14
Het is heerlijk om op het station van Utrecht Centraal rond te lopen. Mensen die me passeren zonder me aan te kijken. Ik maak deel uit van een menigte zonder beschouwd te worden als slecht of gevaarlijk. Ik zou zelfs zo in een trein kunnen stappen, ongeacht de bestemming, niemand die me zal tegenhouden. Dat is vrijheid.
Op dat moment vang ik een bewonderende blik van een blonde dertiger op. Er glijdt een niet tegen te houden glimlach over mijn gezicht. Het is opeens niet meer één tegen de rest van de wereld. Ook al is treinpubliek zo anoniem als het maar kan, het voelt als een beschermend cordon tegen de kwade beschuldigingen.
Zo sta ik een kwartier te vroeg onder het aankondigingenbord in de centrale hal. Ik drapeer als een volleerd model mijn rode krullen over de kraag van mijn jas en kijk rond. Mensen kijken vertwijfeld op het bord boven me, waarna ze rennend naar een perron vertrekken. Overal haast. Ik heb de tijd. Ik kan doen wat ik wil, maar wacht gewoon rustig op journaliste Fenna.
Een man stopt naast me. Hij bekijkt me van top tot teen. Pas als hij dat blijft herhalen begint het me te benauwen.
‘Is er wat?’ Ik merk dat ik pinnig klink.
‘Wacht je soms op een date?’ Hij komt nog dichter bij me staan.
‘Hoe kom je daarbij?’
Een blik omhoog is voldoende, hét ontmoetingspunt.
‘Als hij niet komt, heb je dan misschien zin…’
‘Ga toch spelen en zoek een ander slachtoffer.’
Het woord floept er zonder nadenken uit, maar blijft daarna irritant in mijn hoofd hangen. Waarom blijf ik mezelf toch zo zien? De onrust is terug. Ik ga een stukje verderop staan. Blijf heen en weer lopen. Werp een blik op de klok. Tien uur. Met mijn ogen tast ik alle gezichten in mijn omgeving af. Eindelijk zie ik haar aan komen lopen.
‘Dag Janna. Fijn dat je me wilde spreken.’ Fenna’s pientere ogen nemen me op.
‘Ik weet nog niet of ik hier goed aan doe.’
‘Je zult er in ieder geval niet slechter van worden.’
‘Ook dat weet ik niet.’
‘Hoe gaat het met je?’
‘Goed, hoor.’
‘Is dat waar? Gaat het goed met je?’ Ze blijft me aankijken. Zegt niets.
Mijn ogen vluchten naar de grond. Met de punten van mijn laarzen schuif ik een verloren treinkaartje heen en weer. Met moeite slik ik de taaie brok door die opeens in mijn keel zit. Het is lang geleden dat iemand echt gevraagd heeft hoe het met me ging. En wachtte op een antwoord.
‘Zullen we een kop koffie gaan drinken?’ Haar stem, opvallend laag voor een vrouwenstem, klinkt zo begripvol dat ik niets anders kan doen dan stom knikken. Ik laat mijn ogen even over haar gezicht flitsen en zie tot mijn opluchting dat ze niet meer op mij let.
Als we een tafeltje gevonden hebben en er twee grote koppen cappuccino voor ons neergezet zijn, steekt Fenna van wal. ‘Ik doe onderzoek naar uithuisplaatsingen en iemand tipte mij dat jij hier ook mee te maken hebt gehad.’
‘Wie was dat?’ Het komt vreemd op me over dat ik dik een halfjaar nadat Fleur bij me weggehaald is door iemand genoemd zou worden.
‘Dat doet niet ter zake. Hij gaf aan dat er verkeerde stappen zijn ondernomen.’
‘Hij?’ Ilse vervaagt.
‘Je bent niet de enige die dit meemaakt. Sinds ik in deze materie gedoken ben, krijg ik echt hele schrijnende verhalen te horen.’
‘Onterechte uithuisplaatsingen,’ mompel ik voor me uit.
‘Het gebeurt vaker dan je beseft. En soms op manieren die je in de zwartste scenario’s nooit had kunnen schetsen.’
