35 Later
Twee feiten zijn overduidelijk: Roderick is dood en begraven, en Fleur woont al veel te lang bij een pleeggezin. Het waarom van beide feiten is schimmig. Mijn verwarring van waarheid en verbeelding is er in de afgelopen maanden ingesleten. Ik ben zo diep gekwetst dat ik een eigen waarheid gecreëerd heb. Het moeilijke hiervan is dat ik zelf niet weet wat echt gebeurd is en wat een fantasiebeeld is. Ik heb hulp nodig om onomstotelijke bewijzen te vinden. Maar wie kan ik voldoende vertrouwen om me hierbij te helpen?
Natuurlijk komt Ilse in me op. Ze is al die jaren een vast ijkpunt geweest in mijn leven, maar de stap naar haar toe is nog te groot voor me. Vriendschap is iets wederkerigs. Daarbij ben ik de fout ingegaan. Ik heb alleen maar gebruik gemaakt van haar en niets van haar aangenomen of iets voor haar teruggedaan. Zo fout. Dat mag me niet nog een keer gebeuren.
Horace is een nieuwe vriend, op een vreemde manier hebben we elkaar nodig. Bestaat er vriendschap op straat? Of leeft vriendschap niet langer dan de inhoud van een fles? Hij moet toch ook behoefte hebben aan iemand naast zich? Dat kan niet anders. Waarom zou ik dat niet kunnen zijn? Kan ik hem ook uit de klauwen van de drank bevrijden, zodat hij een normaal leven kan opbouwen? Ik neem me voor om Horace bij mij thuis uit te nodigen. Hoe zal hij dat vinden? Misschien kan hij me helpen om de zaken goed op een rijtje te krijgen.
Ik besluit de trap te nemen en als een dartel veulen huppel ik de treden af. In de hal van de tweede verdieping staat Ana Rodriguez, een vrouw van halverwege de zeventig, nog gezegend met pikzwart haar en fitter dan ik in de afgelopen maanden ben geweest. Vandaag voel ik me echter beresterk.
‘Buenos días,’ begroet ik haar.
‘Hola, cómo estás?’ Ze lacht me vrolijk toe.
‘Heel goed,’ antwoord ik naar volle waarheid.
‘Je ziet er als een echte schoonheid uit.’ Haar stralende ogen bevestigen dat.
Ik lach en loop door, lichter dan ik me in jaren heb gevoeld.
In de hal zie ik Horace gebukt onder de trap zitten, zijn rug naar me toe. Een bloot stuk huid steekt onder drie lagen kleding uit. Zijn wervels steken omhoog als dikke knopen onder een bleek vel. Hij wroet in een doos met spullen.
‘Hallo Horace!’
Hij lijkt te schrikken van mijn plotselinge aanwezigheid.
‘Waar kom jij opeens vandaan?’
‘Gewoon van de trap.’
‘Je ziet er goed uit.’ In een snelle beweging duwt hij iets weg voordat hij overeind komt.
‘Ben je wat kwijt?’ Ik wil naar hem toelopen, hem begroeten, maar hij doet een paar passen opzij.
‘Eh… Nee, ik…’ Hij wendt zich af.
‘Hé, we zijn toch vrienden? Als ik iets voor je kan doen…’
Hij aarzelt en draait zich dan weer naar me toe. ‘Ik heb jou toch een keer wat spulletjes gegeven?’
‘Die dingen voor Fleurs kamertje?’
‘Ik zoek een Scapino-tas, waarin ik wat dingen bewaarde.’
Ik zie de rood met gele tas zo staan, in de hoek van Fleurs slaapkamer. Het schuldgevoel knaagt aan me. Ik heb er slechts een paar dingen van gebruikt. De rest staat daar al maanden onaangeroerd. Nu pas besef ik dat het voor hem straatschatten moeten zijn geweest.
‘Wil je die spullen terug?’
‘Nee, nee natuurlijk niet. Die zijn voor mijn vriendinnetje, maar…’
Ik zie hem worstelen.
‘Er zitten denk ik ook dingen in waar zij niets aan heeft. Als je de rest niet nodig hebt…’ Hij kijkt me met een brede glimlach aan, toch trilt er iets onder zijn rechteroog.
‘Ik zal de tas wel even halen. Of weet je wat? Kom je vanavond bij me op bezoek? Dan kun je de tas direct meenemen.’
Hij kijkt me aan alsof ik hem een oneerbaar voorstel heb gedaan. ‘Bezoek?’
