Rachel

Zondag 18 augustus 2013

Middag

Zodra Anna hem ziet, draait ze zich met een ruk om en rent naar binnen. Mijn hart bonkt tegen mijn ribben als ik op mijn hoede achter haar aan loop en vlak voor de glazen deuren blijf staan. Binnen omhelzen ze elkaar, zijn armen omvatten haar totaal, en het kind zit tussen hen in. Anna’s hoofd is gebogen. Haar schouders schokken. Hij drukt zijn mond tegen haar hoofd, maar zijn ogen zijn op mij gericht.

‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt hij met een zweem van een glimlach rond zijn lippen. ‘Ik moet zeggen dat ik niet had verwacht dat ik jullie twee al roddelend hier in de tuin zou aantreffen toen ik thuiskwam.’

Zijn toon is licht, maar mij neemt hij niet in de maling. Mij kan hij niet meer voor de gek houden. Ik doe mijn mond open om iets te zeggen, maar ik merk dat ik geen woorden heb. Ik heb nergens waar ik kan beginnen.

‘Ga je nog vertellen wat hier aan de hand is, Rachel?’ Hij laat Anna los en zet een stap in mijn richting. Ik deins achteruit, en hij begint te lachen.

‘Wat is er in vredesnaam met jou aan de hand? Ben je dronken?’ vraagt hij, maar ik zie aan zijn ogen dat hij best weet dat ik nuchter ben, en ik durf te wedden dat hij nu eens voor één keer zou willen dat dat niet zo was. Ik steek mijn hand in mijn kontzak – mijn telefoon zit daar hard, compact en geruststellend, alleen had ik gewild dat ik zo verstandig was geweest om eerder te bellen. Het zou er niet toe doen of ze me al of niet geloofden, want als ik zou zeggen dat ik bij Anna en het kind was, was de politie toch wel gekomen.

Tom is nog maar een paar passen van me vandaan – hij staat net binnen, ik net buiten.

‘Ik heb je gezien,’ zeg ik uiteindelijk, en ik voel me heel even, maar onmiskenbaar euforisch, wanneer ik die woorden hardop uitspreek. ‘Jij denkt dat ik me niets herinner, maar dat is wel zo. Ik heb je gezien. Toen je me had geslagen, liet je me daar achter, in het tunneltje...’

Hij begint te lachen, maar ineens zie ik het en ik vraag me af hoe het komt dat ik hem nooit eerder zo makkelijk heb kunnen doorzien. Er staat paniek in zijn ogen. Hij werpt een blik naar Anna, maar die kijkt hem niet aan.

‘Waar heb je het over?’

‘In het tunneltje. Die dag dat Megan Hipwell verdween...’

‘Ach, wat een gelul,’ zegt hij en hij maakt een wegwuivend gebaar. ‘Ik heb je niet geslagen. Je bent gevallen.’ Hij pakt Anna’s hand en trekt haar naar zich toe. ‘Ben je daarom zo over je toeren, schat? Luister toch niet naar haar, ze lult maar wat. Ik heb haar niet geslagen. Ik heb van mijn leven nog nooit een vinger naar haar uitgestoken. In elk geval niet op die manier.’ Hij slaat zijn arm om Anna’s schouders en trekt haar nog dichter tegen zich aan. ‘Toe nou. Ik heb je toch verteld hoe ze is? Ze weet niet wat er gebeurt als ze drinkt, dan fantaseert ze de raarste...’

‘Je bent met haar in de auto gestapt. Ik heb jullie zien wegrijden.’ Hij grijnst nog steeds, maar nu zonder overtuiging, en ik weet niet of ik het me verbeeld, maar het lijkt wel of hij wat bleker is geworden. Hij laat Anna opnieuw los. Ze gaat met haar rug naar haar man aan tafel zitten, met haar dochter kronkelend op schoot.

Tom strijkt met zijn hand langs zijn mond en gaat tegen het aanrecht geleund staan, met zijn armen over elkaar geslagen. ‘Met wie heb je me dan in de auto zien stappen?’

‘Met Megan.’

