31

Cachagua

ESTELLA VLOOG MET EEN GIL OVEREIND IN BED EN STAARDE HIJ-gend van schrik de duisternis in. Ramon werd weggerukt uit de hete Afrikaanse savanne en ontwaakte in het koude zweet van de nachtmerrie van zijn geliefde. Hij stak zijn hand uit en knipte het licht aan. Hij ging rechtop zitten, trok haar in zijn armen en mompelde troostende woorden terwijl hij teder over haar klamme haren streek. ‘Mi amor, het was maar een droom,’ zei hij, en hij voelde het bonzen van haar hart tegen het zijne, als een dier in doodsangst. ‘Ik ben bij je, lieveling, ik ben bij je.’

‘Ik droomde van de dood,’ zei ze, nog altijd in de greep van de ijzige klauwen van de angst.

‘Je had een nachtmerrie.’

‘Het is een voorgevoel,’ zei ze. ‘Ik droom het voor de tweede keer.’

‘Mi amor, je bent ergens bang voor, dat is alles.’

‘Ik zal het een derde keer dromen,’ zei ze, terwijl ze zich bevend aan hem vastklampte. ‘En dan zal het echt gebeuren.’

Ramon schudde zijn hoofd en kuste haar in haar nek. ‘Wie ging er dood in je droom?’ vroeg hij welwillend.

‘Dat weet ik niet. Ik heb zijn gezicht niet gezien,’ antwoordde ze, haar tranen wegknipperend. ‘Maar ik ben zo bang dat jij het was.’

‘Er is meer dan een droom voor nodig om mij dood te krijgen,’ grapte hij, maar Estella lachte niet.

‘Misschien was het Ramoncito,’ snifte ze. ‘Ik weet het niet.’

‘Kijk me aan,’ zei hij terwijl hij haar teder op armlengte hield. ‘Kijk me in de ogen, Estella.’ Ze staarde hem met een gekwelde blik aan terwijl hij met een liefdevolle glimlach op haar neerkeek.

‘Er gaat niemand dood. Dat wil zeggen, je kunt de dood niet in een droom voorspellen. Je bent ergens bang voor en dat speelt door in je onderbewustzijn. Misschien ben je bang omdat ik naar Afrika ga.’

Ze knikte en slaakte een zucht terwijl het licht in de kamer de duistere schaduwen uit haar droom verdreef en haar weer langzaam terugbracht tot de werkelijkheid. ‘Misschien wel,’ beaamde ze.

‘Ik ben maar een paar weken weg,’ zei hij. ‘Ik reis nog maar zo weinig.’

‘Weet ik. Je bent een perfecte vader voor Ramoncito,’ zei ze met een glimlach.

‘En een perfecte geliefde voor jou?’ vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen.

‘En een perfecte geliefde voor mij,’ herhaalde ze.

Hij hield zijn hoofd schuin en fronste zijn voorhoofd. ‘Je weet toch dat ik je nooit zal verlaten,’ zei hij. ‘Daar hoef je niet bang voor te zijn. Ik zal altijd van je houden.’

‘Dat weet ik. En ik van jou.’

Toen Ramon het licht uitdeed en Estella in zijn armen nam, kon ze de slaap niet vatten. Ze was bang dat ze een derde keer van de dood zou dromen en dat haar droom dan zou uitkomen. Haar moeder had haar eens verteld dat ze haar moeders dood in een droom had voorzien. Drie keer had ze gedroomd dat haar moeder voor een roze huis stierf. Omdat ze geen roze huis kende, maakte ze zich niet ongerust en vergat ze de droom. Maar een paar weken later stierf haar moeder aan een hartaanval terwijl ze aan de zijkant van hun witte huis de kamperfoelie aan het opbinden was. De zonsondergang had de muur in een stralend roze gloed gezet. Ongerust lag Estella wakker totdat ze door slaap werd overmand. Toen ze tegen de ochtend wakker werd, besefte ze tot haar opluchting dat ze niet meer had gedroomd.

Toen Ramon uiteindelijk van Helena scheidde, hoopte Estella dat hij met haar zou trouwen. Die hoop hield ze heimelijk voor zichzelf en zelfs haar ouders vertelde ze niets. Tot haar wanhoop repte hij echter nooit van een huwelijk. Hij was tevreden zoals het ging. Hij was vrij om te komen en te gaan, zonder zich psychologisch gebonden te hoeven voelen aan een contract.

