20
De afspraak met John liep vreselijk uit. Hij bleef maar vragen stellen over de regelingen die in het door mij opgestelde rapport staan. Het verdedigen van de groep lagere werknemers lijkt moeilijker dan het regelen van een extra bonus voor het hogere personeelssegment. Ik ben dan ook hondsmoe als ik eindelijk met Fleur thuiskom. Ze kan meteen door naar bed. De slaapkamer van Fleur gloeit vuilroze onder het peertje dat nog steeds kaal aan het plafond hangt. Ik kom nergens aan toe; mijn todolijstje groeit alleen maar.
Mijn maag vraagt niet eens om eten, die tijd is allang verstreken. Er is niemand om taken over te nemen. Niemand die zegt: ‘Ga jij maar zitten, dat doe ik wel even.’ De woning is één groot stofnest. Bovendien is het vervuild door stapels genegeerde rekeningen en stoelen vol onopgeruimde kleren.
‘Heb je fijn met Dennis gespeeld?’ Ik doe mijn best nog even aandacht te hebben, voor ik mijn luie kuil in de bank ga innemen.
‘Hij sliep.’ Fleur pakt haar beer en sluit hem in haar armen.
‘Hoe kan dat nou? Jullie kwamen toch van de bso?’
‘Dennis was ziek,’ klinkt het slaperig.
‘Wat vervelend. Ik zal morgen wel even bellen hoe het met hem is.’ Ik geef een kusje op haar neus. ‘Welterusten.’
‘Hij woont in een huis aan het water.’
Met de deurkruk in de hand draai ik me om. ‘Aan het water? Nee, lieverd, Dennis woont aan een plein, bij een speeltuintje.’
‘Ik bedoel pappa. Slaap lekker.’
Mijn adem stokt en ik staar naar het hoopje mens dat opgekruld ligt onder het Sesamstraatdekbed. Ze is bij Roderick geweest, weet ik opeens zeker.
Mijn voet tikt in een hoog ritme tegen de leuning. Volgens de groene cijfertjes van de dvd-speler zit ik het al anderhalf uur uit te stellen. Ik weet dat ik Ilse moet bellen. Ze is me een verklaring schuldig. Ik ben echter zo kwaad dat ik me afvraag of ik het niet beter uit kan stellen. Het vreet aan me dat mijn vertrouwen in Ilse zo compleet onderuitgehaald is.
De wodka brandt door mijn slokdarm, maar verder ben ik ijskoud. Iedereen lijkt me tegen te werken. Bram behandelt me als een klein kind dat na de bel binnenkomt, terwijl ik bijna elke avond tot diep in de nacht aan voorstellen, rapporten en vergaderverslagen heb gewerkt. Ik heb rekenmodellen aangevraagd, ambtelijke stukken doorgenomen en alles samengevat in een overzichtelijk verslag. Straks gaat hij ook nog twijfelen aan mijn geschiktheid voor de functie van onderdirecteur. Waarom regelt hij een afspraak om halfvijf? Hij moet toch weten dat ik als alleenstaand moeder mijn kind op moet halen?
En dan Ilse. Zíj is degene die altijd zit te schelden op Roderick. En nu geeft ze doodleuk mijn kind aan die eikel mee? Alleen maar omdat het haar toevallig beter uitkwam? Het is dat Fleur er toevallig iets over zei, anders had ik het niet eens geweten. Het voelt alsof ik buitengesloten word van een spelletje waarvan Fleur de inzet is. ‘Doe jij de blinddoek maar om, Janna, dan verstoppen wij Fleur wel.’
Ik wil Fleur niet belasten met vragen naar het hoe en waarom. Ik wil niet in haar ogen zien dat ze het leuk heeft gehad bij haar vader. Ben ik dan de enige die hem zo afschuwelijk haat dat ik hem van alles aan zou willen doen? Alles is zíjn schuld. Hij heeft me verrot geslagen en me uit zijn huis gezet. Hoe oneerlijk is het dan dat ik daarvoor gestraft word, terwijl hij met zijn rijke kont en een blond schoonheidsloeder in een prachtig grachtenpand zit? Bovendien heeft hij mijn auto ingepikt en als ik niet uitkijk pikt hij mijn dochter straks ook nog. Dat mag niet gebeuren!