Ik zwijg. Op een of andere manier doet het me niets. Er is maar één kind belangrijk.
‘Ik heb een aantal mensen gesproken. Kennelijk kan het zomaar gebeuren.’
‘Vertel mij wat.’
‘Waar ik nog meer van geschrokken ben is de nieuwe wetgeving op dit gebied. Een lid van de Tweede Kamer heeft mij alle informatie doorgegeven. Ze wil dat dit bekend wordt, maar ze is zelf niet bij machte om er iets aan te veranderen, behalve steeds weer kritische vragen stellen. Zij is gebonden aan politieke restricties.’
‘De politiek?’
‘Ja, die nieuwe wet maakt het allemaal nog erger. Ze wil dat er ingegrepen wordt.’
Het lijkt alsof mijn lichaam in wisselbaden van achterdocht en hoop gedoopt wordt. Wat willen ze van me?
‘Waarom zoek je contact met mij?’
‘Hoe meer mensen hun verhaal vertellen, hoe duidelijker het wordt dat het niet om een enkeling gaat. Het is een structureel probleem. De jeugdzorg handelt uit angst. Het stomme is dat het niet meer zozeer gaat om de kinderen, maar eerder om hun eigen hachje. Ze grijpen steeds vaker in terwijl nog niet eens duidelijk is of er echt iets mis is. Jeugdzorg doet nauwelijks aan waarheidsvinding. Ze volgen de makkelijkst begaanbare weg en luisteren naar mensen die uit zijn op wraak, of die een dik netwerk achter zich hebben. Niet naar mensen die zwartgemaakt worden en de kracht niet meer hebben om te vechten.’
Ik zie dat het schuim van mijn cappuccino begint te verschrompelen. Geen kracht om te vechten. Ik heb alles laten gebeuren, lamgeslagen door de overmacht aan connecties uit Rodericks netwerk. Het gaat over mij.
Ik kijk naar de onbekende vrouw tegenover me die ineens in mijn leven ingrijpt. Die me een hand toesteekt terwijl ik bezig was te verzuipen. Ze kent me niet en toch is ze dichterbij dan al die mensen die ooit aangaven er voor me te zijn. Heb ik dat in dat ene ogenblik gezien? Haar kraaienpootjes die zich probeerden te verbergen achter het grappige uilenbrilletje, terwijl haar ogen toonden dat ze genoeg van het leven gezien had om te weten wat er te halen was. Aan haar handen is geen enkele ring te bekennen. Zou ze zelf kinderen hebben?
Fenna gaat verder met haar relaas. ‘Uit tijdsgebrek of tekort aan personeel doen ze niet of veel te weinig aan controle. Eerst het kind uit huis, alsof hun eigen belang vooropstaat. De angst dat ze te laat kunnen zijn wordt eerst afgedekt, daarna gaan ze pas nadenken. Maar dan is het leed al geschied. Niet alleen voor de moeder, ook voor het kind.’
We kijken elkaar aan. Ik zie een compassie in haar ogen die ik vroeger bij Ilse zag toen we nog vriendinnen waren. Betrokkenheid tussen twee mensen blijft bijzonder. De rimpel tussen haar wenkbrauwen is verdwenen.
‘Ik ben op zoek naar meer mensen die hun ervaringen willen vertellen, zodat ik mijn artikel kan versterken met praktijkervaringen. Er bestaat een groep moeders die elkaar steunen in de strijd tegen dit onrecht. Vaak hebben ze heel wat meegemaakt en ze willen nu andere slachtoffers helpen om een nieuwe start te maken.’ Ik zie haar lippen verzachten. Haar mond wordt breder en krult licht omhoog. ‘Je doet het, hè?’
Het is lang geleden dat ik een lach diep vanbinnen voelde komen. Normaal moet vertrouwen groeien, maar bij deze vrouw merk ik dat het er zomaar is. Ze veroordeelt me niet, terwijl juist zij moet weten wat er allemaal gebeurd is.
‘Wat doe ik?’ Er is zelfs een plagerig toontje dat mijn stem laat buigen.