Ook Mariana hoopte dat hij zijn relatie met Estella zou vastleggen. In de loop der jaren waren zij en de moeder van haar kleinzoon goede vriendinnen geworden. Allengs was de scheidslijn die er tossen hun verschillende werelden liep weggevallen en waren ze vrij om als gelijken met elkaar om te gaan. Estella betrok Mariana bij het leven van haar zoon door haar regelmatig in Santiago te bellen en ze genoot van haar geheime bezoekjes wanneer ze de lange zomermaanden in Cachagua verbleef. Aanvankelijk had Mariana Ignacio het liefst alles over Estella en Ramoncito verteld, maar beetje bij beetje raakte ze gewend aan haar geheim.

Ramoncito was nu elf. Hij had donker haar en een olijfkleurige huid, net als zijn ouders, en de warme, honingkleurige ogen van zijn moeder. Hij was zorgeloos en onafhankelijk zoals Ramon en gevoelig zoals zijn moeder, maar zijn karakter was uniek en door God gegeven. Hij sprak met zijn grootvader tegen de grafstenen en trakteerde beide grootmoeders op verhalen over de avonturen die hij met zijn vriendjes beleefde. Wat hij niet had geërfd was zijn vaders onrustige verlangen om te reizen en zijn zelfzuchtige behoefte om zijn eigen verlangens te bevredigen ten koste van de mensen van wie hij hield.

Mariana zei dat hij gezegend was met het beste van beide ouders en daarin had ze gelijk. Vaak zag ze Federica in zijn eerlijke glimlach en in de vriendelijke onschuld van zijn ogen. Ze vroeg zich af of Ramon het ook zag en of hij zich haar herinnerde, en dan troostte ze zichzelf met de gedachte dat zij in zijn plaats aan haar dacht. Zolang zij leefde, werden Federica en Hal niet vergeten.

Ramon hield van zijn zoon zoals hij ooit van Federica had gehouden. Hij hield nog altijd van zijn dochter en dikwijls, wanneer hij verhalen voor Ramoncito verzon, kromp zijn hart ineen van weemoed, omdat Federica ook altijd van zijn verhalen had gehouden. Dan moest hij weer aan dat pijnlijke voorval denken, toen zijn nalatigheid hem had vervuld van berouw.

Hij had haar gezien. Ze was op haar fiets op weg naar huis. Haar gezicht gloeide van genoegen en inspanning en ze wist niet dat de man in de zwarte Mercedes haar vader was. Hij had de chauffeur bevolen direct te stoppen. Federica had vol in haar remmen geknepen, zich omgedraaid en met toegeknepen ogen tegen de zon in gekeken. Gedurende enkele ogenblikken, die in zijn geheugen pijnlijk lang leken, had hij haar verlangend gadegeslagen. Hij had zichzelf moeten bedwingen om niet uit de auto te springen en haar in zijn armen op te tillen zoals hij had gedaan toen ze nog klein was. Maar ze was geen klein kind meer. Ze was weliswaar klein van postuur voor een kind van bijna dertien, maar ze had lange benen en het gezicht van een jonge vrouw; smal, hoekig, trots. Hij had een kreun moeten onderdrukken die bijna ontaard was in een wanhopige kreet. Haar naam had op zijn lippen gelegen. Ze had haar hand boven haar ogen gehouden tegen de zon, één voet op het pedaal, één op het asfalt. Haar lange haar wapperde in de wind. Ze had nog altijd het haar van een engel. La Angelita. Maar hij had aan de woorden van Helena gedacht. Federica was gelukkig zonder hem. Als hij haar had omhelsd zoals hij het liefst had gedaan, dan was het een omhelzing vol valse beloften geweest. Beloften van liefde, beloften van toewijding, maar vooral de belofte dat hij zou voorkomen dat Helena en Arthur zouden trouwen en hij wist dat hij die belofte nooit zou kunnen nakomen. Dus had hij de chauffeur verzocht door te rijden. Hij was het Helena verschuldigd dat ze in alle vrijheid met Arthur kon trouwen en in een goede verstandhouding met haar kinderen kon leven.