Als ik opsta om de telefoon te pakken, grijpt een lichte duizeling me vast. Ik had moeten eten.
Ilse meldt zich op haar eigen manier. ‘Goedenavond. U stoort, want we zijn net lekker bezig.’
‘Waarom heb je Fleur naar Roderick gebracht?’ Ondanks mijn goede voornemen stoot ik de vraag direct naar buiten.
‘Shit, Janna. Kunnen we morgen niet even bellen?’
‘Je weet toch dat ik Fleur niet in de buurt van Roderick wil hebben?’
‘Dennis is ziek, het leek me niet leuk voor haar om…’
‘Niet leuk? En dan bel je Roderick op? Is dat wel leuk?’ Ik sta op van de bank en loop naar het raam. In het licht van de straatlantaarns zie ik regensluiers voorbijwaaien. Kil en waterkoud. Precies zoals ik me voel.
‘Goed, luister.’ Ik hoor gestommel op de achtergrond. ‘Ik heb Roderick helemaal niet gebeld. Toevallig kwam ik hem tegen en…’
‘Wat had hij bij de bso te zoeken?’
‘Geen idee, hij stond met Leyla te praten. Ik wilde snel naar huis, omdat Dennis ziek was. Roderick gaf aan dat Fleur wel met hem mee kon, Judith was thuis en zou dan op haar passen. Roderick moest zelf nog naar het werk, en dus zag ik er geen probleem in.’
‘Geen probleem? Zij is het nieuwe mokkel van Roderick!’ Ik kijk uit over de straat en zie de container, waarvan de klep steeds opnieuw tegen de metalen bak stoot. Een naargeestig ritme van vuil en armoede.
‘Ik begrijp best dat je met Roderick problemen hebt, maar Judith is best aardig. Ze bracht Fleur ’s avonds bij me langs.’
‘Fleur is míjn dochter.’
‘Natuurlijk, dat betwist ook niemand. Het kwam gewoon zo uit. Kijk het even aan. Het kan jouw leven ook makkelijker maken als Fleur af en toe naar haar vader kan. Nu zit je zo vast als een huis.’
‘Alsof híj mijn leven makkelijker zou kunnen maken. Onwaarschijnlijke combinatie.’
Het blijft stil aan de andere kant.
‘Je hebt het zelf steeds gezegd: mannen zijn eikels. Ben je soms van mening veranderd?’
Op de achtergrond hoor ik besmuikt gegiechel.
Kwaad verbreek ik het contact. Mooie vriendin, ze laat me in de steek op het moment dat ik haar het hardst nodig heb. Ik kruip weg in het hoekje van de bank. Waarom begrijpt Ilse me niet meer? Waarom laat iedereen me in de steek?
Na een werkdag die knijpend vol zat met taken, hol ik naar de fiets die ik voor weinig geld op de kop heb weten te tikken. Het regent. Ik moet nog flink doortrappen om op tijd bij de bso te zijn.
‘Mevrouw Bervoets, ik wil even met u praten,’ begint Leyla meteen als ik binnen kom stappen. Alsof ze op me gewacht heeft.
‘Allereerst heet ik nu Van Dongen en ten tweede ben ik ruim op tijd.’ Ik kijk op mijn horloge. Oké, iets overdreven, maar sluitingstijd is het nog niet.
‘Hebt u misschien even tijd om wat te bespreken? Ik maak me zorgen om Fleur.’
‘Is er iets met Fleur? Is ze ziek? Dennis was gister ook al…’
‘Nee, rustig maar,’ onderbreekt ze me snel. Ze duwt haar zware bril hoger op haar neus. ‘Fleur is in orde. Tenminste, ze is niet ziek. Kan ik uw jas aannemen?’ Ze gaat me voor naar het kantoortje en biedt me een stoel aan.
