34

Natuurlijk ben ik bij de Maliebaan gaan kijken. Daar woont het pleeggezin. Ik wil niet alleen Fleur zien, maar ik wil ook ontdekken of Roderick inderdaad bij haar langsgaat.

Uren heb ik op die troosteloze dag gepost aan de weg waar de Kramers wonen, ondanks het verbod dat Els heeft uitgesproken. Waarom zou ik me aan haar regels houden terwijl Roderick alle regels van fatsoen overtreden heeft? Zelfs samen met haar!

Fleur heb ik nog steeds niet gezien. Toch heerst er een storm in mijn binnenste omdat ik Roderick niet alleen in de buurt van de woning, maar zelfs uit het huis van de pleegouders heb zien komen. Hij was in een heftig gesprek gewikkeld met de pleegvader, alsof ze elkaar al een tijdje kennen.

Roderick was dus bij Fleur. Hoe is dat mogelijk? Wat doet hij daar? Hij heeft Fleur altijd als een lastig aanhangsel in het gezin gezien, waar hij liever zo min mogelijk tijd aan spendeerde, en nu gaat hij gewoon bij de Kramers op bezoek. Waarom hij wel?

Er wordt een oneerlijk spel gespeeld waarvan de regels door Roderick bepaald worden. Een dominospel, waarbij alle facetten van mijn leven in de steentjes verborgen zitten die één voor één met haatdragende precisie omgeknikkerd worden. Roderick speelt een dubbelrol, maar het lijkt erop dat dit alleen voor mij zichtbaar is.

Helaas is Els erachter gekomen dat ik daar ben geweest. En dus ben ik gestraft. Heeft ze me die consequentie van mijn stiekeme bezoek verteld? Ik weet het niet meer. Nu is het meer dan duidelijk: ik mag voor straf mijn Fleur nog minder vaak zien. Els is hard en consequent. Fleur heeft haar rust nodig en dus mag er tussendoor geen contact zijn met de ouders. En Roderick? Die lult zich er vast weer uit met die vette charme die voor mij zo overduidelijk van zijn gezicht afdruipt.

De muren lijken alles rondom mij samen te drukken. Er heerst een doordringende stilte en een leegte die dieper is dan de eenzaamheid die ik in de afgelopen week heb gevoeld. Juist nu ik Fleur weer zo dicht bij me heb gehad, kan ik met geen mogelijkheid rust vinden.

Ik vlucht weg uit mijn woning. De tram brengt me knarsend naar het centrum. Daar ga ik eerst op zoek naar een pinautomaat. Met de tien euro in mijn portemonnee kom ik niet ver. Onvoldoende saldo, lees ik. De mep op het apparaat is nutteloos, maar geeft toch een vreemde genoegdoening.

De kroeg opent zijn deur en de barman weet wat hij voor me in moet schenken. Eindelijk thuis. Er klinkt gelach om me heen en ik voel me opgenomen in de samenleving, ook al zit ik alleen aan de bar met een glas dat te snel leeg zal zijn.

De stekende pijn die vanaf het afscheid van Fleur in mijn gehele borststreek te voelen is, begint geleidelijk af te nemen. Haar ogen verzachten in mijn hoofd. Fleur zag er eigenlijk best goed uit. Ik ben niet belangrijk.

‘Ha schoonheid, helemaal alleen?’ Zijn kale hoofd valt me als eerste op. Ik schiet in de lach, maar als ik zijn zachte bruine ogen zie slik ik mijn commentaar in.

‘Dat zie je goed,’ antwoord ik hem.

‘Je staart al een tijdje naar een leeg glas.’

Wat een opmerkingsgave.

‘Wat drink je?’

Er wordt een vol glas voor me neergezet, waar ik niet tegen protesteer. Hij blijkt Fred te heten. Natuurlijk weet ik wat hij wil. Met Fred naar bed, vul ik mijn gedachten aan. Weer moet ik lachen.

‘Je hebt wel plezier, hè?’ Fred proost op onze kennismaking.

‘O ja, ik heb alleen maar lol in mijn leven.’ Het sarcasme ontgaat hem geheel.

‘Hou je wel van plezier maken?’

Mijn ogen hebben wat moeite met focussen, toch probeer ik hem serieus aan te kijken. Zijn ogen schieten echter heen en weer. Een nieuwe lachbui volgt.

Hij begint een heel verhaal op te hangen over een vriend die mogelijk nog zal komen, maar die kennelijk iemand is tegengekomen. ‘Zo gaat dat, hè? Zo ben je alleen en zo ontmoet je een leuke vrouw.’ Hengelend naar een reactie.

‘Laten we maar gaan,’ zeg ik tegen hem. Fred is een leuke vent, alles beter dan alleen zijn. Het is zelfs niet erg om totaal beneveld te raken en wakker te worden in een vreemd bed met een gat in mijn geheugen. Niet nadenken betekent geen pijn.

