10
Het matras voelt aan als een spijkerbed. Bij elke beweging worden honderden naalden in mijn spieren gedreven. Ik voel naast me in het enorme bed. Niemand. Tussen de nevels van mijn onderbewustzijn ontstaat een helderheid die ik niet wil zien. Ik ben alleen, met een kater die ik liever kwijt ben.
Ilse wilde gisteravond per se naar huis. ‘Ik slaap het lekkerst tegen het warme lijf van Jaap aan’ gaf ze als verklaring, waar ik natuurlijk niet tegenin ging. Die drie blokken waren gelukkig te lopen, hoewel ze zelfs de auto nog wilde pakken. ‘Die domme regeltjes zijn niet voor mij gemaakt’ was haar weerwoord toen ik haar op de wet wees. Uiteindelijk struikelde ze toch op haar immens hoge hakken de nacht in, Dennis als een koalabeertje om haar heen geklemd.
De rode cijfers van mijn wekker zijn vandaag coulant met me. Nog uren de tijd voor ik naar mijn werk moet. Ik kauw twee pijnstillers tot gruis en slik het weg met water waarvan ik me niet herinner wanneer ik het naast mijn bed heb gezet. Ik hoop er maar het beste van. Met mijn ogen dicht wacht ik op betere tijden.
Nauwelijks een kwartier later laat ik me uit bed glijden. Van slapen komt niets meer, dus ga ik naar beneden om een kop koffie te maken. De verwarming verdrijft de kilte uit huis, rustige muziek verbergt de stilte en de koffie ondersteunt de paracetamol. Zo moet het.
Roderick is weg. Wees blij, riep Ilse uit, dan heb je eindelijk rust. Moet ik opgelucht zijn? Ik probeer het gevoel op te roepen, maar het lukt niet. Ik hou van hem, zo hoort dat. We zijn al zo lang samen, dat gooi je toch niet zomaar weg? Ik weet niet wat ik zonder hem moet. Hij geeft de richting aan ons leven. Door zijn succes als advocaat hebben we geen financiële zorgen, waardoor we Fleur alles kunnen geven wat haar hartje begeert.
Dan weet ik wat ik moet doen: de aangifte intrekken. Wedden dat hij dan terugkomt? Net als Jaap heeft hij even zijn vizier op iets jongs gericht. Ik zal het hem vergeven, net als Ilse deed. Niet zeuren. Zo moet ik het doen. Ik mis mijn klootzak.
Een onzichtbare hand duwt me naar de hoek van de kamer waar ik mijn ladekastje heb staan. Elk laatje herbergt een herinnering die de belangrijke momenten van mijn leven markeren. Mijn verleden komt tot leven als ik naar de verschillende foto’s, briefjes of voorwerpen kijk. De herinnering aan onze trouwdag, gevangen in de vorm van het bruidspaar dat bovenop de zeslaags taart heeft gestaan. In gedachten voel ik de zelfverzekerde druk van Rodericks hand op de mijne, terwijl we samen het mes door de zachte cake duwen. Ik weet nog hoe stralend gelukkig ik me voelde, maar tegelijkertijd nog steeds verbaasd dat de meest aantrekkelijke man voor mij gekozen had. Hij heeft mij het mooiste geschenk gegeven dat ik mijn hele leven zal koesteren: een kind.
Na een korte aarzeling trek ik een van de onderste laatjes open. Meestal laat ik die dicht, want hoe vaker ik naar de hierin gestopte foto kijk, hoe minder het beeld tot leven komt. Vanochtend heb ik het zo hard nodig dat ik mijn aarzeling opzijzet.
Het roestbruine haar is het eerste wat ik zie, dan haar ogen. Ze raken me. Ik streel met mijn vinger over de sproeten die elke zomer als een uitbarsting van vrolijkheid op haar gezicht verschenen. Mijn moeder lacht zorgeloos naar de camera, terwijl mijn vader achter haar toekijkt. Het moment waarop ik de foto nam staat in mijn geheugen gegrift. Als ik mijn ogen sluit zie ik de zee die onstuimig schuim over het zand duwt, ik hoor de meeuwen die brutaal krijsend boven ons picknickkleed zweven. De zilte geur waarmee Schiermonnikoog doordrenkt is, dringt feilloos in mijn neus. Het kleine dorp zonder auto’s, de simpelheid van geluk. Mijn zevende zomer. Twee maanden later kregen ze het ongeluk. Op slag dood. Hun zorgeloze lach verstild in een foto.
Ik vraag me weleens af hoe mijn leven verlopen zou zijn als ze waren blijven leven. Als die vrachtwagenchauffeur niet in slaap was gevallen. Als ik onder de beschermende vleugels van mijn ouders had kunnen blijven schuilen, in plaats van een plek te krijgen bij mijn tante voor wie haar eigen kinderen al een last waren. Ik mocht er niet zijn. Hoe vaak heb ik niet gedacht dat het beter was geweest als ik bij mijn ouders in de auto had gezeten? Nu heb ik Fleur en wil ik niets liever dan haar de liefde geven die ik heb gemist.