‘Aha!’ Hij begint weer te lachen, een luid, geforceerd gebulder. ‘De vorige keer dat we het hierover hadden, zei je dat je me met Anna had zien instappen. Dus nu is het ineens Megan? En wie wordt het volgende week? Prinses Diana?’

Anna kijkt naar mij omhoog. Ik zie de twijfel, de hoop over haar gezicht trekken. ‘Weet je het niet zeker?’ vraagt ze.

Tom laat zich naast haar op zijn knieën zakken. ‘Natuurlijk weet ze het niet zeker. Ze fantaseert maar een eind weg – dat doet ze altijd. Toe nou, schat. Ga toch lekker boven op bed liggen. Ik praat dit even door met Rachel. En ditmaal...’ – hij werpt me een blik toe – ‘beloof ik je dat ik ervoor zorg dat ze ons niet meer lastigvalt.’

Anna aarzelt, dat kan ik zien – zoals ze naar hem kijkt, de waarheid van zijn gezicht probeert af te lezen, terwijl hij haar strak aankijkt. ‘Anna!’ roep ik, om haar weer naar de realiteit terug te halen. ‘Je weet het best. Je wéét dat hij liegt. Je weet dat hij met haar naar bed is geweest.’

Heel even zegt niemand iets. Anna kijkt van Tom naar mij en terug. Ze doet haar mond open om iets te zeggen, maar er komt geen geluid uit.

‘Anna! Wat bedoelt ze? Ik... Ik heb niets met Megan Hipwell gehad.’

‘Ik heb de telefoon gevonden, Tom,’ zegt ze, met een bijna onverstaanbaar stemmetje. ‘Dus doe me een plezier: lieg niet. Je moet niet tegen me liegen.’

Het kind begint te jengelen en te kreunen. Heel zorgzaam neemt Tom haar over uit Anna’s armen. Hij loopt naar het raam, terwijl hij zijn dochter heen en weer wiegt en tegen haar mompelt. Ik kan niet verstaan wat hij zegt. Anna houdt haar hoofd gebogen, tranen vallen van haar kin op de keukentafel.

‘Waar is hij?’ vraagt Tom, en hij draait zich naar ons om, met een gezicht waar de glimlach van is verdwenen. ‘De telefoon, Anna. Heb je die aan haar gegeven?’ Hij knikt in mijn richting. ‘Heb jij hem?’

‘Ik weet niets van een telefoon,’ zeg ik. Had Anna dat nu maar eerder verteld.

Tom negeert me. ‘Anna? Heb je hem aan haar gegeven?’

Anna schudt haar hoofd.

‘Waar is hij dan?’

‘Ik heb hem weggegooid,’ zegt ze. ‘Over de schutting. Bij het spoor.’

‘Goed zo, goed zo,’ zegt hij afwezig. Hij probeert te bedenken hoe het nu verder moet. Hij kijkt even naar mij en dan weer weg. Heel even ziet hij er verslagen uit.

Hij wendt zich tot Anna. ‘Jij was de hele tijd moe,’ zegt hij. ‘Je hoefde niet zo nodig. Alles draaide om de baby. Waar of niet? Het draaide allemaal om jou, hè? Allemaal om jou!’ En ineens is hij er weer bovenop, vrolijk zit hij gezichten te trekken naar zijn dochter, hij kietelt haar buikje en maakt haar aan het lachen. ‘En Megan was heel... nou ja, die was beschikbaar.

Eerst spraken we bij haar thuis af,’ zegt hij. ‘Maar ze was bang dat Scott erachter zou komen. Dus toen spraken we voortaan bij de Swan af. Dat was... Nou ja, je weet nog wel hoe dat was, hè Anna? In het begin, toen we altijd naar dat huis in Cranham Road gingen. Je snapt het wel.’ Hij werpt een blik over zijn schouder naar mij en geeft een knipoog. ‘Daar spraken Anna en ik af in de goede oude tijd.’

Hij neemt zijn dochter in de andere arm over en laat haar tegen zijn schouder rusten. ‘Je vindt vast dat ik wreed ben, maar dat is niet zo. Ik vertel de waarheid. Dat wil je toch, Anna? Je vroeg of ik niet wilde liegen.’

