56

Magreb wierp slechts één blik op de kaart en we waren weg. Hij wist precies waar hij heen ging, zelfs al wist hij niet wat daar was. Ik liet hem zijn gang gaan en bekeek de bundel Gunga Din-kleding op de achterbank. Het was volmaakt. Ik vroeg me af of een zekere verkoper van simkaarten vanavond een paar dollar rijker, maar poedelnaakt onder zijn drie overjassen naar huis was gegaan.

We kwamen langs Flower Street. Die was helemaal verlicht en het wemelde er van de mensen.

‘Bedankt hiervoor, maat. Ik denk dat ik van nu af aan inlander word.’

Hij draaide zijn hoofd naar mij toe en schonk me een brede, langdurige glimlach. De Hiace zwabberde. Ik gaf er de voorkeur aan als hij zijn ogen op de weg hield.

Er was geen straatverlichting toen we door de ambassadewijk reden. Koplampen en beveiligingslampen op en achter de muren zorgden voor licht.

‘Hoeveel krijg je per dag betaald?’

‘Elf dollar, misschien.’

We reden langs een ander ommuurd terrein. Dit werd beveiligd door een mitrailleursnest en zat waarschijnlijk vol Filippino’s en tv-camera’s. Het zag er niet militair of diplomatiek uit. Mogelijk was het een van de particuliere beveiligingsfirma’s. De grote jongens kwamen hier misschien terug om met de gewichten aan de slag te gaan als ze een blauwtje hadden gelopen.

‘Goed, we spreken dit af, Magreb. Honderd per dag.’

We maakten weer een zwabber. Zijn gezicht klaarde op en hij haalde adem om iets te zeggen, maar ik stak een hand op. ‘Maar alleen als je op die stomme weg let, oké?’

Hij grinnikte, maar trok rimpels in zijn voorhoofd toen hij terugkeerde op de weg. ‘Maar hoe moet het met mijn werk?’

‘Ik zal je alleen maar van tijd tot tijd nodig hebben, en voor een paar dagen. We doen het ’s nachts. Ik zal je voor elke nacht betalen, ongeacht of ik gebruik van je maak of niet, oké?’

Een heftig geknik zei dat het verrekte oké was. En niet misschien.

‘Zorg ervoor dat je altijd je telefoon bij je hebt, zodat ik je kan bellen als ik wanhopig ben.’

Hij knikte weer.

Een paar 4x4’s van de politie gierden voorbij. Het waren de Toyota’s met open laadbak waarin de moedja’s en later de talibs graag in rondreden. Deze kwamen recht uit de showroom. Ze hadden achterin stoelen gemonteerd, zodat daar vier of vijf agenten konden zitten met hun wapens naar buiten gericht.

Magreb gebaarde naar links. ‘Britse ambassade, misschien.’

Alsof ik dat niet had kunnen raden. Hoge muren en rollen prikkeldraad waren niet genoeg voor BZ. Vanbuiten zag het er meer uit als het Old State Building in Basra. Er stonden HESCO’s omheen en op beide hoeken lag een groot mitrailleursnest. De lopen van SA80’s bewogen heen en weer boven de zandzakken. De hemel mocht weten hoe groot de mitrailleursnesten van de Amerikaanse ambassade waren.

Magreb zigzagde door het verkeer alsof hij een bonus zou krijgen als hij er sneller was. En misschien kreeg hij die wel. Verrek maar, het was mijn geld niet.

Ik keek achterom naar het kinderzitje. ‘Hoe oud zijn jouw jongens?’

‘Vijf jaar, vier, drie en twee, misschien.’

Ik klopte hem op zijn schouder. ‘Ik denk dat je meer tijd buitenshuis moet doorbrengen, maat.’

Hij begreep het niet echt, maar grinnikte toch.

We kwamen bij een drukke kruising. Neon gloeide. Slingers van gloeilampen sierden de gevels van winkels die voedsel, tv’s en kleding verkochten. Honderden inwoners slenterden rond, luisterden naar de muziek die uit winkels met illegale cd’s schalde of zaten gewoon thee te drinken.

‘Waar woon jij, Magreb? In de buurt van het hotel?’

‘Nee, nee.’ Hij tikte op zijn raampje. ‘Daarboven, misschien.’

Ik keek langs hem heen en zag in de verte koplampen steil omhoogklimmen. De twee pieken werden verlicht door schijnwerpers, en een paar minivuurtorens flitsten waarschuwend voor bijziende piloten.

Een paar minuten later waren we bijna waar we moesten zijn, bijna. Dat zei Magreb tenminste.

