42

‘Je deed het geweldig,’ complimenteert Loes me, als de filmgroep van EenVandaag weer weg is. Ik sta nog ademloos van spanning in de gang van het appartement dat op dit moment niet meer als mijn thuis aanvoelt.

‘Ik heb gewoon verteld wat in me opkwam,’ stamel ik nog onder de indruk van de camera, microfoons en lampen die opgesteld hebben gestaan.

‘Dat is het beste. Kom hier.’ Ze strekt haar armen naar me uit en enigszins onhandig laat ik me door haar omhelzen. ‘Je zult zien dat dit een grote impact zal hebben. Dat kan niet anders.’

Ik loop achter haar aan de woonkamer in. Fenna staat voor het raam, maar draait zich om als ze ons binnen hoort komen.

‘Fantastisch gedaan. Je hebt al mijn tips opgevolgd.’ Ze loopt op me af en slaat een arm om me heen. ‘Je trilt helemaal.’

Haar suggesties zijn me totaal ontschoten, maar dat zeg ik maar niet. Dat ik niet eens meer weet wat ik allemaal heb verteld, zeg ik ook niet. Dat ik me verdrietiger voel dan ik me in tijden heb gevoeld, verzwijg ik ook. Alle ellende van het afgelopen jaar is door het gerichte vragen stellen in een uurtje voorbijgekomen. Elk stadium heb ik weer doorleefd. Trillen? Ik heb eerder het gevoel alsof ik in een vogel zit die me zo uit gaat poepen. Flats! Een smerige vlek op het trottoir, dat ben ik.

Achter me hoor ik Loes aan de telefoon met een van haar contacten. Ze heeft het over ‘kritische vragen’ en ‘onderzoek doen’ en ‘een beerput vol gevallen’. Loes is slim, en lijkt sterker dan een bulldozer als het erom gaat iets voor elkaar te krijgen. Ze weet overal wat van en heeft direct een goed onderbouwde mening klaar. Het is me nog steeds niet duidelijk wat haar overkomen is, maar als er één geschikt is als coördinator van een groep moeders, is zij het.

‘Wat een moordwijf.’ Loes is opeens naast me. ‘Ik had die politica aan de lijn. Ze gaat de dag na de uitzending direct kamervragen stellen. Er zullen wel wat mensen zijn die zich in het nauw gedreven voelen.’

‘Wanneer wordt het uitgezonden?’ Mijn piepstem klinkt me niet bekend in de oren. Heb ik ook zo gepraat tijdens de opnames?

‘Komende woensdag. Beter kan niet. Zullen we hier komen kijken?’

Ik knik. Voor geen goud wil ik in mijn eentje voor de televisie zitten om mezelf terug te zien. Ilse zal zeker ook willen kijken.

Ik denk aan Horace en zijn levensverhaal. Dat is de andere kant van het tekortschieten van Jeugdzorg. Had ik de missers ook moeten noemen? Hoe zou het met hem gaan? Na ons intieme samenzijn heb ik hem niet meer gezien, toch is hij geen moment uit mijn gedachten geweest. Ik word heen en weer geslingerd tussen verlangen en verdenking. Het vreet aan me. Ik moet naar hem toe.

Het is al erg laat als ik beneden in de hal kom. Als Horace zich van zijn slaapzak opricht zie ik de sluiers in zijn ogen, toch kan ik niet rechtsomkeert maken. We moeten praten.

Ik mag blij zijn dat de interviewer slechts terloops de moord heeft genoemd. Kennelijk zijn er toch woorden van Fenna blijven hangen. ‘De politie laat je niet voor niets vrij.’ Dat heb ik gezegd. Niet dat ik onschuldig ben. Dat kon ik niet, daarvoor zitten er te veel twijfels onder mijn huid.

‘Hé, hallo.’ De verrassing in zijn stem zorgt voor een ondefinieerbaar gevoel. Aan de ene kant zo close, maar toch zo ver verwijderd.

Ik loop op hem af en zie dat hij rechtop gaat zitten en zijn ogen uitwrijft. Slaap of drank?

‘Je was opeens weg,’ zeg ik zacht.

Hij buigt zijn hoofd. ‘Het is beter zo.’

Ik wil hem tegenspreken, maar voel de ring die ik stevig in mijn vuist geklemd houd.

‘Ik wil je wat vragen,’ begin ik, en ik ga naast hem zitten. Zijn warmte die nog in de slaapzak hangt, dringt door mijn kleding heen.

‘Dat mag. Ik wil je graag helpen, dat weet je.’

Hoe moeilijk is dit. Ik wil hem omhelzen, zijn lippen op de mijne voelen, en hem vasthouden tot alle ellende uit ons beider levens is verdwenen.

‘Was jij in het centrum van Utrecht op de avond dat Roderick vermoord is?’ De vraag is eruit. Ik knijp mijn kaken op elkaar alsof ik de woorden alsnog kapot kan bijten.

‘Waarom denk je dat?’ Hij plukt aan wat rafels, speelt met de rits die hij onrustig heen en weer blijft trekken.

Is dat het enige waar hij mee kan komen? Een wedervraag? Begrijpt hij niet hoe belangrijk het voor me is dat ik eindelijk te weten kom in hoeverre ik me verantwoordelijk moet voelen?

De hand, die tot dan toe op mijn rug verborgen lag, schiet naar voren en toont hem de ring. Hij reageert alsof hij totaal niet verrast is.