Anna kijkt niet op. Haar handen omklemmen de rand van de tafel, haar hele lijf is verstrakt.

Tom slaakt een luide zucht. ‘Heel eerlijk gezegd ben ik opgelucht.’ Hij praat tegen mij, kijkt me recht aan. ‘Je hebt geen idee hoe vermoeiend het is om met mensen als jij om te gaan. En jezus, wat heb ik mijn best gedaan. Ik heb ontzettend mijn best gedaan om je te helpen. Om jullie allebei te helpen. Jullie zijn allebei... Ik bedoel, ik hield van jullie allebei, echt waar, maar jullie kunnen onwaarschijnlijk zwak zijn.’

‘Flikker op, Tom,’ zegt Anna terwijl ze van tafel opstaat. ‘Ga mij nou niet over één kam scheren met haar.’

Ik kijk naar haar en besef hoe goed ze bij elkaar passen, Anna en Tom. Ze past veel beter bij hem dan ik, want dat zit haar dus dwars: niet dat haar man een leugenaar en een moordenaar is, maar dat hij haar zo-even met mij heeft vergeleken.

Tom loopt naar haar toe en zegt sussend: ‘Het spijt me, schat, dat was niet eerlijk van me.’ Ze duwt hem weg en dan kijkt hij mijn kant op. ‘Ik heb echt mijn best gedaan. Ik ben een goede echtgenoot voor je geweest, Rach. Ik heb een hoop getolereerd – dat gezuip van je en je depressie. Dat heb ik allemaal een hele tijd voor lief genomen voordat ik de handdoek in de ring gooide.’

‘Je hebt tegen me gelogen,’ zeg ik, en hij draait zich met een verbijsterde blik naar me om. ‘Je zei dat alles mijn schuld was. Jij gaf me het gevoel dat ik waardeloos was. Jij keek toe terwijl ik leed, jij...’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Heb je enig idee hoe stomvervelend je werd, Rachel? Hoe lelijk? Te treurig om ’s ochtends uit bed te komen, te moe om onder de douche te gaan en je haar te wassen? Jezus. Geen wonder dat ik mijn geduld verloor, toch? Geen wonder dat ik naar andere manieren zocht om me te amuseren. Dat heb je alleen aan jezelf te wijten.’

Zijn gezichtsuitdrukking verandert van minachting in bezorgdheid als hij zich naar zijn vrouw omkeert. ‘Ik zweer je dat het bij jou heel anders lag, Anna. Dat gedoe met Megan was alleen... dat was gewoon voor de lol. Zo was het ook bedoeld. Ik geef toe dat ik me niet netjes heb gedragen, maar ik snakte naar een verzetje. Meer niet. Ik zou er niet mee doorgaan. Het zou nooit tussen ons, tussen ons gezin komen. Dat moet je begrijpen.’

‘Je...’ Anna probeert iets te zeggen, maar ze kan geen woord uitbrengen.

Tom legt zijn hand op haar schouder en knijpt erin. ‘Zeg het maar, liefje.’

‘Je liet haar op Evie passen,’ sist ze. ‘Naaide je haar terwijl ze hier werkte? Terwijl ze op ons kind paste?’

Hij haalt zijn hand weg, zijn gezicht straalt wroeging, diepe schaamte uit. ‘Dat was vreselijk, ja. Ik dacht... Ik dacht dat het... Eerlijk gezegd weet ik niet wat ik dacht. Ik weet niet of ik eigenlijk wel dacht. Het was verkeerd. Het was vreselijk verkeerd van me.’ En weer verandert het masker, nu is hij een en al oprechte onschuld, en smekend zegt hij: ‘Ik wist het toen niet, Anna. Echt waar, ik wist toen niet wat voor iemand ze was. Ik wist niets af van die baby die ze vermoord heeft. Als ik dat had geweten, had ik haar nooit op Evie laten passen. Geloof me alsjeblieft.’