Als we buiten lopen, en hij mijn arm stevig vasthoudt, lijken mijn hakken elastisch te zijn geworden. Fred speelt zijn rol van steun en toeverlaat met veel passie. Ik moet echter onnoemelijk nodig naar de wc en hoop alleen maar dat hij dichtbij woont. Ook al woon ik al jaren in Utrecht, vanavond laat ik me graag leiden. Te veel donkere winkeltjes, kroegen waar vooral veel harde stemmen te horen zijn en plotseling opduikende fietsen.

Als we langs het terras van de Winkel van Sinkel lopen, bekruipt me een onheilspellend gevoel. Er is iemand.

Ik duik dieper weg onder de arm van Fred.

‘Hé, koud?’

‘Nee, iemand houdt me…’ Ik maak mijn zin niet af, maar gluur naar het terras dat in het donker tussen de imposante pilaren verscholen ligt. Vier vrouwenfiguren staan strak als bewakers opgesteld. Als ik iets zie bewegen, stop ik abrupt en ik staar in de duisternis. Op de grond, strak tegen de muur aan, zit een donkere figuur.

Pas als hij opkijkt en zijn vervilte haren opzij vallen dringt er een vage herkenning door. De angst vervliegt, maar het gevoel bespied te worden blijft hangen. Waarom houdt hij me in de gaten?

‘Kom, schatje. We zijn er bijna.’

Fred leidt me langs de hoge pilaren, maar pas als we tussen de hoge gebouwen van de Ganzenmarkt lopen, begin ik me rustiger te voelen.

‘Ik heb dorst,’ stamel ik terwijl ik mijn droge lippen bevochtig.

‘Dat kan ik me nauwelijks voorstellen, maar mocht je er straks nog zo over denken, dan heb ik vast wel iets liggen.’ Hij stopt en drukt een zoen op mijn mond. Al snel draaien onze tongen gepassioneerd om elkaar heen, elkaar aftastend en proevend. Het geeft een gevoel van geborgenheid. Als hij me los wil laten stribbel ik tegen, hunkerend naar het warme gevoel.

‘Je bent een lekkere meid.’ En opnieuw voel ik zijn lippen. Als een diepverliefd stelletje zwalken we verder. De kille avond heeft plaatsgemaakt voor een gloeiende lust. De woorden die we tegen elkaar lispelen slaan nergens op, en toch zijn ze belangrijk. Ik leef even alleen in het nu. Alle ellende is vergeten. Ik heb zin in hem.

Ik herken het pand pas als we er langslopen.

‘Wat een kwal,’ stoot ik naar buiten. Ik wil me losmaken, maar Fred houdt me stevig vast. Het bruggetje over de gracht trekt aan me. De deur die strak in de donkerrode verf zit, de deurkruk die glanst in het licht van de straatlantaarn, beide zijn zo bekend dat het zeer doet. Het nieuwe huis van Roderick.

‘Kom, we zijn er bijna.’ Fred wil me meetrekken.

‘Vuilak!’ gil ik hard naar de ramen die afgedekt zijn met te rustige gordijnen. ‘Je speelt een smerig spel.’

‘Hé, wat is er met je?’

‘Hier woont de grootste klootzak van Utrecht.’ Mijn woorden resoneren tussen de huizen en verdwijnen in de nacht.

‘Je ex zeker,’ stelt Fred vast. ‘Kom, we vergeten hem en gaan gewoon samen lol maken.’

‘Hoe kan ik hem vergeten? Die vent blijft zich in mijn leven roeren. Hij maakt alles kapot. Ik haat hem. Ik haat je, hoor je dat?!’ Verbeeld ik me dat het gordijn bewoog?

‘Ja, natuurlijk, dat begrijp ik,’ klinkt de inderdaad begripvolle stem vlak bij mijn oor. ‘Exen hoor je ook te haten.’

Ik kijk hem verbaasd aan, zie de zachtaardige ogen die zo tegenstrijdig zijn met zijn bewering. ‘Haat jij je ex?’

‘Natuurlijk. Als ik nog van haar zou houden, was ik nog bij haar.’ Hij loodst me mee, langs de hoge panden. Het klinkt logisch, maar is het niet.

‘Heb jij ook zo’n hekel aan haar dat je soms…’ Ik stok.

‘Dat ik wat?’ Hij veegt mijn haar uit mijn gezicht, wat zo’n lief gebaar is dat ik ter plekke tranen in mijn ogen krijg.

‘Ik zou hem wel… Ik had nooit gedacht dat ik dat ooit hardop zou zeggen.’ Mijn stem piept vreemd door de emoties die zomaar opduiken.

‘Misschien moet je het dan maar niet zeggen.’ De rust die Fred uitstraalt is precies wat ik nodig heb nu mijn buik draait en mijn hart samengeperst wordt.

‘Ik zou hem kunnen vermoorden,’ fluister ik dan. Nu het eruit is, schiet alles in mijn lijf los. Dat is het: ik wil hem dood.

Een kneepje in mijn schouder geeft aan dat hij me gehoord heeft. Verder niets. Ik ben hem dankbaar dat hij niet doorvraagt, omdat ik hem nooit uit kan leggen hoe diep mijn afkeer van Roderick is.