We waren een wijk in gereden met woonhuizen en donkere, smalle straten waarvan de stenen van de bestrating in de modder waren gedrukt. Elk huis ging schuil achter een muur van betonblokken. De Hiace dook in een gat en wij wipten omhoog op onze stoelen. Er was geen straatverlichting en niemand liep buiten. Toen onze motor werd uitgezet, kwam het enige geluid van een hond die door het dolle heen was en het gedreun van verkeer op de hoofdstraat, die twee of drie blokken verderop lag.

Ik zette de telefoon aan en overtuigde me ervan dat mijn nummer deze keer wel zichtbaar zou zijn. ‘Ik ga een poosje uitstappen, maat. Het zou vijf minuten kunnen zijn, het zou een uur kunnen zijn – ik weet het niet zeker. Is het oké dat je hier wacht?’

Hij keek me met grote ogen aan. ‘Voor honderd dollar. Misschien!’

Ik sloot het portier achter me en leunde tegen een muur. Hij mocht dan mijn nieuwe makker zijn, hij hoefde niet te weten wat er allemaal gebeurde. Voor ons beider bestwil.

De telefoon ging over. Ik hoopte dat ze zou antwoorden. Ik wilde niet over muren gaan springen om haar opvanghuis te vinden.

Na vijf of zes keer bellen klonk haar stem in mijn oor. ‘Ik had je gezegd me niet meer te bellen.’

Er was geen tijd om ingewikkeld te doen. ‘Basma, luister. Dominik zit in de stront en ik heb jouw hulp nodig. Ik was samen met hem in Irak. Ik was daar om hem uit de stront te halen en dat is ook de reden waarom ik nu hier ben. Jij bent de enige die me daarbij kan helpen. Ik sta op dit moment buiten jouw huis. Kom naar buiten om met me te praten. Ik wil niet gedwongen worden om naar binnen te komen.’

Er was een aarzeling. ‘Waar zei je dat je was?’

‘Buiten jouw huis. Op Ghazni, waar die Sarak kruist.’

Weer een aarzeling. ‘Goed, wacht.’

Ik luisterde naar het gerammel van een stalen deur of hoopte licht of beweging te zien. Het duurde een paar minuten, maar eindelijk hoorde ik grendels die werden verschoven. Het geluid kwam van verderop aan Ghazni. Ik legde de ongeveer vijftien meter rennend af om daar te zijn op het moment dat ze verscheen. Het was een dubbele houten poort, die breed genoeg was voor auto’s. Hij was blauw, en de verf begon af te bladderen.

De rechterhelft ging een paar centimeter open. Er zat een ketting op. Ik bracht mijn gezicht dicht bij de opening. ‘Basma, ik ben Nick.’

De poort ging dicht, de ketting rammelde en toen ging de poort goed open. Ze kwam naar buiten de straat op en sloot hem haastig achter zich. Alsof dat me ging tegenhouden. Hij was niet afgesloten.

We stonden daar, onrustig als een stel tieners op de drempel na ons eerste avondje uit. Ze kwam ongeveer tot mijn borst en zag er in werkelijkheid nog beter uit dan op het scherm.

‘Wie ben jij, Nick?’

‘Dat heb ik je gezegd, een vriend. Ik was samen met hem in Basra.’ Dom scheen alle knappe vrouwen te kennen. Ze was geen Afghaanse, maar een Arabische. ‘Dom is vermist. Hij is waarschijnlijk hier in de stad. Heeft hij contact met jou gezocht? Is hij je een paar dagen geleden komen opzoeken? Bedonder me niet, ik probeer zijn leven te redden.’

Ze bracht haar handen naar haar mond, maar niet erg overtuigend. Wat ik haar vertelde, was geen nieuws.

Ze liet haar handen langzaam zakken. ‘Weet je wat er met hem is gebeurd?’

‘Hij is gekidnapt. Is hij je komen opzoeken?’ Ik bestudeerde haar gezicht. ‘Dat heeft hij gedaan, hè?’

Ze knikte en zocht steun tegen de deur.

Nu de bres was geslagen, werd het tijd om recht naar binnen te stormen. ‘Hij kwam van Basra meteen hierheen. Weet je waarom? Heeft hij je dat verteld?’

Ze probeerde nietszeggend te kijken. Daar was ze niet echt goed in.

Ik prikte met een vinger naar haar en stopte vlak voor haar schouder. ‘Ik heb verdomme geen tijd voor dit gelul. Ik ben hier om hem uit de stront te halen. Wil je me helpen of niet? Is hij je komen opzoeken?’

Ze knikte. ‘Ja, hij heeft hier gelogeerd. Hij wilde een plek waar hij niet opgemerkt zou worden.’