‘Ik heb ook mijn schoen teruggevonden,’ zeg ik, waarbij mijn schrille uithaal resoneert in het trapportaal.

‘Dat was een kwestie van tijd. Ik wilde niets voor je verbergen, maar…’

‘Je liep er anders ook niet mee te koop.’

‘Nee, natuurlijk niet. Als zwerver word je snel verdacht, en nooit geloofd. Zo simpel is het in deze wereld.’

Zijn woorden komen binnen. Ik ben net zo veroordelend.

‘Vertel,’ zeg ik dan simpel.

Terwijl zijn ogen mijn gezicht aftasten vertelt hij zijn ervaringen van die nacht. Hoe hij mij volgde om me indien nodig te beschermen. ‘Elke keer dat je met een man uit een kroeg kwam was ik bang dat je iets aangedaan zou worden. Je leek zo kwetsbaar dat ik je niet uit het oog wilde verliezen.’

‘Ik heb je een keer gezien,’ mompel ik zacht.

Horace knikt, en vervolgt dan zijn verhaal. ‘Die avond had je de visman aan de haak geslagen.’

Ik schiet in de lach, ondanks de situatie. ‘Visman? Noem je hem zo?’

‘Iedereen kent hem zo. Een vervelend mannetje dat vrouwen dronken voert en dan hun lichaam flink gebruikt.’

Mijn lach sterft weg. Heeft hij me later meegesleept en verkracht?

‘Gelukkig was je al zo dronken dat er voor hem nauwelijks lol aan te beleven was, en hij liet je ergens achter. Natuurlijk wist ik dat je bij het huis van Roderick uit zou komen. Het was alsof een grote magneet je elke keer weer in die richting trok. Om je tegen een eventuele geweldsuitbarsting van je ex te beschermen was ik meegegaan. Ik wilde me onder de brug verbergen, zodat ik indien nodig in kon grijpen.’

Ongemerkt kruip ik wat dichter tegen hem aan. Ik staar naar de ring die nu tussen ons in op de oude slaapzak ligt.

‘Volgens mij ben ik inderdaad naar het huis van Roderick gegaan.’

‘Bijna linea recta, want jij was al boven me aan het roepen toen ik Roderick vond.’

Mijn hoofd schiet met een ruk opzij. Ademloos staar ik hem aan. ‘Roderick vond?’

‘Hij lag onder de brug, levenloos.’

Mijn speeksel droogt op, waardoor ik eerst moet slikken voor ik ook maar een woord kan uitbrengen. ‘Was hij al dood?’

‘Nou en of. Zijn hoofd lag in een rare knik, alsof hij zijn nek had gebroken.’

‘Maar dan heb ik hem niet vermoord.’

‘Jij? Nee, natuurlijk niet, tenzij je eerder die avond al daar bent geweest, maar dan zou het wel heel stom zijn om je ex uit te gaan schelden terwijl die al dood was.’

‘Had hij geen steekwonden?’

‘Nee, hoezo dat?’

Er gaan zo veel vragen door mijn hoofd dat de antwoorden even moeten wachten.

‘Waarom heb je dit niet aan de politie verteld? Je zou me vrij hebben kunnen pleiten.’

Het lijkt een eeuwigheid te duren voor er een zacht excuus over zijn lippen komt. ‘Sorry, Janna, maar ik kon het niet. Bovendien was het zinloos.’ Een lach gromt zacht in zijn keel. ‘Denk je dat de politie een zwerver gelooft? Ik heb leren zwijgen. Ik wist dat ze je niets konden maken, dat sterkte me. Toen ik jouw schoen later voor zijn huis vond heb ik die natuurlijk meegenomen. Geen bewijs achterlaten, dat was belangrijk. Jij was intussen verdwenen, je had kennelijk mijn waarschuwing om weg te gaan opgevangen. Ook al wist ik niet waarheen je was gevlucht, je leek voorlopig veilig.’

Als ik zijn tevreden blik zie, pers ik mijn lippen op elkaar. Niets zeggen over de verkrachting. Nu niet.

‘Ik heb mezelf daar uit de voeten gemaakt, ook ik liep gevaar. Hij zou vanzelf gevonden worden, als jij daar maar weg was, dat was het belangrijkste. Toen ik zag dat je gearresteerd was, bleef ik ervan uitgaan dat je wel vrij zou komen. Ik kon niets voor je doen.’ Met zijn ogen vraagt hij om vergiffenis.

Mijn hart klopt veel te snel waardoor ik me licht voel in mijn hoofd. Ik kan hem niet langer in de ogen kijken, voel alleen maar verwarring terwijl ik eigenlijk opluchting zou moeten voelen. Ik ben niet schuldig aan de dood van Roderick. De ring ligt tussen ons in. Letterlijk en figuurlijk. Als ik hem oppak voelt hij koud aan.

‘Waarom heb je de ring van Roderick mee naar huis genomen? Dat kan tegen je gebruikt worden.’

Hij pakt de ring aan en draait hem om en om tussen zijn vingers. Ik denk aan de zachte strelingen op mijn lichaam, het hoogtepunt dat hij me met diezelfde vingers bezorgd heeft, en voel trillingen in mijn maag die ik nu niet wil voelen.

‘Deze ring is niet van Roderick,’ zegt hij dan, en hij geeft me de ring terug. ‘Die had zijn ring zelf nog om.’