Hij was vol berouw naar Chili teruggekeerd. Had hij Helena destijds maar gesmeekt te blijven, dan zou er niets veranderd zijn. Dan zou hij nu een band met zijn kinderen hebben. Maar de schok was niet groot genoeg om zijn hart open te stellen voor het verleden, want hij was teruggekeerd in de armen van Estella en Ramoncito. En Federica had zich opnieuw in de krochten van zijn geest teruggetrokken, waar hij haar wanhoopskreten niet langer hoorde.

Estella vertelde haar moeder over haar nachtmerries. ‘Ik ben bang,’ zei ze tegen haar moeder, die als een walrus in de leunstoel lag terwijl ze zichzelf met een waaier koelte toewuifde. ‘Ik ben bang dat Ramon in Afrika sterft.’

Maria depte haar voorhoofd met een witte pañuelo, die haar moeder voor haar had gemaakt, en overdacht het probleem van haar dochter. ‘Je moet bij Fortuna langsgaan,’ zei ze na een lange stilte.

‘Om me de toekomst te laten voorspellen?’ vroeg Estella bezorgd. Ze had de mensen vaak over Fortuna horen spreken, want ze was de enige zwarte die men kende. Het verhaal ging dat haar vader een schipbreuk had overleefd toen een boot met een lading slaven was gezonken voor de kust van Chili. Haar moeder was een autochtone Chileense die hem in huis had genomen en hem had verpleegd totdat hij weer was opgeknapt. Fortuna woonde in een klein dorpje iets verderop aan de kust en als ze niet in de zon lag om het leven aan zich voorbij te zien trekken, dan las ze tegen een kleine vergoeding mensen de hand. Hoe ze van zo weinig geld kon rondkomen was voor iedereen een raadsel, maar er werd gefluisterd dat ze ondersteund werd door een oude man wiens leven ze ooit had gered met haar voorspelling dat er een aardbeving zou komen – als hij niet op haar aanraden zijn huis had verlaten, was hij nu dood geweest.

Estella keerde naar huis terug om een nachtje te slapen over haar moeders advies. Ramon zat in de studeerkamer waar hij zijn gedachten in een computer tikte. Het was een kalme, melancholische avond, die de kust in een zachtroze gloed zette. Estella besloot hem niets over Fortuna te vertellen, hoewel de boeken die hij schreef doordrenkt waren met mysteries en magie. Ze was bang dat hij op haar neer zou kijken. Waarzeggerij was iets wat geassocieerd werd met het bijgeloof van de lagere klassen. Ze ging achter hem staan en sloeg haar armen om zijn hals. Hij was blij haar te zien en kuste de bruine huid van haar polsen.

‘Zullen we even langs het strand wandelen, ik ben toe aan een beetje frisse lucht,’ zei hij terwijl hij haar aan haar hand meevoerde. Ze liepen door het vreemde roze licht en kusten elkaar tegen de achtergrond van het ritme van de zee. ‘Ik zal je missen als ik morgen vertrek,’ zei hij.

‘Ik jou ook,’ zei ze met een frons.

‘Maak je je soms nog steeds zorgen om die droom?’ vroeg hij terwijl hij een kus op haar voorhoofd drukte.

‘Nee, nee,’ loog ze. ‘Ik wou alleen dat je niet zou gaan.’

‘Ik ben morgenavond in Santiago, want in de namiddag heb ik een afspraak met mijn uitgever. Ik vertrek donderdag met het vliegtuig. Ik bel je vanuit Santiago en daarna nog een keer vanaf het vliegveld.’

‘Dan wacht ik op je. Er zit niets anders op,’ verzuchtte ze.

‘Maar weet dat ik elke minuut van de dag aan je denk. Als je je oren van de rest van de wereld afsluit, kun je misschien horen dat ik je mijn liefde stuur.’ Hij kuste haar weer terwijl hij zijn arm steviger om haar slanke taille sloeg. Later, toen hij de liefde met haar bedreef in het flauwe licht van de maan dat door het raam van hun kamer binnenviel, proefde hij de rozen op haar huid en de bedwelmende geur van hun intimiteit, en hij wist dat hij ze zou meenemen over de wereld om ze te koesteren wanneer hij alleen was. De volgende dag zwaaiden Estella en Ramoncito Ramon uit en ze keken hem na totdat zijn auto in een wolk van glinsterend stof over de heuvel was verdwenen. Daarna haastte Ramoncito zich naar school. Op zijn rug droeg hij zijn mochila vol boeken en een trommeltje met boterhammen die Estella voor hem had klaargemaakt. Hij draaide zich nog een keer om naar zijn moeder, die aan de voet van de weg stond, en wierp haar een kushandje toe. Ze gaf er eentje terug en keek hem met een vertederde glimlach nog een tijd lang na.