‘Blij dat we dat opgelost hebben. Goed, waarom was hij hier?’

Geen uitvluchten meer. Ze keek me recht aan. ‘Hij doet onderzoek naar heroïnehandel en probeerde een ontmoeting te regelen met iemand van de taliban. Hij zei dat zij heroïne leveren aan de Britten.’

Mijn vinger kwam omhoog voor nog een keer prikken, maar zij was me voor. ‘Nee, hij heeft niet gezegd wie het was. Hij wilde het me niet vertellen, omdat hij me wilde beschermen. Het enige wat ik weet, is dat het met de Britten te maken had. Mensen met een hoge positie op de ambassade hier in de stad. Ik vertelde hem dat het krankzinnig was om te proberen zulke dingen aan de kaak te stellen, maar Dominik zei dat hij een film had als beveiliging.’

‘Wat heeft hij over die film gezegd? Heeft hij Dublin genoemd?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Sorry, dat is alles wat hij me heeft verteld.’

‘Vertel me over zijn bewegingen. Wanneer heb je hem voor het laatst gezien?’

‘Hij kwam en ging vaak, voornamelijk ’s nachts. Hij wilde niet herkend worden. Hij zei dat hij regelaars trof en iemand probeerde te vinden die voor hem een ontmoeting kon regelen met de belangrijkste taliban-dealer. Ik geloof niet dat het lukte – hij raakte behoorlijk gefrustreerd. Toen ging hij op een maandagavond weg en kwam niet meer terug. Ik ben heel bezorgd geweest. Ik wist niet of ik hem als vermist moest opgeven… ik wilde niet naar de ambassade gaan vanwege de connectie…’

Haar stem stierf weg en haar hand ging weer naar haar mond. Deze keer was het echt. ‘O, Nick, denk je dat de Britten hem in een van hun geheime gevangenissen hebben? Wij horen daarvan… Mensen komen er nooit meer uit.’

‘Stop. Nee, ze hebben hem zeker niet. Hij is gekidnapt. Ik ben hier om hem eruit te halen.’

Een heli kwam ratelend over de stad met navigatielichten die knipperden als een stroboscoop. Ik wachtte tot het lawaai was weggestorven.

‘Basma, een Amerikaan en een Brit zijn naar hem op zoek. Ze proberen er helemaal als inlanders uit te zien – baard, Afghaanse kleding. De Amerikaan is heel groot en heeft rood haar. Weet je iets van hem?’

Haar ogen werden groot. ‘Noah James. Een schoft.’ Ze draaide haar hoofd weg. Ze was niet meer bang of verdrietig, ze was kwaad. ‘Zij zijn het uitschot dat na de taliban boven kwam drijven. Ze gebruiken de stad als een groot anarchistisch themapark.’

‘Waarom zouden ze op zoek zijn naar Dom? Zijn het dealers?’

‘Een soort.’ Ze vouwde haar handen en liet ze op haar borst rusten. ‘De documentaire die hij over het opvanghuis maakte… hij liet zien wat voor lui ze waren. Dominik vond een paar van de meisjes die zij high hadden gehouden op heroïne en bracht ze hier in veiligheid. Ze haten hem, ze haten mij. We hebben het opvanghuis twee keer moeten verplaatsen omdat ze ons hadden opgespoord.’

‘Waar houden ze zich op?’

‘Ik weet het niet. Na het uitkomen van de film hebben ze de zaak moeten sluiten, maar ze zijn ergens anders opnieuw begonnen. Ze halen jonge meisjes uit de heuvels, zorgen dat ze verslaafd raken en maken prostituees van ze of laten ze drugs door de stad vervoeren…’

‘Met hoeveel zijn ze?’

‘Sorry, dat weet ik niet. Ze vinden elkaar. Ze worden naar elkaar toe getrokken als een kudde dieren.’

Ik waagde het om een hand op haar schouder te leggen. ‘Luister, Basma, het gaat goed komen. Niemand weet dat ik in de stad ben. Niemand weet dat ik je ben komen opzoeken. Vertel het tegen niemand. Ik zal gauw contact met je opnemen. Ik zal hem terughalen.’

Ik rende terug naar de Hiace, stapte in naast Magreb en sloot zacht het portier. ‘Terug naar het hotel, maat. We hebben een poosje voordat we weer uitgaan.’

Hij draaide zijn hoofd opzij. ‘De dame – is zij… speciale vriendin, misschien?’

Ik lachte. ‘Nee, maat, misschien niet. Ik probeer gewoon een reünie te regelen, meer niet.’