemel wees.
Hij grinnikte terwijl hij zich door het verkeer worstelde. ‘Bertie Ahern wilde een soort sportpaleis bouwen, maar uiteindelijk besloten ze in plaats daarvan tot een spits. Wij noemen hem Berties paal… of de Stiffy aan de Liffey.’ Zijn gezicht verkreukelde in nog eens duizend rimpels. Hij vond de grap zó leuk dat hij door rood reed. Niet omdat hij ongeduldig was, maar gewoon omdat hij het niet in de gaten had.
We reden door een straat waarvan ik iets herkende. Maar in mijn herinnering was het een verlopen bedoening met vrouwen die uit een kinderwagen fruit en groente en moten vis verkochten. Nu waren er Afrikaanse kappers, Arabische delicatessenwinkels, Chinese restaurants en massa’s internetcafés. Zaken die kokosnoten en allerhande andere spullen verkochten. Het deed me denken aan wijken in New York, de stad waar je denkt dat iedereen rookt, omdat de nieuwe wetten de rokers de straat op hebben gejaagd.
En te oordelen naar de omvang van de groep die op het trottoir stond te dampen, was al het personeel van TVZ 24 aan de overkant van de Atlantische Oceaan aangeworven.