Rachel

Zaterdag 3 augustus 2013

Ochtend

Ik heb vannacht gedroomd dat ik in mijn eentje in het bos aan het wandelen was. Het was schemerig, omstreeks zonsopgang, dat weet ik niet zeker, maar er was nog iemand. Iemand die ik niet kon zien, maar ik wist dat hij er was en me inhaalde. Ik wilde niet dat hij me zag, ik wilde wegrennen, maar dat lukte niet, mijn ledematen waren te zwaar, en toen ik probeerde te schreeuwen, kwam er geen geluid.

Als ik wakker word, valt er fel zonlicht door de latten van de jaloezieën. De regen is verdwenen, zijn werk zit erop. Het is warm in de kamer, het ruikt er afschuwelijk, bedompt en zuur – ik ben sinds donderdag nauwelijks van mijn kamer geweest. Buiten de deur hoor ik de stofzuiger zoemen en janken. Cathy is aan het schoonmaken. Straks gaat ze op pad; als ze dat doet, kan ik me naar buiten wagen. Ik weet nog niet zeker wat ik ga doen, het lijkt wel of ik mezelf niet in de hand heb. Misschien dat ik nog één dag moet drinken en dat ik dan morgen mezelf weer op de rails krijg.

Mijn telefoon zoemt even om me te laten weten dat de batterij leeg raakt. Ik sta op om hem op de oplader aan te sluiten en zie dan dat ik sinds gisteravond twee gemiste oproepen heb. Ik bel mijn voicemail. Ik heb één ingesproken bericht.

‘Hallo, Rachel, je spreekt met je moeder. Moet je horen, ik kom morgen naar Londen. Zaterdag, dus. Ik ga wat winkelen. Kunnen we misschien iets afspreken om samen koffie te drinken of zo? Het komt nu niet zo goed uit als je zou komen logeren. Er is... Nou ja, ik heb een nieuwe vriend, en je weet hoe dat gaat, in het begin.’ Ze giechelt even. ‘Maar goed, ik wil je met alle liefde wat geld lenen om het een paar weken uit te zingen. We hebben het er morgen wel over. Oké, schat. Dag.’

Ik zal open kaart met haar moeten spelen en precies moeten vertellen hoe slecht het ervoor staat. Dat is nou niet echt het soort gesprek dat ik wil voeren als ik broodnuchter ben. Ik sleur me het bed uit. Als ik nu naar de winkel ga, kan ik nog een paar glazen drinken voor ik op pad ga. Om net een beetje de spanning weg te nemen. Ik kijk nog even naar mijn mobieltje en bekijk opnieuw de gemiste oproepen. Maar één daarvan is van mijn moeder – de andere is van Scott. Een boodschap die om kwart voor één vannacht is achtergelaten. Ik overweeg met de telefoon in mijn hand of ik hem ga terugbellen. Niet nu, dat is te vroeg. Straks misschien? Na een glas wijn, maar niet na twee.

Ik sluit het mobieltje aan om hem op te laden, haal een jaloezie omhoog en zet het raam open, waarna ik naar de badkamer ga en een koude douche neem. Ik scrub mijn huid, was mijn haar en probeer intussen de stem in mijn hoofd het zwijgen op te leggen die zegt dat het behoorlijk vreemd is om 48 uur nadat het lijk van je vrouw is ontdekt, een andere vrouw midden in de nacht te bellen.

 

Avond

Het is opgehouden met regenen en de zon breekt bijna door een dikke, witte wolk. Ik heb een van die kleine flesjes wijn gekocht – eentje maar. Dat had ik niet moeten doen, maar lunchen met mijn moeder zou zelfs de wilskracht van een levenslange geheelonthouder op de proef stellen. Maar goed, ze heeft wel beloofd om driehonderd pond naar mijn rekening over te maken, dus het was geen complete tijdverspilling.

Ik heb niet bekend hoe slecht het ervoor stond. Ik heb niet verteld dat ik al maanden werkeloos ben of dat ik ben ontslagen (ze denkt dat dat geld van haar bedoeld is om de tijd te overbruggen tot het geld binnenkomt dat ik nog van de belastingen terugkrijg). Ik heb haar niet verteld hoe erg het ervoor staat wat het drinken betreft, en ze had ook niets in de gaten. Cathy wel. Toen ik haar vanochtend op weg naar buiten tegenkwam, wierp ze me een blik toe en zei: ‘Jezus christus. Nu al?’ Ik heb geen idee hoe, maar ze weet het altijd. Al heb ik maar een half glas achter mijn kiezen, ze hoeft maar even naar me te kijken en ze weet al hoe laat het is.