Estella had niet meer over de dood gedroomd. Ze had zich gekoesterd in de herinneringen aan hun liefdesspel en was wakker geworden met het stralende uiterlijk van een bevredigde vrouw. Maar de angst hield haar nog altijd in een ijskoude greep en om die reden besloot ze met haar moeder Fortuna op te zoeken.

Pablo Rega keek toe terwijl ze het graf delfden. Het was warm en de aarde was hard en droog. Hij leunde op de grafsteen van Osvaldo Garcia Segundo en kauwde op een grashalm terwijl er aan de andere kant van het kerkhof werd gezwoegd. ‘Mooi plekje, daar,’ zei hij tegen Osvaldo. ‘Het kijkt mooi uit over zee, net als jij. Sí, señor, de beste plekjes kijken uit over zee. Stel dat ze je ergens achterin wegmoffelen zonder uitzicht. Ik zou hier graag liggen, dan kan ik de zee en de horizon zien. Dat geeft een gevoel van ruimte, van eeuwigheid. Daar hou ik van. Ik wil deel uitmaken van de natuur. Hoe voelt dat, Osvaldo?’ Hij ademde de geur van de donkergroene dennen in en wachtte op antwoord, maar Osvaldo was kennelijk altijd al een man van weinig woorden geweest. ‘Het begint hier trouwens aardig vol te raken,’ vervolgde hij. ‘Eerstdaags is er geen plaats meer en dan gaan ze oude graven verplaatsen, zoals die van jou. De kans is groot dat ik boven op jou begraven word, dan kunnen we tot in de eeuwigheid met elkaar praten.’ Hij grinnikte in zichzelf. ‘Dat zou niet eens zo gek zijn, señor, dat zou niet eens zo gek zijn.’

Estella en haar moeder stapten uit de bus en liepen direct naar Fortuna’s huisje, dat iets van de stoffige weg af lag. Er waren nergens bloemen of heesters te bekennen, alleen droog zand en rotzooi, dat Fortuna rondom het huis liet slingeren – niet om de kwade geesten af te weren, zoals de mensen vermoedden, maar omdat ze te lui was om de troep in de vuilnisbak te gooien. Haar huis rook naar rottend voedsel en zure melk en Estella en haar moeder moesten hun walging achter een glimlach verbergen om de oude vrouw niet te beledigen. Fortuna zat buiten in een grote rieten schommelstoel te kijken naar de enkele auto die passeerde en neuriede oude negro-spirituals die ze als kind van haar vader had geleerd. Toen ze Maria zag, lachte ze vanuit haar buik en informeerde ze naar Pablo Rega.

‘Praat hij nog altijd tegen de doden?’ vroeg ze. ‘Weet hij dan nog steeds niet dat ze hem niet kunnen horen? Ze blijven hier niet rondhangen, hoor. Zodra ze deze godvergeten aardbol vaarwel hebben gezegd, vliegen ze naar de wereld der geesten.’

Maria negeerde haar en vertelde dat haar dochter was gekomen om zich de toekomst te laten voorspellen. Fortuna hield op met schommelen en ging rechtop zitten. Haar gezicht nam de serieuze uitdrukking aan van een vrouw die zich bewust is van de verantwoordelijkheid van haar gave.

Ze verzocht Estella in de stoel tegenover haar te gaan zitten en aan te schuiven totdat hun knieën elkaar bijna raakten. Maria liet zich in een andere stoel zakken en haalde haar Spaanse waaier tevoorschijn. Fortuna nam Estella’s handen in haar eigen mollige handen die nooit een dag van zware arbeid hadden gekend en drukte met haar duimen op de muizen van Estella’s handpalmen. Haar mond vertrok in allerlei vreemde vormen en toen ze haar ogen sloot begonnen haar wimpers te trillen. Estella keek bezorgd naar haar moeder, maar Maria gebaarde dat ze zich moest concentreren en wuifde zichzelf geagiteerd koelte toe met haar waaier.

