20
Vrijdag, 2 maart
1126 uur
‘Nick, ik ben het. Wakker worden, knul.’
‘Dom?’ Ik draaide me half slapend om. ‘Wat is er met jou? Wat heeft Pete gedaan?’ Mijn arm klopte. Ik opende een oog. Mijn arm was verpakt in een schoon verband. Hij voelde aan alsof hij net gehecht was.
‘Je wordt weer zogoed als nieuw, knul. De dokter zei dat je vandaag mag opstaan.’ Liverpool lag er heel dik op.
‘Rhett?’ Ik probeerde beide ogen open te krijgen.
‘Natuurlijk ben ik het, slappe zak.’
Hij zat op een plastic stoel naast me. Hij had een schoon gevechtstenue en kogelvrij vest aan en zweet droop van zijn glimmende, gladgeschoren gezicht. Zijn helm klemde hij onder zijn arm.
We waren in een enorme tent. Het plastic dak was twintig meter boven me en zat gespannen over een aluminiumframe. De vloer was met multiplexplaten van drie bij drie in hokjes verdeeld. Mijn hoofd deed zeer en ik stonk naar Dettol of wat ze ook over me heen hadden gegooid toen ik werd gewassen en verzorgd. Het was heet en benauwd. Moest een hospitaal of wat dit ook mocht zijn geen airconditioning hebben?
‘Ik voel me waardeloos. Waar ben ik?’
Hij probeerde te lachen, maar het lukte niet. ‘NOB.’
Mijn oogleden vielen dicht. Ze wilden dichtgeplakt blijven zitten. Ik had dorst, maar mijn mond voelde te pluizig aan om ooit nog iets door te laten. Terwijl ik op mijn rug lag en mijn vingers probeerde te laten werken, hoorde ik Land Rovers voorbijrazen. Dat motorgeluid zou ik overal hebben herkend. Af en toe drong een Britse kreet door de wanden van de tent. Ten slotte opende ik mijn ogen weer. Ik was nog steeds een beetje wazig, maar dat voelde eerder aan als vermoeidheid dan als verdoving.
Heel mijn uitrusting uit het paleis lag op een bank in de hoek. Het was niet veel, maar dat kon me niet schelen. Daarbuiten was alles wat je aanhad binnen een paar tellen niet meer om aan te zien.
Ik zuchtte en dwong mezelf rechtop te gaan zitten.
‘Ik heb slecht nieuws, Nick. Het gaat om Pete…’ Rhetts gezicht stond strak. ‘Hij is dood, maat.’
Ik moest het verkeerd gehoord hebben.
‘Hij is ongeveer vier uur geleden doodgeschoten. Het spijt me, maat, hij was een goeie kerel.’
Pete is er niet meer… Ik moet gaan… Ik moet gaan…
‘Waar is Dom?’
‘Weet ik niet. Waarschijnlijk aardig over de rooie. Hij zag het gebeuren. Media Ops vroeg me jou het nieuws te vertellen. Het is klote.’
Ik wees naar mijn spullen. ‘Kun je me mijn mobieltje geven? Het zit in een van de zijzakken.’
Ik was nu klaarwakker. Ik dacht aan Tallulah, Ruby en die verjaardagsfeestjes die hij absoluut niet meer wilde mislopen.
Ik zette de telefoon aan. Iraqna trakteerde me op een signaalsterkte van drie streepjes.
Ik belde Dom. Ik werd meteen doorverbonden met de standaard-voicemail van Vodafone Ierland.
‘Met Nick. Rhett heeft het me net verteld. Bel me z.s.m. terug, maat. Ik moet weten of alles goed met je is.’
Ik zat met de telefoon op mijn schoot. ‘Wat is er verdomme gebeurd?’
Hij legde zijn helm voorzichtig op de multiplexvloer. ‘Verrekte nachtmerrie.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘We brachten ze allebei van OSB hierheen terug. Jij was er niet meer, dus Dom zei dat hij had besloten om buiten de afrastering de Merlins te gaan filmen die laag de stad in vlogen. Een of andere rotzak moet hebben gewacht. Pete kreeg twee kogels. Er zijn altijd een paar van die schijtzakken die daar rondhangen op zoek naar een doelwit. Dom is teruggerend om hulp te halen, maar het was zinloos. Hij moet op slag dood zijn geweest. Wat moet ik zeggen? Het is verdomd klote…’
‘En de schutters?’
‘De QRF stoof naar buiten als een bende hazewindhonden, maar ze waren ’m gesmeerd.’ QRF stond voor quick reaction force.
‘Waar is Dom?’
‘Zijn uitrusting is weg. Hij is ervandoor.’
Ik wilde dat de telefoon ging rinkelen. Een cameraman was tijdens mijn wachtdienst gedood en nu werd de verslaggever vermist.
Ik keek op. ‘Help me in mijn kleren, maat.’