‘Ja, je weet wel, een…’ Ik slik het woord in. Het automatisme is zo ingevreten in het dagelijks leven. Iedereen gaat ergens een drankje drinken, een borrel of een afzakkertje.
Terwijl een blos mijn wangen verwarmt, groeit zijn grijns. ‘Een kopje thee drinken. Dat lijkt me gezellig. Vanavond. Ik zal er zijn. Is er nog een dresscode?’
Zijn opmerking maakt het ongemakkelijke moment dragelijk.
‘Streetware,’ geef ik aan.
‘Doe ik. Maar vertel eens, jij ziet eruit alsof je naar een feestje gaat.’
‘Ik ga naar Fleur.’ Het klinkt net zo warm als het voelt.
‘Dat is een tijdje geleden, toch?’
‘Een maand.’
‘Doe je haar de groeten van me?’
‘Natuurlijk.’
Op dat moment schuift de lift open en staat mevrouw Rodriguez naast ons.
‘Hier, vers gekookt water. Vind je ook niet dat onze chica er goed uitziet?’
Horace bekijkt me met een trotse blik, alsof hij er persoonlijk voor gezorgd heeft. Hij pakt de kan aan en loopt naar de zijkant van zijn onderkomen.
De dozen waarin hij net aan het rommelen was, staan schots en scheef door elkaar. Uit een van de dozen zie ik een rood puntig voorwerp steken. Het doet me aan iets denken, maar voordat ik beter heb kunnen kijken, staat Horace er weer voor. Er klopt iets niet, maar ik kan de vinger er niet op leggen.
‘Dan ga ik maar,’ zeg ik, een beetje onhandig met de situatie.
‘Doe de groeten aan mijn vriendinnetje. En tot vanavond!’ roept Horace me achterna. Zijn stem klinkt zo vrolijk dat mijn vreemde gedachten meteen belachelijk lijken.
Het is duidelijk te merken dat de zon meer kracht krijgt, alles krijgt een vrolijker uitstraling. Over een van de balkons hangt een kleed te luchten, roze roosjes omkleed door ornamentversieringen in een oudroze kleur, en randen die mij aan woestijnzand doen denken. De lichte franje beweegt als het gras in een zomerbries.
Een jonge Marokkaanse man is ijverig bezig de gezinskameel te poetsen. Een auto is een statussymbool dat moet glanzen, net als de ramen en de vrouwen. De man groet met een glimlach die de woestijnzon zou laten verbleken.
Misschien moet ik ook trots zijn dat ik deel uit mag maken van deze gemeenschap, het deel van Utrecht dat hun satellietschotels gericht heeft op een contact met hun thuisland, terwijl ze hier openstaan voor een nieuw leven.
Het is opvallend hoeveel helderder ik zaken registreer nu mijn hoofd niet meer verdoofd is. Het is of ik grip krijg op een nieuw leven. Alsof details al die maanden verborgen hebben gezeten onder een laagje zand. De gezichtstrekken van mensen en hun toenaderingspogingen heb ik al die tijd bekeken door een bril met de verkeerde sterkte.
Dat alles zijn eigen waarheid heeft blijkt als ik ook balkons passeer die volstaan met vuilniszakken, emmers en oude vloerbedekking.
Fleur is direct bij binnenkomst op mijn schoot gekropen en draait mijn haar weer om haar vinger, alsof ze zich met me wil verstrengelen. Alles gloeit vanbinnen door de liefde die ik voor haar voel. Ik wil niets liever dan nu met haar verdwijnen in een eigen wereld die alleen van ons tweetjes is. Zij en ik. Dat is alles wat ik nodig heb. Opeens is het schoonmaakwerk waarmee ik net begonnen ben niet meer van wezenlijk belang, verschuift mijn woning naar de achtergrond en is geld van geen enkele waarde meer. Leven van liefde. Zelfs doodgaan van liefde. Samenzijn, waar dat ook mogelijk is. Op dit moment is er niets anders meer.
‘Wanneer mag ik weer bij jou wonen?’
‘Ik hoop heel snel, meiske.’ De brok in mijn keel drukt mijn woorden samen.
‘Met Pasen?’ Ze legt haar hand op mijn wang en draait mijn gezicht naar het hare. Hoe kan ik haar aankijken en liegen? Els heeft net aangegeven dat de hechting met de pleegouders vooropstaat. ‘Dat is het beste voor Fleur,’ zei ze met een stembuiging die aangaf dat dit een vanzelfsprekendheid was.