‘Je bent nog nooit zo gelukkig geweest,’ zei Fortuna en Estella glimlachte, want het was waar, ze was nog nooit zo gelukkig geweest. ‘Je hebt een zoon die op een dag net zo’n beroemd schrijver zal zijn als zijn vader.’ Estella bloosde en glom van trots. ‘Hij zal zijn pijn verwerken in zijn poëzie, die door miljoenen zal worden gelezen.’ Estella’s glimlach verstarde toen de angst zich opnieuw als een ijzeren vuist om haar hart sloot. Fortuna’s oogleden begonnen nog onrustiger te trillen. Maria liet haar waaier zakken en sloeg haar met open mond gade. ‘Ik zie de dood,’ zei ze. Estella hapte naar lucht. ‘Ik kan het gezicht niet zien, maar de dood is nabij. Zeer nabij.’ Fortuna opende haar ogen toen Estella haar handen terugtrok en amechtig begon te hijgen. Haar keel werd afgeknepen, ze kreeg geen lucht. Haar moeder sprong op uit haar stoel en trok het hoofd van haar dochter tussen haar knieën.

‘Blijven ademen, Estella, blijven ademen,’ zei ze terwijl haar dochter vocht tegen de wurgende angst. Fortuna leunde achterover in haar schommelstoel en keek toe terwijl moeder en dochter worstelden met de onontkoombaarheid van haar voorspelling. Toen Estella uiteindelijk weer begon te ademen, maakten de verstikkende geluiden plaats voor hartgrondige snikken.

‘Hij mag niet doodgaan,’ jammerde ze. ‘Ik wil hem niet verliezen, hij is alles voor me.’ Maria trok haar dochter in haar stevige armen en probeerde haar te troosten, maar er viel niets te zeggen. Fortuna had gesproken.

‘Alstublieft, zegt u me dat het niet Ramon is,’ smeekte ze, maar Fortuna schudde haar hoofd.

‘Dat kan ik niet zeggen, want ik weet het zelf ook niet,’ antwoordde ze. ‘Zijn gezicht werd mij niet onthuld. Ik kan verder niets doen.’

‘Kunnen we er niets tegen doen?’ vroeg Maria vertwijfeld.

‘Niets. Het lot is sterker dan de mens.’

Estella was vastbesloten de toekomst te veranderen. Ze vertelde haar moeder dat Ramon de volgende dag naar Afrika zou vertrekken en dat ze wilde proberen te voorkomen dat hij ging, in een poging zijn leven te redden. Maria probeerde haar niet tegen te houden. Ze wist dat ze niet zou luisteren. Ze was te overstuur om in Cachagua te wachten tot het lot zou toeslaan. Ze omhelsde haar dochter bij de bushalte en verzekerde haar dat ze goed op Ramoncito zou passen tot ze terug was. ‘God zij met je,’ zei ze. ‘Moge Hij je beschermen.’

Estella huilde gedurende de hele rit naar Santiago. Ze overdacht telkens opnieuw haar meest gekoesterde herinneringen aan Ramon, alsof hij al was gestorven. Ze sloot haar ogen en mompelde in vervoering een gebed, zonder te beseffen dat haar medepassagiers haar konden horen. Toen ze in Santiago aankwam nam ze een taxi naar zijn appartement. Ze belde aan maar er werd niet opengedaan. In de portiek barstte ze opnieuw in snikken uit. Ze was ten einde raad. Misschien was ze te laat. Misschien lag hij al dood in zijn appartement. Ze zakte ineen op de marmeren treden en verborg haar hoofd in haar handen. Toen ze een vriendelijk klopje op haar schouder voelde sloeg ze haar ogen op in de hoop dat het Ramon was, maar het was de conciërge die met een medelijdende uitdrukking op zijn gezicht over haar heen gebogen stond.

‘Kan ik u misschien helpen, señora?’ vroeg hij.

‘Ik ben op zoek naar Ramon Campione,’ mompelde ze.

‘Don Ramon?’ zei hij met een frons. ‘Wie bent u?’

‘Mijn naam is Estella Rega. Ik ben…’ Hij hield zijn hoofd schuin. ‘Ik ben zijn… zijn…’

‘Zijn vrouw?’ zei hij behulpzaam.

