67

Ik sprong achterin. De chauffeur had een grijze baard en zwarte tanden en hij zag eruit als ongeveer tachtig. Hij wauwelde een soort begroeting. Ik dook met mijn hand in mijn heuptasje en haalde er een stapel biljetten uit. ‘Vooruit! Die taxi! Volgen, volgen!’

Ik zwaaide driftig met mijn hand, maar hij leek meer belangstelling te hebben voor de stank van Marmite. Ik stopte een paar briefjes van tien in zijn knokige bruine hand. ‘Vooruit! Tsjop-tsjop!’

Eindelijk reed hij weg. Hij bekeek me in zijn achteruitkijkspiegeltje, waaraan genoeg kralensnoeren hingen om een moskee mee te versieren.

Het mobieltje van de Yes Man trilde in de zak van mijn flodderbroek. Hij kon verrekken en wachten.

Ik boog naar voren tussen de twee voorstoelen, terwijl mijn ogen naar de Mazda zochten. Ik probeerde te blijven glimlachen terwijl ik zijn benige oude schouder een vriendelijk kneepje gaf. ‘Dat is goed, maatje, laten we die kar te pakken krijgen.’

Ik stopte hem een ander briefje toe.

Het was even na negenen. De zon stond achter ons. TV Hill lag links. We reden naar het westen.

De straten werden smaller en de winkels zeldzamer. Betonnen huizen met één verdieping en een plat dak kwamen ervoor in de plaats. Ik tuurde door de stoffige, gebarsten voorruit, maar er was geen spoor van de oranje-witte stationcar te bekennen.

Voor ons verliet een auto onze baan en schoot naar links door het tegemoetkomende verkeer.

‘Daar! Die taxi! Volg die taxi!’

Ik zwaaide met mijn handen en probeerde hem te laten zien wat ik wilde. Hij begreep het niet tot ik weer een tientje pakte.

De oranje-witte verdween in een straat van aangestampte stenen. Er zaten beslist twee mensen in. Een grote gestalte zat rechtsachter. Hij bewoog niet en keek niet achterom.

Ik draaide het raampje open. De herrie en de hitte van de buitenwereld stroomden naar binnen. ‘Dat is het. Links, ja? Die taxi, ja?’

Hij grijnsde veelbetekenend, terwijl hij aan het stuur draaide om tussen het tegemoetkomende verkeer over te steken. Hij had die baardige kerel dezelfde stunt waarschijnlijk wel honderd keer in Bollywoodfilms zien uithalen terwijl hij de misdaad in Delhi bestreed.

Hij kwam halverwege aan de overkant en stampte op de rem. Ik schoot naar voren. Twee glanzend witte GMC Suburbans met verduisterde raampjes kwamen op ons af razen. Rode en blauwe zwaailichten flitsten achter radiatorgrilles om ons duidelijk te maken dat we verdomme uit de weg moesten gaan. Deze jongens stopten voor niemand.

We draaiden in hun kielzog. TV Hill lag nu voor ons. We reden naar het zuiden.

Ik hield mijn ogen op het doel gericht. De stofwolk die erachter opdwarrelde was misschien honderdvijftig meter voor ons. Kinderen die auto’s aan het wassen waren, moesten uit de weg springen toen wij over het grind draaiden.

De oranje-witte draaide een andere bocht naar links.

‘Dat is ’m, maatje!’

Onze auto ging langzamer rijden. De chauffeur keek nog steeds naar voren, maar wierp me een zijdelingse blik toe.

‘Goocheme rotzak!’ Ik smeet hem een ander tientje toe en hij grinnikte toen we weer snelheid maakten.

We volgden de Mazda door de woonwijk en reden er soms vijftig meter achter en soms meer. In de verte doemde een hoofdstraat op, maar ik kon een file zien die zich bijna helemaal tot aan ons uitstrekte. Ik rukte mijn Bergen open en greep de kaart.

TV Hill lag nu ongeveer op een kilometer voor ons. Ik kon het woud van antennes op de twee pieken duidelijk zien. De hoofdstraat moest Salang Wat zijn. Weer links afslaan zou ons terugvoeren naar het centrum. Rechtsaf zou ons naar het noordwesten brengen – uit de stad en naar de rand van de wereld.

We kropen naar de hoofdstraat. Het doelwit reed nu ongeveer vier auto’s voor ons.

De chauffeur was nu aan het kletsen alsof ik zijn lang verloren gewaande broer was. Hij glimlachte en snoof de lucht op. Ik kon zien dat hij maar al te graag naar mijn aftershave wilde vragen.

Verrek maar. Ik tastte in de Bergen zonder met mijn ogen het doelwit ook maar een ogenblik los te laten, kreeg de pot Marmite te pakken en opende die. Ik stak hem naar voren, zodat hij kon ruiken. Hij trok een vies gezicht. Het was officieel. Afghanen moesten beslist niets van het spul hebben.

We rolden een paar wagenlengtes naar voren. Mijn gezicht dreef van het zweet en dat maakte de stank nog erger. Eindelijk kon ik de smeulende resten van een autobom zien en het bloedbad dat die op de openluchtmarkt had aangericht.

Italiaanse pantservoertuigen vormden een gedeeltelijke wegafzetting, met .50’s die alle kanten op wezen. Soldaten zochten dekking in deuropeningen, terwijl verkeersagenten met dronken-zeemanspetten schreeuwden en naar het toestromende verkeer wezen.

Lichaamsdelen lagen verspreid tussen verscheurd metaal en glas rond de krater. Brandweerauto’s spoten wit schuim, terwijl de grote delen van de doden werden verzameld en de gewonden in elk beschikbaar voertuig werden geholpen. De twee Mercedes-ambulances konden de drukte niet aan.

De markt leek zich helemaal tot de voet van TV Hill uit te strekken. Daar ging hij over in een sloppenwijk die bijna helemaal tot de top reikte. Ergens in die zee van modder en golfplaat woonden Magreb, mevrouw Magreb en hun vier kleine jongens.