42

‘Is dit jouw eerste keer in Afghanistan, maat?’

De Australiër in de stoel aan het middenpad links van me was achter in de vijftig en had grijs, goed verzorgd haar.

Hij was van top tot teen door Brooks Brothers in de kleren gestoken. De hand die de gin-tonic aanpakte van de voortdurend glimlachende stewardess, was gemanicuurd. Het woordje ‘diplomaat’ stond bijna op zijn voorhoofd gedrukt.

Eén blik op mijn T-shirt en kousenvoeten zou voldoende moeten zijn geweest om hem te vertellen hoe ik in het plaatje paste. Er zouden duizenden kerels als ik in het land zijn en onze levens zouden elkaar niet overlappen. Er zouden geen uitnodigingen voor ambassadefeestjes mijn kant op komen.

Niettemin hief hij zijn glas op. ‘Cheers.’

Ik knikte. ‘Ja, eerste keer.’

Hij nam nog een slok en dook toen in ons schaaltje cashewnoten. ‘En wat doe je zoal? Wat brengt je deze kant op?’

‘Schrijver. Ik schrijf reisgidsen. We noemen ze “Outside the Comfort Zone”.’

Hij lachte en werkte nog een paar noten naar binnen. ‘Denk je echt dat mensen hierheen willen komen?’

‘Geen idee. Daar wil ik proberen achter te komen.’

Ik leunde achterover in mijn zeer gerieflijke stoel, zette hem nog iets verder naar achteren en pakte een van de Indische zakentijdschriften om hem zo beleefd mogelijk de mond te snoeren.

Adres en bedrijf van mijn dekmantel hielden verband met Outside the Comfort Zone, een kleine, onafhankelijke uitgeverij in het East End, die gespecialiseerd was in extreme reizen. De Firma had de zaak waarschijnlijk jaren geleden opgezet. De boeken die werden uitgebracht, hadden allemaal plaatsen tot onderwerp waarin de Firma belangstelde. Ik was nu een van hun freelance medewerkers. Mijn paspoort had alle normale kanalen moeten doorlopen. De visumaanvraag was door een commercieel bedrijf in Londen behandeld en hun sticker zat nog op de achterkant.

De laptop had me verteld dat ik een vriendin had die Kirsty heette. Ik kon me nooit haar nieuwe nummer herinneren, en om die reden stond het daar pal voor me. Als iemand dat nummer belde, zou ze mijn verhaal bevestigen als onderdeel van de nieuwe identiteit. Geen wonder dat ik van haar hield.

Ik bladerde door het tijdschrift. Uncle Sam was niet direct de lieveling van de maand. Maar dat gold eigenlijk ook voor oom Tony.

Ik bladerde nog wat verder en zag een foto van Dom naast een artikel over ‘Gesluierde dreigingen’. Hij zat met de vrouw die ik op het scherm in Dublin had gezien op de motorkap van een 4x4. Hij was gekleed in een safari-jasje en zijn gezicht stond ernstig. Zij droeg dezelfde kleding als in de documentaire, een witte hoofddoek en een lange, zwarte jurk. Haar naam was Basma Al-Sulaiman. Basma. Baz… een paar blauwe peperpotten op de achtergrond verleenden de opname enige diepte. Goed gedaan, Pete.

Het artikel ging over het zware leven van Afghaanse vrouwen en over het opvanghuis van Basma in Kabul. Ze had het over de beloftes die waren gedaan nadat de taliban eruit waren getrapt. Hun leven had beter moeten worden zodra ze ‘bevrijd’ waren. Plaatselijke vrouwen zouden nu leiding moeten geven aan multinationals, en toch waren ze nog steeds derderangsburgers. Enkelen van de meisjes in haar opvanghuis waren op jonge leeftijd aan de heroïne gebracht om ze afhankelijk te maken, en daarna werden ze door de dealers gebruikt als koeriers om de drugs door het land te vervoeren. Het was een volmaakte dekmantel. Niemand besteedde enige aandacht aan hen en er was heel wat loze ruimte onder een boerka.

Het zag ernaar uit dat er niet veel was veranderd sinds ik daar voor het laatst was geweest.

Toen het meisje Farah was gestorven, had ik haar lichaam op enige afstand buiten het dorp gebracht en haar begraven. Een paar weken later hoorde ik van Ahmad dat haar man erin was geslaagd zijn verlies te boven te komen. Hij was er de volgende dag op uitgetrokken en had een vervangster gekocht.