‘Zijn…’

‘Als u zijn vrouw bent, kan ik u wel zeggen waar hij is,’ zei hij vriendelijk en hij keek haar met een scheve grijns aan.

‘Ik ben zijn vrouw,’ zei ze ferm terwijl ze met een witte pañuelo haar tranen afveegde.

‘Hij is naar een vergadering. Hij is een halfuurtje geleden vertrokken, maar ik zal een taxi voor u bellen, die kan u naar hem toe brengen.’ Estella schonk hem een dankbare glimlach. ‘Dat is al beter,’ zei de conciërge. ‘U bent te mooi om zo verdrietig te zijn.’ Even later keek hij toe terwijl ze in de taxi klom en in de nacht verdween.

Ramon stond op. ‘Ik vertrek morgen voor drie weken naar Afrika,’ zei hij.

‘Een korte reis voor jouw doen,’ merkte zijn uitgever op met een veelbetekenende glimlach.

Ramon grinnikte. ‘Ik heb tegenwoordig geen reden meer om lang weg te blijven.’

‘Je bedoelt dat die vrouw, die je al jaren zorgvuldig verborgen houdt, je hart heeft gestolen?’

‘Je vraagt te veel, Vincente.’

‘Ik weet wat ik zeg. Ik merk het aan je boeken. De liefde spat van de bladzijden.’

Ramon lachte en pakte zijn reistas op. ‘Dan is er zelfs nog minder reden om weg te gaan.’

‘Maar toch ga je.’

‘Zoals altijd.’

‘Bel me wanneer je terug bent.’

Ramon sloot de deur achter zich en stapte in de lift. Hij dacht na over Vincentes opmerking dat ‘de liefde van de bladzijden spatte’ en glimlachte in zichzelf terwijl hij aan Estella en Ramoncito dacht. Toen keek hij naar zichzelf in de spiegel. Hij werd er niet jonger op. Hij werd al grijs aan zijn slapen en ook zijn fysiek was niet meer wat het geweest was, want hij was dikker geworden. Hij hield zijn hoofd schuin en wreef peinzend over zijn kin. ‘Ik moet met Estella trouwen,’ dacht hij. ‘Dat had ik jaren geleden al moeten doen.’

Toen hij de deur opende naar de drukke straat, bleef hij even staan omdat hij aan de andere van de weg een vrouw zag staan die als twee druppels water op Estella leek. Ze keek een paar keer verward van links naar rechts, als een angstig dier dat niet gewend is aan verkeer; haar rode, gezwollen ogen flitsten heen en weer. Hij knipperde met zijn ogen totdat hij besefte dat het toch echt Estella was en riep naar haar. Ze hoorde haar naam en keek op. Ze glimlachte opgelucht toen ze hem in het oog kreeg en stak haar hand naar hem op. ‘Ramon,’ riep ze dolgelukkig terwijl de tranen haar in de ogen sprongen. En toen deed ze een stap naar voren.

‘Estella, nee!’ schreeuwde hij, maar het was al te laat. De vonken spatten van de vrachtauto die met piepende banden tot stilstand kwam, in een poging de vrouw te ontwijken die ineens blindelings de weg op was gelopen. Ramon liet zijn tas vallen en rende naar haar toe. Om hem heen kwam het verkeer tot stilstand en de mensen stroomden toe om te zien wat er was gebeurd. Toen Ramon het gehavende lichaam van Estella roerloos voor de vrachtwagen op de grond zag liggen, knielde hij wanhopig naast haar neer en voelde met bevende handen haar pols.

‘Zeg iets, Estella, zeg iets,’ smeekte hij terwijl hij zijn gezicht tegen het hare drukte. ‘Praat met me, lieveling, praat met me. Alsjeblieft, ga niet dood.’

Ze bewoog niet. Hij keek vertwijfeld neer op haar bleke gezicht dat nog altijd de sporen van een glimlach in de zachte welving van haar lippen droeg. Hij legde zijn vinger op haar mond en bad vurig dat ze weer zou gaan ademen. Maar haar adem was haar ontnomen. Er was niets wat hij kon doen om haar terug te halen. Hij tilde haar gebroken lichaam op in zijn armen en drukte het aan zijn hart, waarna hij hartverscheurend begon te huilen. Hij had haar vermoord.