‘Ik zie het aan je ogen,’ zegt ze, maar als ik in de spiegel kijk, zie ik er precies zo uit als anders. Haar geduld raakt op, en haar medeleven ook. Ik moet ermee stoppen. Alleen vandaag nog niet. Vandaag kan niet. Vandaag is het te moeilijk.

Ik had het kunnen verwachten, had het moeten verwachten, maar op de een of andere manier had ik me er niet op voorbereid. Ik stap in de trein en ze is overal, haar gezicht straalt van elke krant: die mooie, gelukkige Megan, die recht in de camera, recht in mijn ogen kijkt.

Iemand heeft de Times laten liggen, dus lees ik het artikel dat erin staat. De formele identificatie was gisteravond laat klaar, vandaag is het post mortem onderzoek. Een woordvoerder van de politie zegt dat ‘de doodsoorzaak van mevrouw Hipwell misschien lastig te achterhalen zal zijn omdat ze enige tijd buiten en op zijn minst een aantal dagen onder water heeft gelegen’. Het is een afschuwelijke gedachte, helemaal met die foto van haar vlak voor mijn neus. Hoe ze er toen uitzag, en hoe nu.

Kamals naam wordt nog even genoemd, in verband met zijn arrestatie en vrijlating, en er is een verklaring van rechercheur Gaskill waarin hij zegt dat ze ‘een aantal aanwijzingen aan het natrekken’ zijn, wat naar mijn idee betekent dat ze geen flauw idee hebben. Ik sla de krant dicht en leg hem op de grond naast mijn voeten. Ik kan echt geen seconde langer naar haar kijken. Ik wil die hopeloze, lege woorden niet lezen.

Ik laat mijn hoofd tegen het raam rusten. Dadelijk passeren we nummer 23. Ik werp heel even een blik, maar we zijn te ver weg aan deze kant van het spoor om echt iets te kunnen zien. Ik moet steeds denken aan die dag dat ik Kamal zag, zoals hij haar kuste, hoe kwaad ik toen was, en hoe graag ik haar er toen op had willen aanspreken. Wat zou er zijn gebeurd als ik dat had gedaan? Wat zou er zijn gebeurd als ik er toen heen was gegaan, op de deur had gebonsd en haar had gevraagd waar ze in godsnaam dacht dat ze mee bezig was? Zou ze dan nog steeds daarbuiten zijn, op haar terras?

Ik sluit mijn ogen. In Northcote stapt er iemand in die naast me gaat zitten. Ik doe mijn ogen niet open om te kijken, maar het komt me nogal eigenaardig voor, want de trein is halfleeg. De haartjes in mijn nek gaan overeind staan. Ik ruik aftershave achter sigarettenrook en ik weet dat ik dat luchtje eerder heb geroken.

‘Hallo.’

Ik kijk om en herken de man met het rode haar, die van het station, van die zaterdag toen. Hij glimlacht naar me en steekt zijn hand uit. Ik ben zo verbaasd dat ik die aanpak. Zijn handpalm voelt hard en eeltig aan.

‘Herinner je je mij nog?’

‘Ja,’ zeg ik hoofdschuddend. ‘Ja, een paar weken geleden, op het station.’

Hij knikt glimlachend. ‘Ik was een beetje dronken,’ zegt hij, en hij begint te lachen. ‘Volgens mij jij ook, waar of niet, schat?’

Hij is jonger dan ik me had gerealiseerd, misschien eind twintig. Hij heeft een aardig gezicht, niet echt knap, maar gewoon aardig. Een open gezicht, met een brede glimlach. Hij spreekt met een Cockney-accent of zoiets. Hij kijkt naar me alsof hij iets van me weet, alsof hij me aan het plagen is, alsof we samen een grappig geheim hebben. Dat is niet zo. Ik kijk weg. Ik zou iets moeten zeggen, hem moeten vragen wat hij heeft gezien.

‘Gaat het een beetje?’ vraagt hij.