Zonder voorafgaande waarschuwing springt Anna overeind, waarbij ze haar stoel achteruit duwt, die op de keukenvloer klettert waardoor hun dochter wakker wordt. ‘Geef haar aan mij,’ zegt ze en ze strekt haar armen uit. Tom deinst een stukje achteruit. ‘Je geeft haar nu aan mij, Tom. Geef haar hier.’

Maar dat doet hij niet, hij loopt bij haar vandaan terwijl hij het kind al wiegend van alles toefluistert om haar in slaap te sussen. Dan begint Anna te gillen. Eerst herhaalt ze alleen maar: ‘Geef haar hier, geef haar hier!’ Maar dan wordt het een onverstaanbaar gejammer van woede en angst. Het kind begint ook te krijsen. Tom probeert haar te sussen en negeert Anna, dus het is aan mij om haar vast te pakken. Ik sleur haar mee naar buiten en begin zacht en dringend op haar in te praten.

‘Je moet kalmeren, Anna. Kun je me volgen? Je moet echt kalmeren. Je moet met hem praten om hem heel even af te leiden, terwijl ik de politie bel. Goed?’

Ze schudt haar hoofd – haar hele lichaam schudt mee. Zij grijpt mijn armen vast en haar nagels graven zich in mijn vlees. ‘Hoe kon hij dat nou doen?’

‘Anna! Luister nou toch. Je moet hem even bezighouden.’

Eindelijk kijkt ze me aan, echt goed aan, en ze knikt. ‘Goed.’

‘Probeer gewoon... Ik weet niet. Probeer hem bij deze deur vandaan te krijgen en hem even af te leiden.’

Ze gaat weer naar binnen. Ik haal diep adem, draai me om en loop een paar passen bij de schuifdeuren vandaan. Niet te ver, alleen tot ik op het grasveld sta. Ik draai me om en kijk naar binnen. Ze zijn nog steeds in de keuken. Ik loop nog een stukje verder. De wind steekt op, de warmte trekt weg. Gierzwaluwen vliegen laag in de lucht rond en ik ruik dat er regen op komst is. Ik ben dol op die geur.

Ik laat mijn hand in mijn kontzak glijden en haal mijn telefoon tevoorschijn. Mijn handen trillen zo dat ik het niet in één keer voor elkaar krijg om het scherm te ontgrendelen – de derde keer lukt het. Heel even overweeg ik brigadier Riley te bellen, iemand die me kent. Ik doorzoek mijn logberichten maar kan haar nummer niet vinden, dus ik geef het op – ik bel het alarmnummer. Ik ben net aan de tweede 9 toe wanneer ik zijn voet tegen de onderkant van mijn ruggengraat voel trappen, en happend naar adem vlieg ik voorover op het gras. De telefoon vliegt uit mijn hand en hij krijgt hem te pakken voordat ik de kans heb op mijn knieën te gaan zitten, voordat ik naar adem kan happen.

‘Jeetje Rach,’ zegt hij, en hij sleurt me moeiteloos overeind. ‘We moesten maar geen domme dingen doen.’

Hij neemt me mee terug naar binnen en ik laat me meevoeren, omdat ik weet dat het geen zin heeft om me te verzetten, ik kom hier toch niet bij hem vandaan. Hij duwt me naar binnen, trekt de schuifdeuren dicht en doet ze op slot. Hij gooit de sleutel op de keukentafel. Anna staat daar ook. Ze werpt me een glimlachje toe en ineens vraag ik me af of ze hem misschien heeft verteld dat ik de politie ging bellen.

Anna begint het middaghapje van haar dochter klaar te maken en zet de ketel op om thee te maken. In deze volslagen idiote kopie van de werkelijkheid krijg ik het gevoel alsof ik beleefd afscheid zou kunnen nemen en daarna door de kamer zou kunnen lopen naar de vrijheid van de straat. Het is zo verleidelijk dat ik echt een paar stappen in die richting doe, maar Tom gaat in de weg staan. Hij legt een hand op mijn schouder, en daarna verschuift hij zijn vingers tot onder mijn keel, waar hij heel even een beetje druk op uitoefent.

‘Wat moet ik nu toch met jou aan, Rach?’