Weer voel ik ogen prikken. Als ik achterom kijk zie ik alleen een schaduw die oplost in de nacht. Het is zowel rustgevend als vreemd. De straat is zijn leefwereld, maar toch lijkt hij hier niet thuis te horen.

Uiteindelijk stoppen we voor een pand dat zo hoog is dat ik al duizelig word als ik de eerste verdieping probeer te bekijken.

‘Je moet even op je eigen benen staan, schatje.’ Hij opent de deur en het enige wat ik zie zijn blauwe traptreden zover mijn oog reikt. Het is een golvend geheel, waardoor ik me vastgrijp aan de deurpost.

‘Ik kan niet zwemmen,’ mompel ik, waarbij mijn mond moeite heeft met de afzonderlijke woorden.

‘Ik zou je met liefde dragen, maar…’

‘Dan wil je eerst met me trouwen,’ vul ik hem aan. De geschokte uitdrukking op zijn gezicht is enorm grappig.

Natuurlijk red ik het om die trap te beklimmen. En de volgende ook. Als we zijn kleine woning betreden valt me op hoe stil het is. En dat in hartje centrum.

Terwijl ik nog rond sta te kijken word ik uit mijn jas geholpen. En uit mijn shirtje. De rest van mijn kleding sneuvelt op weg naar zijn slaapkamer, die fris en netjes is. Dan land ik al op het dekbed, waarbij mijn kaalhoofd direct over me heen komt liggen.

‘Met Fred naar bed,’ mompel ik zacht en ik grinnik om mijn eigen grapje.

Ik voel me vrij en totaal schaamteloos. Mijn tong gaat op zoek naar warme en vochtige plekken. Fred blijkt een fantastische zoener, zacht maar toch vol passie. Zolang ik op mijn rug lig voel ik me fantastisch. Zijn vingers strelen mijn lijf, en vinden plekjes waarvan ik het bestaan alweer bijna vergeten was. De reactie die uitgelokt wordt laat mijn lijf kronkelen terwijl ik mijn ogen gesloten houd om nog intenser te kunnen genieten. Als mijn handen totaal onverwachts over zijn kale hoofd glijden voelt dat even vreemd. De harde krullen van Roderick opeens vervangen door huid die warm en glad aanvoelt. Veel aangenamer dan ik had verwacht.

‘Je bent een mooie vrouw… eh…?’

‘Zeg maar schatje,’ antwoord ik prompt. Ik zie de bruine ogen vlak voor mijn gezicht. Een geile glimlach ligt over zijn lippen die mijn mond alweer in beslag nemen.

‘Kom eens op me zitten.’ Hij pakt me onder mijn oksels en helpt me omhoog. Een korte duizeling, gevolgd door een misselijk gevoel.

‘Wow, wacht even.’ Ik leg mijn hand op mijn voorhoofd en sluit mijn ogen. Langzaam trekt het weg.

Ik voel dat hij bij me naar binnen glijdt. Behoedzaam. Warm en erotisch. Ik steun met mijn handen naast zijn hoofd en volg zijn ritmische bewegingen.

‘Ben je aan de pil?’

‘Ja, en ook aan de drank.’

Ik probeer zijn reactie te peilen, maar hij heeft alleen maar oog voor mijn borsten die zacht op en neer deinen. Op dit moment zou ik willen dat mijn hoofd helderder is. Genieten van seks is zo lang geleden. Maar niets in mijn leven lijkt te lopen zoals ik wil. Het stoten in mijn lichaam brengt alles in beweging, ook zaken die ik liever rustig had gelaten.

‘Sorry, ik…’ Ik schuif van hem af en ren de slaapkamer uit. In de hal probeer ik in het straaltje licht vanuit de slaapkamer het toilet te vinden.

Zittend op de bril wordt alles rustiger. Mijn maag houdt alles vast, mijn hoofd bonkt niet meer en mijn blaas is geleegd. Tegelijkertijd is ook de geilheid verdwenen. Wat doe ik hier? Ik tuur naar de verjaardagskalender met namen als Froukje en tante Geertje. Namen die nog nooit in mijn contactenkring zijn opgedoken.

Ik buig voorover, leg mijn hoofd in mijn handen en vraag me af wat ik eigenlijk wil. Fred en zijn bed? Naar mijn lege huis? Mijn hoofd heeft geen idee. Pas als mijn kin van mijn hand afglijdt en ik met een schok wakker schrik, besef ik dat het tijd wordt om naar huis te gaan.

In de hal diep ik mijn shirtje op, volg het spoor naar de slaapkamer waar het verdacht rustig is. Het dekbed verbergt mijn gepassioneerde minnaar.

Met mijn bh in mijn jaszak, mijn kleding rommelig gedrapeerd om mijn lijf, grijp ik mijn jas en daal de watertrap af. Mijn horloge vertelt me dat de laatste tram allang vertrokken is. Ik zal een eind moeten lopen om thuis te komen.