Ik leg de foto terug en sluit het laatje. Mijn handen leg ik op de zachte stof die ik op het kastje heb geplakt, als een wolkendek op hun leven. Zo blijf ik zitten, tot de muziek stopt en de stilte me omringt.
Het is niet makkelijk om me te concentreren op mijn werk, maar de afspraak met mijn baas verzetten gaat me net te ver.
Bram zit onderuit in zijn bureaustoel terwijl hij me aanhoort. Ik voel de onzekerheid drukken. Ik doe mijn best om krachtige woorden te vinden, want als niemand opkomt voor de schoonmakers die het vuile werk opknappen, zitten die straks met een uitkering thuis. Het blijkt echter moeilijk om de juiste woorden op te diepen.
‘Natuurlijk zijn offers niet te vermijden,’ zeg ik met een overtuiging die na gisteren niet meer te vinden is. ‘Er is weinig rek in het personeelsbestand. Toch is een goede afvloeiingsregeling belangrijk.’
‘Een sociaal plan kost geld.’
Hiermee helpt hij me terug in het zadel. Mijn schouders bewegen automatisch naar achteren en de zekerheid begint te groeien. Natuurlijk kost een sociaal plan geld. Veel geld. Maar het geeft op termijn een enorme besparing als ze hun medewerkers niet ontslaan, maar juist voor het geld laten werken. Daarmee creëer je een gezond arbeidsklimaat. Bovendien wil ik me sterk maken voor de echte arbeiders, ze een stem geven in de top. Dat verdienen ze.
Als ik naar Bram toeloop weet ik dat mijn lichaamstaal de juiste woorden spreekt. Nu moet Bram nog luisteren. Hij moet me steunen, alleen dan kan ik al die ontslagen voorkomen. Bovendien maak ik dan kans op die hogere functie. Ik schuif de zware fauteuil zo dat ik tegenover hem kom te zitten.
‘Bram, hoe lang werken we nu al samen?’
‘Zo’n zeven jaar,’ bromt hij.
‘Heb je ooit mijn inzichten in twijfel moeten trekken?’ Het is als schaken. Steeds een zet doen, tot de koning klem staat. Bij Bram werkt dat.
‘Nee.’ Toch komt het er nog aarzelend uit.
‘Wat denk je dat er gebeurt als je de onderste laag van het personeelsbestand ontslaat?’
Hij gaat rechtop zitten. Zwijgt.
‘Dan begin je met een pas achteruit, in plaats van een fikse stap naar een sterke toekomst. Je hebt die harde werkers nodig. Ik ben bezig met een sociaal plan dat zelfs de eventueel overbodige werkkrachten zal helpen om een nieuwe werkkring te zoeken. Dan hoef je ook de kosten voor de uitkeringen niet te dragen.’ Ik ga verzitten, mijn ribben spelen op.
Bram bestudeert zijn handen zo grondig dat ik even denk dat hij een verdachte moedervlek heeft ontdekt. Hij draait aan de zegelring die hem verbindt met de andere mannen van het tennisnetwerk. Roderick heeft dezelfde.
‘Ik waardeer jouw sociale inzicht, Janna, maar je weet toch dat ik eraan toe ben om uit de business te stappen?’
‘Jouw vertrekbonus is het uitgangspunt van het plan. Daar hebben we het uitgebreid over gehad. Ik zou een personeelsplan maken, zodat jij een gouden handdruk zou krijgen. Daartegenover staat dat jij zou regelen dat ik onderdirecteur word van het nieuwe bedrijf. Zo hadden we het toch besproken?’ Ik leun achterover en sla mijn armen over elkaar, mijn nagels in mijn handpalmen drijvend om de pijn te kunnen hanteren.
‘Ja, dat klopt wel, maar...’
‘Laat mij dan mijn werk doen,’ onderbreek ik hem direct. ‘Ik zie goede mogelijkheden om een belangrijk deel van ons personeel te behouden. Hooguit zullen er wat ontslagen vallen in de facilitaire en managementafdelingen. Dat zijn dure mensen, maar die komen vast weer snel aan een nieuwe baan, daarover heb ik al contacten met zusterbedrijven. Ik laat niemand zomaar vallen.’