‘Ik ga het met Els overleggen. Is dat goed?’
Ze knikt en is er sneller mee tevredengesteld dan ikzelf.
Fleur glipt van mijn schoot, pakt een puzzel en kijkt me vragend aan.
‘Begin maar vast, ik zal direct even…’ De rest van mijn voornemen om Els om toestemming te vragen blijft in mijn keel steken als ik haar stem door de deur heen hoor klinken.
‘Ja, ik weet dat er een groot tekort is aan pleeggezinnen. Maar daarom kan ik nog niet…’
Met mijn hand op de deurkruk blijf ik staan luisteren.
‘Nee, dat durf ik niet aan. De Kramers zijn nog veel te onervaren, dit is hun eerste pleegkind.’
Ik kijk om naar Fleur die aan de grote tafel is gaan zitten en al begonnen is met de rand van de puzzel.
‘Het was een aanbod van de vader,’ hoor ik Els verdergaan. ‘Hij kende het echtpaar van de tennisclub en hij wist dat ze gek zijn op kinderen.’
Terwijl zich in mijn hoofd een beeld vormt van wat zich heeft afgespeeld, zie ik hoe Fleur het ene na het andere puzzelstukje aan elkaar legt. Mij wordt duidelijk hoe slim Roderick zijn spel heeft gespeeld. Ik staar naar de punten van mijn schoenen. De tennisclub. Daarom stond Frank bij de zwarte netwerkmannen tijdens de begrafenis van Roderick. Frank en Roderick zijn netwerkmaatjes. Hij heeft Fleur weten onder te brengen bij een van zijn vriendjes. Zo kon hij de controle houden en zelfs alle contacten tussen Fleur en mij verzieken. Dat was zijn enige doel: mij dwarszitten.
‘Mamma, kom je me helpen?’ Fleur heeft intussen de rand van de puzzel klaar en is bezig de rest op kleur te sorteren.
Ik knik, maar beweeg me niet. Roderick heeft Els bewerkt, het vermoeden is bevestigd.
‘Ik zal erover nadenken, maar eerst wil ik de problemen bij dat gezin oplossen. Er is iets met de pleegvader, net alsof hij het na de dood van de vader niet meer zo goed aankan.’
Ik klem mijn kiezen op elkaar. Dan zie ik dat Fleur naar me toe komt lopen en me aan mijn hand meetrekt naar de tafel. Ik kan niets anders doen dan haar volgen.
‘Wat ben je al een eind. Goed, hoor,’ complimenteer ik haar, terwijl mijn gedachten blijven hangen bij de woorden van Els.
‘Wanneer gaan wij naar een speeltuin? Denk je dat we van Els een keer naar de Efteling mogen?’ De klank in haar stem is zo doordrenkt van hoop dat ik haar een dikke knuffel geef, wat me de kans geeft om ongemerkt de opgewelde tranen weg te vegen. Ik leg een stukje van de puzzel neer, waardoor het reuzenrad van de afgebeelde speeltuin vorm begint te krijgen.
Op dat moment gaat de deur van de ontmoetingskamer in het centrum open. De aandacht van Fleur lekt weg naar de man die binnenkomt.
‘Daar is oom Frank. Moet ik al weer naar huis?’
Het laatste woord snijdt naar binnen.
Ik krijg het niet voor elkaar haar antwoord te geven en staar naar de pleegvader. Er komen beelden omhoog. Roderick die met deze man in een felle discussie gewikkeld was. Beelden van de begrafenis, waarbij de geringe lengte van Frank opviel tussen de zwarte netwerkmannen.
Franks gezicht staat zorgelijk. Welke zorgen kan hij hebben als hij straks mijn dochter weer mee naar huis mag nemen? De eerdere boodschap van Els, dat de hechting aan de pleegouders vooropstaat, staat nu in schril contrast met de net gehoorde informatie. Mijn kind moet zich hechten aan een echtpaar dat zelf problemen heeft, terwijl voor mij de onthechting de boventoon voert?
Pas als hij mij ziet glijdt er een vluchtig lachje over zijn gezicht. Hij komt naar me toe en schudt mijn hand.
Ik registreer alleen maar. Zijn ogen, die omringd zijn door dunne lijntjes. De reactie van Fleur op zijn aanraking. Het litteken op de rug van zijn hand, die daarna een korte aai over Fleurs bolletje geeft. En er valt me nog iets op aan zijn hand, maar het flitst weg uit mijn hoofd voor het duidelijk heeft kunnen landen.