‘Meewerken. Misschien zelfs een keer meegaan naar zo’n vrouwenbijeenkomst.’
‘Weet je wel wat er allemaal in mijn leven gebeurd is?’
Fenna knikt. ‘Juist daarom.’ Het simpele antwoord doet het ’m.
‘Ik voel me vereerd.’
Haar hand pakt de mijne. ‘Ik ook. Zou je me willen vertellen hoe het zover is gekomen?’
De opwelling om mijn hand weg te trekken kan ik niet onderdrukken. Om mezelf een houding te geven strijk ik mijn haren naar achteren. Daarna leg ik mijn handen op mijn knieën en ik grijp mezelf vast. Niet vallen, blijf overeind. Ik schraap mijn keel, maar de woorden blijven in een taaie brok steken.
‘Goed, dan zal ik beginnen. Gisteren was ik in gesprek met Gabrielle,’ begint Fenna.
Mijn greep vermindert in kracht. Ik luister.
‘Gabrielle is al jong moeder geworden. Toen ze ontdekte dat ze zwanger was van een tweede, liet de vader van het kind haar in de steek. De dag dat ze moet bevallen past een vriendin op haar zoontje, dat hebben ze van tevoren zo afgesproken.’
Fenna schraapt haar keel. Ik voel dat het met dit kind fout moet zijn gelopen. Mijn mond is ineens droog.
‘Terwijl de moeder in het ziekenhuis ligt te bevallen, halen de grootouders het zoontje op bij die vriendin. Ze bellen acuut de kinderbescherming en zeggen dat hun dochter haar kind alleen heeft gelaten.’
‘Maar die vriendin kan toch…’
‘Dat is het nou net. Er wordt niet aan waarheidsvinding gedaan, niemand heeft iets nagevraagd. Jeugdzorg gelooft de grootouders en het kind wordt uit huis geplaatst. De grootouders worden zelfs dankbaar geaccepteerd als pleeggezin.’
‘Doordat er nog steeds een groot tekort is?’
‘Inderdaad. Jeugdzorg is allang blij als iemand zich hiervoor aanbiedt. En al helemaal als het ook nog familie is.’
‘Hoe kunnen de ouders van die vrouw dat zomaar doen? Het is hun eigen dochter.’
‘Daar kom ik nu op.’
Ik zie dat haar handen zich tot vuisten ballen. Het roept angst bij me op tot ik mezelf voorhoud dat ze niet voor mij bestemd zijn.
‘Het oudste kind wordt dus bij opa en oma geplaatst. Gelukkig mag Gabrielle de baby voorlopig bij zich houden. Opa heeft een advocaat in de arm genomen. Dat is makkelijk te regelen, want hij was zelf werkzaam bij justitie. En aangezien een collega nooit tegen hem zal getuigen, zit opa dus safe.’
Ik kan niet anders dan ademloos luisteren.
‘Dit is al enige tijd geleden gebeurd. Het wordt nog gekker, want de laatste tijd gaat het zoontje steeds vaker naar hun andere dochter, de zus van Gabrielle. Wat blijkt nou: die zus is netjes getrouwd, maar kan geen kinderen krijgen.’
‘O, nee.’ Het is opeens duidelijk wat er verder is gebeurd.
‘Ja, helaas is het zo. Op dit moment brengen de grootouders hun kleinzoon bijna elk weekend naar die zus. Ze vinden dat de getrouwde dochter meer recht heeft op een kind. Bovendien is het niet goed voor het kind om op te groeien in een gebroken gezin.’
‘Wat afschuwelijk,’ zeg ik zacht.
‘Ja, je bent niet het enige slachtoffer.’
‘En nu?’
‘Ik vertelde net over die nieuwe wet. Niemand schijnt te zien wat dit voor gevolgen kan hebben. Het zorgt in feite voor een verkapte adoptiemarkt. In die wet staat beschreven dat als een pleeggezin een jaar voor een kind zorgt, de voogdij over het kind heeft gekregen, en er geen vooruitzicht is op een verbetering van het gedrag van de biologische ouders, er adoptie aangevraagd kan worden.’