‘Wie is dat?’ vroeg iemand.

‘Mijn vrouw,’ jammerde hij en hij wiegde haar radeloos in zijn armen.

Ramon nam de vrouw van wie hij had gehouden zoals hij nog nooit van iemand had gehouden mee terug naar haar ouderlijk huis in Zapallar. Maria had een levensbedreigende koortsaanval gekregen toen ze het nieuws had vernomen. Ze lag in trance in haar bed, doof voor de wanhopige smeekbeden van Pablo Rega die met een kaars bij haar waakte en in stilte onderhandelde met God. Mariana zocht hen onmiddellijk op en omhelsde hen beiden omdat ze van hun dochter was gaan houden als was het haar eigen kind. Alleen Ramoncito bleef kalm en huilde niet. Mariana legde haar kleinzoon uit dat zijn moeder nu bij Jezus woonde en dat ze vol liefde vanuit de hemel op hem neerkeek. Maar Ramoncito knikte alleen maar en sloeg zijn armen om haar heen om haar te troosten. Mariana was ontdaan. Zijn vroegrijpe reactie bracht haar in verwarring. Maar ze hoorde zijn hart niet breken, noch de hartverscheurende kreten vanuit het diepst van zijn ziel.

En zoals Fortuna had voorspeld, zouden miljoenen zijn lijden voelen in de woorden die hij in de toekomst zou schrijven. Maar op het moment was hij niet in staat zijn verdriet te begrijpen en te uiten.

Ramon kwam gebroken met het lichaam van zijn geliefde Estella thuis. Hij liet zich troosten aan de vertrouwde boezem van zijn moeder en richtte zich na enige tijd op om zich groot te houden tegenover zijn zoon. Toen Maria Ramon zag kwam ze uit haar trance en vertelde ze hem over Fortuna’s voorspelling. Ramon schudde zijn hoofd. ‘Ze is in mijn plaats gestorven,’ zei hij droevig.

‘Ze stierf omdat haar tijd was gekomen,’ zei Maria. ‘Daarom zag Fortuna haar gezicht niet.’

Toen Ignacio Campione bij de Pablo Rega’s aanklopte, keek het kleine groepje treurenden verbaasd op. Hij kwam binnen met de tred van een man die niet langer kon voorwenden dat hij van niets wist.

‘Wat vreselijk, jongen,’ zei hij terwijl hij zijn forsgebouwde zoon in zijn armen trok. Ramon wierp over Ignacio’s schouder een verwarde blik op zijn moeder. Mariana haalde haar schouders op en veegde haar tranen af. ‘Je denkt toch niet dat ik gek ben?’ zei hij terwijl hij zijn zoon op zijn rug klopte. Voor één keer wist Ramon niet wat hij moest zeggen. Hij begroef zijn gezicht in de hals van zijn vader en huilde.

Estella werd boven op de heuvel begraven in de schaduw van een grote dennenboom, vanwaar ze over de zee kon uitkijken. Pablo Rega verontschuldigde zich bij Osvaldo Garcia Segunda omdat hij vanaf nu alleen nog maar tegen zijn dochter zou praten. In tegenstelling tot Osvaldo praatte Estella terug. Hij hoorde haar stem in het komen en gaan van de getijden en voelde haar adem in de wind die altijd naar rozen rook.

Ramon tuurde naar de horizon en overpeinsde zijn blinde, zelfzuchtige daden die zoveel levens te gronde hadden gericht. Hij dacht na over de mensen van wie hij had gehouden en die hij had verloren. Toen keek hij naar zijn elfjarige zoon. Ramoncito keek naar hem op en glimlachte. In zijn glimlach zag Ramon de glimlach van Federica en de tranen van Hal, de frustratie van Helena en de onvoorwaardelijke liefde van Estella, en hij slikte zijn berouw moeizaam weg. Hij legde zijn hand op de schouder van zijn dappere zoon en nam zich plechtig voor dat hij zijn nalatigheid zou goedmaken door van Ramoncito te houden, door er voor hem te zijn en door zijn gedrag te veranderen zoals Helena ooit van hem had verlangd.

Hij schudde de oude Ramon van zich af, gooide één enkele rode roos op de doodskist en liep weg.