Rachel
Zaterdag 10 augustus 2013
Ochtend
Ik word vroeg wakker. Ik hoor de vuilnisauto door de straat tuffen en het zachte getik van regen tegen het raam. De jaloezieën zijn half omhoog – we zijn ze gisteravond vergeten dicht te doen. Ik glimlach in mezelf. Ik voel hem achter me, warm en slaperig, hard. Ik wiegel met mijn heupen en duw me wat dichter tegen hem aan. Het duurt vast niet lang voordat hij tot leven komt, me vastgrijpt en omrolt.
‘Rachel,’ klinkt zijn stem, ‘niet doen.’ Ik verkil. Ik ben niet thuis, dit is mijn huis niet. Dit is helemaal verkeerd.
Ik rol me om. Scott zit overeind. Hij zwaait zijn benen het bed uit, met zijn rug naar me toe. Ik knijp mijn ogen dicht en probeer het me te herinneren, maar het is allemaal te wazig. Als ik mijn ogen opendoe, kan ik helder denken: in deze kamer ben ik minstens duizend keer wakker geworden. Dit is waar het bed staat, dit is precies het uitzicht – als ik overeind ga zitten, kan ik de toppen zien van de eiken aan de overkant van de straat; links van me is de badkamer en rechts zijn de ingebouwde klerenkasten. Het is precies dezelfde kamer als waar ik met Tom sliep.
‘Rachel,’ zegt hij nogmaals, en ik steek mijn hand uit om zijn rug aan te raken, maar hij staat vlug op en draait zich naar me om. Hij ziet er hologig uit, net als die eerste keer dat ik hem van dichtbij zag, op het politiebureau – alsof iemand hem vanbinnen heeft leeggeschraapt en een lege huls heeft achtergelaten. Dit lijkt dan wel op de kamer waar ik met Tom sliep, maar het is de kamer waar hij met Megan sliep. Deze kamer, dit bed.
‘Ik weet het,’ zeg ik. ‘Het spijt me. Het spijt me vreselijk. Het was helemaal verkeerd.’
‘Ja, dat was het,’ zegt hij, zonder me aan te kijken. Hij gaat de badkamer in en sluit de deur achter zich.
Ik ga weer liggen, met mijn ogen dicht, en ik voel mezelf in angst wegzinken, dat gruwelijke geknaag in mijn binnenste. Wat heb ik gedaan? Ik weet nog wel dat hij heel veel praatte toen ik er net was, een niet te stuiten stroom woorden. Hij was kwaad – kwaad op zijn moeder die Megan nooit heeft gemogen; kwaad op de kranten vanwege de dingen die ze over haar schreven, die leken te impliceren dat ze haar gerechte straf heeft gekregen; kwaad op de politie die de zaak heeft verprutst, die haar in de steek heeft gelaten, en hem ook. We zaten in de keuken bier te drinken en ik luisterde naar hem, en toen het bier op was, gingen we op de patio zitten en was hij niet meer kwaad. We keken naar de treinen die voorbijkwamen en hadden het over niets bijzonders: televisie en werk en waar hij op school had gezeten, net als normale mensen. Ik vergat te voelen wat ik hoorde te voelen, dat deden we allebei, want nu weet ik het weer. Ik weet weer dat hij naar me lachte en mijn haar aanraakte.
Ik word erdoor overspoeld alsof het een golf is, en ik voel het bloed naar mijn gezicht jagen. Ik kan me herinneren dat ik het mezelf bekende. Dat de gedachte in me opkwam en ik die niet afwees maar omarmde. Ik wilde het. Ik wilde met Jason zijn. Ik wilde voelen wat Jess voelde als ze daarbuiten met hem wijn zat te drinken ’s avonds. Ik vergat helemaal dat Jess op zijn best een hersenspinsel van mij is, en op zijn slechtst helemaal niets. Ze is Megan, ze is dood, een toegetakeld lichaam dat is achtergelaten om weg te rotten. Erger nog: ik was het niet vergeten. Het kon me niet schelen. Het kon me niet schelen omdat ik begon te geloven wat ze over haar beweerden. Heb ik misschien, al is het maar heel even, zelf ook gedacht dat ze haar verdiende loon gekregen had?
Scott komt de badkamer uit. Hij is onder de douche geweest, om mij van zich af te spoelen. Hij ziet er een stuk beter uit, maar hij kijkt me nog steeds niet aan als hij me vraagt of ik zin in koffie heb. Dit is niet wat ik wil; dit klopt allemaal niet. Ik wil dit niet doen. Ik wil mijn zelfbeheersing niet weer verliezen.