‘Ja, het gaat goed.’ Ik kijk weer uit het raam, maar ik voel zijn ogen op me gericht en ik heb de vreemde aanvechting om me om te draaien en de rook in zijn kleding, zijn adem op te snuiven. Ik houd van de geur van sigarettenrook. Tom rookte toen we elkaar leerden kennen. Af en toe rookte ik er eentje met hem mee, wanneer we buiten de deur wat dronken of na de seks. Het heeft voor mij iets erotisch, die geur; het doet me denken aan gelukkig zijn. Ik haal mijn tanden over mijn onderlip en vraag me heel even af wat hij zou doen als ik me omdraaide en hem op zijn mond kuste. Ik voel zijn lichaam bewegen. Hij buigt voorover en raapt de krant naast mijn voeten op.

‘Vreselijk, hè? Arme meid. Raar gevoel, ook, dat wij daar die avond waren. Het was die avond, hè? Dat ze verdween.’

Het lijkt wel of hij mijn gedachten heeft gelezen, en ik ben totaal verbijsterd. Ik draai me met een ruk om en kijk hem aan. Ik wil de uitdrukking in zijn ogen zien. ‘Pardon?’

‘De avond dat ik jou in de trein tegenkwam. Dat was de avond dat dat meisje verdween, die ze nou net hebben gevonden. En ze zeggen dat de laatste keer dat iemand haar heeft gezien voor het station was. Ik denk steeds dat ik haar misschien wel had kunnen zien, weet je. Ik herinner het me trouwens niet. Ik was dronken.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Jij herinnert je niks, hè?’

Het is vreemd, wat ik voel als hij dat zegt. Ik kan me niet herinneren dat ik me ooit zo heb gevoeld. Ik kan geen antwoord geven, want mijn gedachten zijn een heel andere kant op gegaan, en dat komt niet door de woorden die hij zegt, maar door de aftershave. Onder de rook roept die geur – fris, citroenachtig, aromatisch – een herinnering op: dat ik in de trein naast hem zit, net als nu, maar we gaan alleen de andere kant op en iemand zit heel hard te lachen. Hij heeft zijn hand op mijn arm gelegd en vraagt of ik meega, iets drinken, maar plotseling is er iets aan de hand. Ik ben bang, in de war. Iemand probeert me te slaan. Ik zie de vuist aankomen, en ik duik weg, met mijn handen opgestoken om mijn hoofd te beschermen. Ik zit niet meer in de trein, ik ben op straat. Ik hoor weer gelach, of geschreeuw. Ik ben op de trap, ik ben op het trottoir, het is verwarrend, mijn hart gaat als een razende tekeer. Ik wil niet bij die man in de buurt zijn. Ik wil weg bij hem.

Ik kom haastig overeind en zeg: ‘Neem me niet kwalijk’, zo hard dat andere mensen in de coupé het zullen horen, maar er is verder vrijwel niemand en geen mens kijkt op. De man kijkt verbaasd naar me omhoog en schuift zijn benen opzij om me erlangs te laten.

‘Sorry, schat,’ zegt hij. ‘Het was niet mijn bedoeling om je te laten schrikken.’

Ik loop zo snel mogelijk bij hem vandaan, maar de trein schokt en zwaait, en ik verlies bijna mijn evenwicht. Ik grijp een rugleuning vast om niet te vallen. Mensen zitten naar me te staren. Ik haast me door de volgende coupé heen, helemaal naar de coupé daarachter; en ik blijf doorlopen tot ik aan het eind van de trein ben. Ik ben buiten adem en bang. Ik kan het niet uitleggen, ik weet niet meer wat er is gebeurd, maar ik voel het, de angst en de verwarring. Ik ga zitten, met mijn gezicht in de richting vanwaar ik net ben gekomen zodat ik hem kan zien als hij achter me aan komt.

Ik duw mijn handpalmen tegen mijn oogkassen om me te concentreren. Ik probeer het terug te halen, te zien wat ik net heb gezien. Ik vervloek mezelf om mijn gezuip. Was mijn hoofd nou maar helder... maar daar komt het. Het is donker, en er loopt een man bij me vandaan. Of loopt er een vrouw bij me vandaan? Een vrouw in een blauwe jurk. Het is Anna.

Bloed gonst in mijn hoofd, mijn hart bonkt. Ik weet niet of de dingen die ik zie, die ik voel, echt zijn of niet, of ik ze me inbeeld of ze me herinner. Ik knijp mijn ogen stijf dicht en probeer het opnieuw te voelen, opnieuw te zien, maar het is weg.