52

Ik vroeg me af of het die Indische kerel met de baard was die het laatste halfuur op hun televisie aan het zingen en dansen was geweest.

Het was volledig donker en de menigte had zich verspreid. Ik trok het mobieltje voorzichtig uit mijn spijkerbroek en zette het aan, waarbij ik de oplichtende display afschermde met mijn hand.

‘Magreb, maat, met Nick. De Gandamack – weet jij waar de Gandamack Lodge is? Het hotel?’

Op de achtergrond werd er gerammeld met potten en pannen, terwijl de Gordon Ramsay van het Serena bevelen schreeuwde naar zijn ondergeschikten.

‘Ja, ja. Wil je dat ik je ernaartoe rijd, misschien?’

‘Nee, ik wil dat je me daar na het werk op komt halen. Maar nu moet je me vertellen hoe ik daar te voet kom.’

Zijn stem kreeg een beklemde klank. ‘Niet lopen, meneer Nick. Erg slechte mannen daar. Wacht tot ik klaar ben met werken, misschien…’

‘Te laat, makker. Luister, als ik beschrijf waar ik ben, zou jij me dan de juiste weg kunnen wijzen? Ik weet dat ik er niet zo ver uit de buurt ben.’

Hij klonk niet echt vrolijk. Ik wist niet zeker of hij zich zorgen maakte over mijn veiligheid of over zijn verlies aan inkomsten als ik werd ontvoerd.

Ik kwam achter de stapel hout vandaan. ‘Ik kijk naar een grote weg vlak voor me. Op de kruising zie ik een sportwinkel – Gym Tonic. De etalage staat vol met looptoestellen, maat. Je weet wel, fitnessapparaten. Boksballen.’

Het leek zo misplaatst. Ik zou denken dat in vorm komen voor het strand wel het laatste was waar de plaatselijke bevolking zich druk over zou maken.

‘Oké, oké.’ Hij was aan het nadenken. ‘Meneer Nick, loop langs de sportwinkel en ga rechtsaf, en dan…’

‘Stop maar, maat. Ik moet in de zijstraten blijven. De slechte mannen hebben me al gevonden. Ik ben me voor hen aan het verstoppen. Ik wil niet echt door die etalageverlichting lopen, hè?’

Hij had een paar tellen nodig om dat te verwerken. Of hij kon me niet goed horen door het geraas van Gordons laatste uitbarsting.

‘Oké. Je loopt bij de sportwinkel vandaan, misschien, de andere kant op en vertelt me wat je ziet.’

Ik deed wat hij zei. Ik liep de volgende tien minuten zonder een markant punt te zien. Uiteindelijk vond ik een met de hand beschilderd straatnaambordje dat ik voor hem spelde.

We volgden een weg door straten waar af en toe een streep licht tussen gesloten luiken naar buiten viel. Verkeer raasde onophoudelijk over parallelwegen. Ik stelde me de trottoirs voor die vol stonden met boze jonge kerels met koeienvlaaien op hun hoofd.

‘Wat kun je nou zien, meneer Nick?’

Ik stond tussen twee vrachtwagens. ‘Er is een kruising. Aan de overkant is een hoge muur met prikkeldraad, misschien een ambassade. Ik zou wel eens aan het begin van de diplomatieke wijk kunnen zijn.’

‘Ja, meneer Nick. Wat is er in het midden van de weg? Beton, misschien?’

De weg had een middenberm met armzalige struiken. ‘Struiken, maat. Geen beton. Rechts kan ik de lichten van TV Hill zien.’

‘Ga naar links, meneer Nick. Links, en je komt bij de Gandamack.’

Ik stak snel de kruising over, sloeg linksaf en bleef dicht langs de muur lopen. Koplampen vingen me in hun lichtbundels, maar daar kon ik geen donder aan doen.

‘Loop de straat af, meneer Nick. Doorlopen. Je ziet computerwinkel, misschien?’

‘Ja.’

De kleine rotzak zat precies goed.

‘De Gandamack is aan deze straat, aan dezelfde kant als de computerwinkel.’

Er klonk geschreeuw achter me. Ik draaide me om en zag koeienvlaaien, misschien vijf of zes van die rotzakken, mijn kant op komen rennen.

‘Ik bel je later.’

Ik belde af terwijl ik het op een lopen zette, en al na enkele passen kon ik de vorm van wachthokjes onderscheiden die buiten de gebouwen uitstaken.

De koeienvlaaien liepen op me in, maar ik kwam dichter bij de hokjes.

Figuren kwamen naar buiten om te kijken waar de drukte om ging. Ze konden niet zeker weten wat er verdomme uit het donker op hen af kwam.

Een paar hadden hun wapens in de aanslag. Twee anderen waren hun veiligheidspal al aan het controleren.

Ik stak onder het rennen mijn handen omhoog. ‘Alles oké, alles oké! Gandamack!’

Mijn handen bleven omhoog. Ik kwam tot binnen vijftien meter. ‘De Gandamack! Waar is de Gandamack?’

Eén wees naar een donkere opening die aan mijn linkerkant opdoemde. Ik kon niet uitmaken of het gebouw erachter gebombardeerd was of hersteld werd, maar deze kerels moesten iets bewaken.

Ze lieten hun wapens zakken. Ik keek achter me. Zo dapper waren de koeienvlaaien niet.

Ik steunde met mijn handen op mijn knieën, terwijl ik naar adem hapte. ‘Niet nodig om me neer te schieten. Ik zal niet over het eten klagen, echt niet.’ Ik stak mijn hand uit, die door hen werd geschud.

Ik zocht mijn weg over rommel en bakstenen. Plastic bakken vol puin stonden klaar om te worden vervoerd.

Er was een deur voor voetgangers rechts van de poort. Er zat een schuifje in om te kijken wie er voor de deur stond.

Ik stompte een paar keer tegen de poort. Het staal rammelde. De schuif werd opengetrokken en twee donkerbruine Afghaanse ogen wilden weten wat ik verdomme kwam doen.