‘Een jaar? Maar dan is Gabrielle haar zoontje definitief kwijt,’ vul ik het doemscenario aan.
‘Inderdaad.’
‘Maar dat kan toch niet? Ze kunnen een kind toch niet zomaar ter adoptie aanbieden?’
‘Die wet maakt dat nu dus mogelijk.’
‘Hoe kan het dat die wet is aangenomen?’ De verbijsterende waarheid dringt nu tot me door.
‘Het heeft weinig zin om daarover na te denken. We moeten de wet aan de kaak stellen en laten zien welke gevolgen het kan hebben. Ik heb al zo veel verhalen gehoord. Het een nog schrijnender dan het ander. De vrouwen die ik noemde hebben zich ten doel gesteld hiertegen te vechten. Samen zijn ze sterker dan alleen.’
Een soort slachtofferhulp. Het idee spreekt niet direct aan, maar toch laat het gevoel dat ik niet alleen sta tegenover al die machtige netwerken, mijn schouders langzaam naar beneden zakken.
‘Bij deze groep heeft zich ook een vrouw aangesloten die zowat op de grens met Duitsland woont,’ gaat Fenna verder. ‘Deze vrouw werkt in Duitsland en heeft daardoor gekozen voor een Duitse huisarts, waardoor haar kind ook daar wordt ingeënt. Het Nederlandse consultatiebureau constateert hierdoor dat de baby geen vaccinaties krijgt. Normaal geen probleem, tot iemand kwaad wil. Haar ex-man geeft door dat de alleenstaande moeder haar baby verwaarloost. Gevolg? Haar kind wordt uit huis geplaatst, terwijl een controle al dat leed had kunnen voorkomen.’ Fenna’s stem schiet omhoog van opgewonden kwaadheid.
‘De meeste mensen zullen zeggen dat dit onmogelijk is,’ merk ik op. ‘Ze kunnen zich niet voorstellen dat dit werkelijk gebeurt. Ze zullen zich afvragen of die moeder wel echt zo onschuldig is als ze zegt. Waar rook is, is vuur. Een oordeel is snel geveld.’ Ik zeg het meer tegen mezelf dan tegen de vrouw tegenover me.
Het is bijna niet op te brengen om terug te denken aan de beschuldiging van de moord op Roderick. Net als aan de insinuaties dat ik Fleur mishandeld zou hebben. Als ik daar echt bij stil blijf staan, rukt het mijn hart uit mijn borstkas. Ik ben veroordeeld door de opinie van mensen om me heen. Zelfs Ilse twijfelt, ook al zal ze dat niet hardop zeggen, toch zag ik het aan haar.
Het meest verwarrende is echter dat ik zelf ook niets meer zeker weet. De gaten in mijn geheugen zijn groter dan de zekerheid van mijn onschuld. Er zitten beelden in mijn hoofd waarvan ik niet weet of ze waanbeelden zijn of werkelijkheid. Dat maakt me bang. Soms vraag ik me af of ik het echt niet gedaan heb. Ben ik wel zo onschuldig als ik steeds aangeef? Die onzekerheid knaagt op dit moment aan mijn zenuwen. Het enige wat ik kan doen om mezelf overeind te houden is keihard te blijven geloven dat ik geen moordenaar ben. En dat ik al helemaal nooit mijn eigen lieve Fleur pijn zou kunnen doen. Dat kan ik niet. Toch?
‘Wil je me nu vertellen wat er met jou gebeurd is?’
Terwijl Fenna me aan blijft kijken, diept ze uit haar tas een chocoladereep op. ‘Hier, neem een stukje. Het helpt. Ik heb het ook nodig.’
De bittere smaak laat mijn speeksel toeschieten en langzaam verspreidt een vettige zoetheid over mijn tong en gehemelte. De vastgezette ellende in mijn hart smelt mee. Ik sluit mijn ogen, hoor het geroezemoes in het café naar de achtergrond verdwijnen, en proef een herkenning die me terugbrengt naar het moment waarop mijn leven letterlijk even stilstond.