Ik kleed me snel aan en ga naar de badkamer, waar ik koud water tegen mijn gezicht gooi. Mijn mascara is uitgelopen en zit vlekkerig in mijn ooghoeken, en mijn lippen zijn donker. Er is op gebeten. Mijn gezicht en hals zijn rood, waar zijn stoppels langs mijn huid hebben geschraapt. Ik zie even een flits van gisteravond, zijn handen op mijn lichaam, en mijn maag draait om. Duizelig ga ik op de rand van het bad zitten. De badkamer is smoezeliger dan de rest van het huis: viezigheid rond de wastafel, tandpastavegen op de spiegel. Een beker met maar een enkele tandenborstel erin. Geen parfum, geen vochtinbrengende crème, geen make-up. Ik vraag me af of ze die heeft meegenomen toen ze wegging, of dat hij alles heeft weggegooid.
In de slaapkamer kijk ik om me heen op zoek naar tekenen van haar – een ochtendjas aan een haak op de deur, een borstel op de ladekast, een pot lippenbalsem, een stel oorringen – maar er is niets. Ik loop de slaapkamer door naar de klerenkast en wil die net opendoen, met mijn hand op de deurknop, als ik hem hoor roepen: ‘De koffie is klaar!’ Er vaart een schok door me heen. Hij geeft me zonder me aan te kijken een beker aan, draait zich om en kijkt naar de spoorrails of naar iets daar voorbij. Ik kijk opzij naar rechts en zie dat alle foto’s zijn verdwenen. Het begint te prikken aan de achterkant van mijn hoofd en de haartjes op mijn onderarmen komen overeind. Ik neem een slok van mijn koffie en heb de grootste moeite om te slikken. Hier klopt allemaal niets van.
Misschien heeft zijn moeder dat gedaan: alles weggegooid, de foto’s verwijderd. Zijn moeder mocht Megan niet, bleef hij maar herhalen. Maar goed, wie doet nou wat hij gisteravond heeft gedaan? Wie naait er nou een onbekende vrouw in het echtelijke bed als je vrouw nog geen maand dood is? Hij draait zich om, kijkt me aan, en ik heb het gevoel dat hij mijn gedachten heeft gelezen, want hij heeft een vreemde blik in zijn ogen – verachting, of afkeer – en ik voel zelf ook afkeer voor hem. Ik zet de beker neer.
‘Ik moest maar eens gaan,’ zeg ik, en hij brengt er niets tegen in.
Het regent niet meer. Het is stralend weer, en ik knijp mijn ogen toe tegen de nevelige ochtendzonneschijn. Er komt een man op me af – hij staat vlak voor me zodra ik op de stoep sta. Ik steek mijn handen omhoog, ga opzij en druk hem met mijn schouder uit de weg. Hij zegt iets maar ik versta niet wat. Ik houd mijn handen omhoog en mijn hoofd gebogen, dus ik ben nog maar vijf stappen van haar verwijderd als ik Anna naast haar auto met haar handen op haar heupen naar me zie kijken. Wanneer ze mijn blik vangt, schudt ze haar hoofd, draait zich om en loopt, bijna in draf, naar haar voordeur. Ik blijf een seconde lang stokstijf staan en kijk haar slanke vorm in zwarte legging en rood T-shirt na. Ik heb een heel sterk gevoel van déjà vu. Ik heb haar eerder op die manier zien wegrennen.
Dat was vlak nadat ik het huis uit was gegaan. Ik kwam Tom opzoeken om iets op te halen wat ik had laten liggen. Ik weet niet eens meer wat het was, het was niet belangrijk, ik wilde gewoon naar het huis, hem zien. Volgens mij was het een zondag, en ik was die vrijdag verhuisd, dus ik was zo’n 48 uur vertrokken. Ik stond op straat te kijken hoe ze spullen uit een auto het huis binnenbracht. Ze trok er dus twee dagen na mijn vertrek in, terwijl mijn bed nog niet was afgekoeld. Dat is nog eens ongepaste haast. Ze zag me staan en ik liep naar haar toe. Ik weet niet meer wat ik tegen haar wilde zeggen – vast niet iets weloverwogens. Ik was aan het huilen, dat weet ik nog wel. En net als nu rende ze weg. Het ergste wist ik toen nog niet – dat kon je toen nog niet aan haar zien. Gelukkig. Ik denk dat ik daar kapot van zou zijn geweest.
Terwijl ik op het perron op de trein sta te wachten, voel ik me duizelig. Ik ga op een bankje zitten en houd me voor dat het maar een kater is – vijf dagen niet drinken en het dan op een zuipen zetten, dan krijg je zoiets. Maar ik weet dat het dat niet alleen is. Het komt ook door Anna – die aanblik van haar, en het gevoel dat ik kreeg toen ik haar op die manier zag weglopen. Angst.