46

Degene die het gebouw had ontworpen, had het bijna onneembaar gemaakt voor een aanval vanaf de grond met iets anders dan een Challenger of een Warrior, en wel zonder dat er een HESCO of rol prikkeldraad was te zien.

De twee hoofdpoorten moesten elk ongeveer drieënhalve meter in het vierkant zijn en gemaakt van dikke, dicht op elkaar staande stalen spijlen. Marmeren zuilen aan elke kant ondersteunden een zwaar stenen afdak; welk ander doel het ook mocht hebben, het verschafte schaduw. De bewakers eronder waren ook indrukwekkend. Ze droegen hetzelfde uniform als mijn escorte, zoals je mocht verwachten bij een bouwwerk met een prijskaartje van vijfendertig miljoen dollar. Hij zwaaide naar ze.

Ik had alles wat er over te lezen was online op Heathrow gelezen. Het was vorig jaar gebouwd op de ruïne van het oude Kabul Hotel, dat jarenlang was gebombardeerd en in puin geschoten. Te oordelen naar de foto’s en de tekst op de website was het de veiligste en meest luxueuze plek in de hele stad en waarschijnlijk in heel Afghanistan. Tenzij je natuurlijk door ISAF onder dak werd gebracht.

De poort ging naar binnen open en we reden een betegelde binnenplaats op. Langs de kant stonden twee witte Toyota Land Cruisers met VN-embleem en drie Amerikaanse GMC Suburbans met verduisterde ramen en genoeg antennes om dienst te doen als mobiele commandoposten van de NASA. De chauffeurs leunden tegen hun motorkap in nieuwe, grijs gevlekte camouflagekleding, heupholster en zonnebril, en zagen ons voorbijratelen.

Magreb stopte onder een enorme portiek van steen en marmer. Een portier met de plaatselijke uitvoering van de tulband kwam naar buiten rennen en opende mijn schuifdeur. Zijn Londense evenknie zou zijn uitgedost als Beefeater.

Ik stopte ze allebei een biljet van twintig dollar toe en de escorte ontdekte dat hij een paar woorden Engels kende: ‘Dank u.’

Het was waarschijnlijk meer dan ze dagelijks verdienden, en dat lieten ze blijken.

Twee jonge piccolo’s kwamen naar buiten rennen en zochten tevergeefs naar bagage. Ik wees op mijn Bergen en haalde mijn schouders op. Ze probeerden die van me af te pakken, maar ik bleef hem vasthouden. Ik schudde de hand van de beveiligingsman en hij wandelde terug naar zijn makkers bij de poort.

Het was Magrebs beurt voor een handdruk. ‘Wil jij me rondrijden zolang ik hier ben, maat? Misschien om een nieuw babystoeltje te kopen voor zoon nummer vier?’

Hij schudde mijn hand nog heftiger. Dit was een goede dag voor hem en natuurlijk mocht hij me. Ik deed aardig tegen hem. ‘Maar ik werk, meneer Nick… Ik kook lekker eten voor u, misschien.’

‘Geen probleem. Wanneer ben je uitgewerkt?’

Hij keek op zijn horloge alsof dat het hem kon vertellen. ‘Zeven… zeven.’

‘Goed, schrijf je nummer op, dan bel ik je om zeven. Goed?’

Hij sprong weer achter het stuur en vond een pen.

Toen het karwei was geklaard, ging ik op weg naar de metaaldetector meteen opzij van de ingang. Mijn nieuwe makker met de tulband bracht me rechtstreeks naar de hoge glazen deuren. We mochten dan misschien in een oorlogsgebied zijn, maar voor mijn gevoel waren we een paar miljoen kilometer van Basra. Het regende geen mortiergranaten of raketten, er waren geen gepantserde rupsvoertuigen, geen helm, geen kogelvrij vest onder de Gunga Din-jurk van mijn makker. De enige herinnering was een bordje dat me vertelde dat binnen geen vuurwapens waren toegestaan.

De lobby had van een vijfsterrenhotel in Parijs of New York kunnen zijn. Er waren marmeren vloeren, glazen wanden en goudverf op alle oppervlakken. Plaatselijke tapijten en donker hout maakten de indruk van een paleis compleet. Het enige wat uit de toon viel, was de reggaemuziek die uit het luidsprekersysteem klonk. Ze hadden ofwel de lobby- en feest-cd’s verwisseld, of in de postkamer van het hoofdkwartier van de hotelketen was er iets goed misgegaan en probeerden ze bij een Caribisch zwembadfeestje in Jamaica nu te dansen op traditionele Afghaanse volksliederen.

Vijfendertig miljoen dollar voor een hotel in Kabul duidde op een goed zakelijk inzicht. De oliemaatschappijen hadden hun mensen die het noorden van het land verkenden om te zien wat er daar uit de grond kon worden gehaald. Als de topmensen binnenvlogen voor een bezoek, konden die niet echt in een vervallen logement in het centrum worden ondergebracht. Er moesten altijd labiele oorlogsgebieden zijn voor de zogenaamd groten en goeden der aarde. Er was een hotel als het Serena in elke oorlogszone. Misschien niet zo luxueus als dit, maar ze waren er wel.

Ik begon met inchecken. In dit gedeelte van de wereld vertrouwen ze plastic niet; de hele tijd moet je briefjes vouwen – en bij voorkeur groene, met presidenten erop.

Ik bedankte de receptie uitvoerig voor het organiseren van mijn vervoer en overhandigde vijftienhonderd US dollar voor de eerste vijf nachten die ik had geboekt.

Terwijl ik het gastenboek tekende, slenterden zeven of acht kerels voorbij, allemaal in battledress met haarscherpe vouwen en schoenen die rechtstreeks bij de kwartiermeester vandaan kwamen. Allen droegen ze een laptoptas aan de schouder en een mooi doosje in de hand. Het roze lint waarmee de doosjes waren dichtgebonden zag er bizar uit naast het pistool op de heup. Ik nam aan dat het bord buiten alleen voor de slechteriken was.

Ze kwamen op de receptiebalie af met identificatiekaarten ter grootte van een creditcard aan hun armband, voor het geval dat we nog niet hadden begrepen dat ze Amerikaan en officier waren.