7
Woensdag, 28 februari
2043 uur
Basra Airport
‘Je kan zeggen wat je wilt over Saddam Hoessein,’ zei de kerel van Media Ops, ‘maar hij bezuinigde niet als het op het bestellen van bladgoud en fijn marmer aankwam.’
We zaten in een mobiele keet bij de NOB (NoodOperatieBasis) en raakten steeds meer verveeld door de kapitein van de Royal Artillery die voor gids speelde. Wij waren geen lui die net kwamen kijken. Het enige waaraan we behoefte hadden was een kort overzicht van de situatie, een tijdschema voor het embedded meelopen met de troepen en een lift met een helikopter naar de plek waar de actie was. Persoonlijk had ik geen belangstelling voor de zesenvijftig ramen in de voorgevel, de achttien reusachtige ontvangstruimtes, twaalf bordessen, vijf brede trappen en acht grote toiletruimtes met gouden kranen die Saddam in 1990 had laten bouwen op de plaats van een gevorderd openbaar park, terwijl zijn onderdanen een schamel bestaan bij elkaar schraapten.
Zo te zien interesseerde het Pete evenmin. Hij moest moeite doen om niet te geeuwen.
‘En dat is nog maar een van de vijftien gebouwen in hetzelfde complex,’ vervolgde de kapitein. ‘Hij kon natuurlijk niet weten dat zijn paleis een versterkt Brits kamp zou worden. Het terrein is nu de basis van de 2nd Rifles.’
Ik wist dat het tweede bataljon van het nieuwe infanterieregiment van het Britse leger een week of twee eerder was gevormd uit de Light Infantry, Green Jackets en Gloucesters, maar alleen omdat de kerels uit Liverpool erover hadden geklaagd. Dit samenvoegen was helemaal in de mode. De Duke of Lancs was tot vijf minuten geleden het King’s Regiment geweest.
De kapitein haalde zijn schouders op. ‘Of misschien wist hij het wel. Hij is hier ten slotte nooit geweest, zelfs niet voor een weekend.’ Hij lachte om zijn eigen grap.
Ik had medelijden met de klojo. Hij had daarbuiten waarschijnlijk veel liever echt soldaatje gespeeld in plaats van het gezicht van de pr-machine van het leger te zijn. Daarbij kwam nog dat het mijn taak was om Dom en Pete te beschermen, en niet alleen tegen bommen en verdwaalde kogels. Ik stak mijn hand op. ‘Is er hier echt een Pizza Hut? En kunnen we dan bestellen?’
Toen we vanuit Jordanië waren geland met de enige burgervlucht die de stad aandeed, hadden we rijen tenten en voertuigen gezien die zich uitstrekten tot de horizon. Voor de meeste soldaten daarbuiten was ‘NOB’ gewoon een andere manier om te zeggen ‘in de achterhoede met alle spullen’. Het gerucht ging zelfs dat er twee Indische knullen rondreden op brommers die Amerikaanse pizza’s afleverden met extra pepperoni. De kapitein keek op zijn horloge. ‘Geen tijd, vrees ik. Jullie koets staat klaar.’
Zelfs ’s nachts, de enige tijd van het etmaal waarop het niet te gevaarlijk was om het kamp binnen te vliegen, moest de piloot de achterklep openlaten om de schutter een goed schootsveld te geven. Het gaf ons een spectaculair gezicht op de rivier de Sjatt-Al-Arab, die in het maanlicht lag te glinsteren en tussen een paar grote huizen door kronkelde. Naast de huizen stonden palmbomen en ze bevonden zich in wat ooit waarschijnlijk exotische tuinen waren geweest. Nu waren het gewoon parkeerplaatsen voor de tanks van de 2nd Rifles, en toen de Merlin verder daalde en dichter bij de grond kwam, zag het eruit alsof elke vierkante meter was door-ploegd door IDV (indirect vuur).
De heli bleef net lang genoeg aan de grond staan om de ladingmeester de gelegenheid te geven ons eruit te trappen en steeg toen weer op. Volgens onze instructies renden we zwetend in ons Osprey-kogelvrije vest en onze helm naar de zaklamp die aan de rand van het veld knipperde. In de stad werden de zaken anders aangepakt. Onze babyvesten zouden hier evenveel bescherming hebben geboden als een extra trui.
Er was een totale verduistering van kracht. De hemel mocht weten wie de zaklamp vasthield, maar hij kwam uit Essex. ‘Terwijl jullie hier zijn, kunnen jullie minstens drie of vier mortier- of raketaanvallen verwachten.’
We volgden hem voorbij de ene na de andere muur van HESCO’s, massieve verdedigingsblokken van cirkelvormige bakken van gegalvaniseerd staalgaas met polypropyleen en gevuld met alles wat voor het grijpen lag. ‘Zand is hier het meest gekozen materiaal,’ probeerde onze begeleider grappig te zijn. Hij vond het prachtig om er een beetje een vertoning van te maken. ‘Maar het houdt scherven ook heel goed tegen.’
Al heel gauw kwamen we bij een gebouw. Maanlicht bescheen enorme marmeren zuilen die een stenen portiek ondersteunden.
‘Verrek nou.’ Pete verrekte zijn nek. ‘Als ik haar de foto’s stuur, rent Tallulah rechtstreeks naar een doe-het-zelfzaak.’
We liepen door een vijf meter hoge, dubbele deur een hal in met een marmeren vloer. De kerel met de zaklamp moest de oudste korporaal van het leger zijn.
Pete keek door het lege vertrek. ‘Had hij geen geld voor meubels?’
‘Plunderaars hebben tijdens de oorlog alles leeggehaald voordat de mariniers er waren.’ De korporaal knikte naar een deur aan de linkerkant. ‘Alleen op de plee hebben ze nog een paar gouden kranen laten zitten. Iets drinken?’
Buiten in het kamp klonk een luide klap en toen nog een.
‘Katjoesja’s.’ De korporaal schonk heet water in witte piepschuimbekers. ‘Honderdzeven millimeter. Allemaal gloednieuw spul. Iedereen weet dat het niet hier uit het land kan komen. Sinds 2003 is er in Irak geen munitie van zwaar kaliber gemaakt.’
Pete stelde de voor de hand liggende vraag: ‘Waar is het dan gemaakt?’
Hij gaf Pete een dampende beker aan. ‘Iran, maat. De grens ligt maar tien kilometer verderop.’