Bram strijkt door zijn grijze haar en gaat rechtop zitten. Hij trekt zijn jasje recht en schikt zijn manchetknopen. Nu heb ik hem. Hij gaat akkoord. Het jubelt al in me voordat hij iets gezegd heeft. Ik ken hem al zo lang. Nog voordat ik bij hem werkte had hij het er al over als hij bij ons over de vloer kwam. Onder het genot van een goede whisky boomden Roderick en hij over hun toekomstplannen. ‘Nog een paar jaar, Roderick,’ zei hij dan altijd. ‘Nog een paar jaar en dan geef ik mezelf een gouden handdruk.’ Ik wist dat ik me daarop moest richten. Zoek de zwakke plek in de onderhandelingen, dat heeft Roderick me geleerd.
‘Ik zal onze mensen begeleiden en mijn netwerk inzetten.’ Ik leun wat voorover, dat werkt bij mannen.
‘Het is goed, Janna. Ik zal je steunen. Jij je baan, ik mijn handdruk.’
‘En Barbara?’
‘Barbara wordt geen onderdirecteur.’
‘Zij heeft de juiste papieren.’
‘Papieren zijn minder waard dan ervaring. Ze is te onervaren om die baan aan te kunnen.’
‘Dat weet je zeker?’
‘Zorg jij nu maar dat je die fusie regelt, zonder grote problemen, zonder acties, en vooral zonder verlies van klanten. Ik zorg voor de rest.’
‘Ik weet dat ik het kan.’ Ik adem langzaam uit. De spanning verlaat mijn lichaam en ik voel euforie borrelen. Ik mag trots zijn op mezelf. Gister een wrak, nu een overwinning, zo snel kan het gaan. In het afgelopen halfuur heb ik een grote groep mensen behoed voor ontslag. Als Roderick dit hoort moet hij trots op me zijn.
Mijn cabriolet laat ik tot stilstand komen voor ons huis. Ik zie dat de knoppen van de grote rododendronstruik op uitbarsten staan, mijn hoofd geeft eenzelfde gevoel. Ik verlang naar rust en een pijnstiller.
Fleur blijft net als ik in de auto zitten.
‘Komt pappa niet meer thuis?’
Ik knijp in het stuur en klem tegelijkertijd mijn kiezen op elkaar. Het is moeilijk om te onderscheiden of er hoop of gemis in Fleurs stem ligt.
‘Ik weet het niet, lieverd,’ antwoord ik naar waarheid, terwijl ik uit de auto stap.
‘Gaan we verhuizen?’
‘Wil je mij helpen om deze tas met papieren naar binnen te dragen?’ Mijn toegeknepen keel vervormt mijn stem. Fleur neemt met een serieus gezicht mijn documentatiekoffer over terwijl ik me ontferm over mijn notebook en de twee ordners met artikelen die ik vanavond nodig heb om de vergadering voor te bereiden.
Mijn hakken komen kwaad neer op de straattegels. Waarom heeft Roderick niet gereageerd op mijn excuses?
Als Fleur naar de speelkamer is vertrokken om te gamen, sta ik nog in de keuken. Ik moet koken, maar de vragen zitten me dwars. Is Roderick definitief weg? Wat wil ik eigenlijk zelf? Wil ik hem wel vergeven, net als de andere keren? Of kan ik beter alleen verdergaan?
Staat het bord nog in de tuin? Misschien is het wel weggehaald. Ik kan me nog steeds niet voorstellen dat Roderick ons huis zomaar verkocht heeft.
In plaats van te gaan koken loop ik door de hal naar buiten. Een zwoele wind waait door mijn dunne kleding, terwijl de geur van bloesems mijn neus prikkelt. Bloemen in de tuin, daar kon ik altijd zo van genieten. Maar nu ben ik alleen maar gericht op het makelaarsbord. Het staat er nog. Pas als ik de tekst zie, trekt er een rilling door mijn lijf.
Verkocht.
Het staat in kapitale letters dwars over het te koop-bord heen. Het dringt nu pas echt door: Roderick komt niet terug. Ik sla mijn armen om mijn middel, om mijn trillende lijf vast te houden. Pas als ik zie dat ik mijn nagels diep in mijn bovenarmen heb geduwd, begrijp ik waarom het pijn doet. De woede vormt een hittefront dat langzaam naar mijn hoofd stijgt. Verkocht? Is hij helemaal belazerd! Ik geef een harde trap tegen het bord. Het heeft totaal geen effect. Dan bewerk ik het met mijn vuisten. Krab net zo lang met mijn nagels aan het papier tot ik er grip op krijg. Trekken. Weg. Het moet weg! Mijn huis is niet verkocht. Dat mag niet. Kan niet. Het bonkt in mijn hoofd, terwijl ik tekeer blijf gaan.
Pas als het niet meer leesbaar is kom ik tot rust. Ik draai het bord mijn rug toe, loop terug naar de voordeur en blijf dan abrupt staan. Ik staar naar de glimmend gouden knop, het mahoniekleurige hout, de sierranden die een klein raam van geribbeld glas vasthouden. Alles registreer ik. Dit was míjn toegang tot míjn domein. Dat kan hij me toch niet zomaar afpakken?