Dit voelt verkeerd en dus trek ik mijn natte jas wat dichter om me heen.
‘Ik heb het idee dat Fleur niet helemaal lekker in haar vel zit,’ begint Leyla. Haar ogen staan bezorgd. ‘Ik heb er na schooltijd even met juf Kim over gepraat.’
Ik knijp mijn lippen op elkaar. Geen woord van mij. Ze wil me uitlokken om aan te geven dat Fleur het moeilijk heeft met de scheiding. Mijn dochter heeft het alleen maar moeilijk met haar vader. Zie je wel, ze had nooit met die klootzak mee mogen gaan.
‘Ook juf Kim vindt dat Fleur stil is in de klas.’
‘Mijn dochter is een rustig meisje,’ pers ik naar buiten.
‘Ze speelt eigenlijk met niemand.’
‘Dennis is haar vriendje,’ breng ik er tegenin.
‘We maken ons zorgen om haar en het lijkt ons goed om hulp in te schakelen.’
Leyla zwijgt en kijkt me afwachtend aan. Wat wil ze dat ik zeg? Dat ze gelijk heeft? Dat ik me ook zorgen maak? Dat het fijn is dat ze mijn zorgen deelt? Mooi niet. Ik zal Fleur wat extra aandacht geven. Ik neem me voor om het komende weekend iets leuks met haar te gaan doen.
‘Kan ik nu naar Fleur?’ Ik maak aanstalten om op te staan.
‘Hebt u wel gehoord wat ik zei? Het gaat niet goed met uw dochter. Kunt u de zorg alleen wel aan?’
Denkt ze nou echt dat ik mijn persoonlijke problemen met haar wil bespreken? Alsof deze dikbebrilde snotneus mij kan helpen. Als ik maar eenmaal die promotie heb, en een mooi contract, dan zal er meer rust in mijn leven komen. En meer geld, ook niet vervelend. Het kost tijd om een nieuw evenwicht te vinden.
‘Ik heb hulp van vrienden,’ zeg ik terwijl ik mijn kin optil.
‘Dat is fijn. Ik ben ook blij dat uw man nog een steentje bijdraagt in de zorg.’
Door de kwaadheid reageer ik feller dan ik wil. ‘Dat was niet de afspraak. Ik haal voortaan zelf Fleur op en ik wil niet dat jullie haar aan iemand anders meegeven.’ Mijn stem klinkt pinniger dan ik wil, maar misschien dringt het dan in één keer tot haar door.
‘Fleur heeft een fantastische vader. Ik zie niet in waarom Fleur geen contact met hem kan hebben. Bovendien…’
‘Omdat ik dat niet wil,’ onderbreek ik haar snel.
‘Bovendien,’ gaat Leyla onverstoorbaar verder, ‘investeert hij in contact met haar leefwereld. Hij heeft hier laatst een middag meegeholpen om wat lastige klussen op te knappen. Zoals u weet benaderen we vaker ouders om wat hulp te bieden.’
De terechtwijzing komt aan. Hoe kan ik in vredesnaam tijd vrijmaken als ik al die andere ballen hoog te houden heb? Dan pas besef ik wat ze zegt. Roderick, klussen doen? Onmogelijk. Thuis kon hij nog geen hamer hanteren. Hooguit hameren op mijn lichaam, dat kon hij als de beste. Waar is Roderick mee bezig? Probeert hij mensen voor zich te winnen? Nog nooit heeft hij energie gestoken in de belevingswereld van zijn dochter. Het is gebleven bij wat onhandige pogingen.
Ik zie de afkeurende blik van Leyla. Die zal mij nooit geloven na mijn afwerende gedrag. Ik ben de zure ex. Dus zwijg ik.
‘Ik denk dat haar vader een goede invloed op Fleur heeft.’ Leyla neemt haar bril van haar neus en begint hem uitgebreid te poetsen.
‘Een goede invloed?’
‘In ieder geval is hij bezorgd om haar. Hij wees ons vandaag op wat blauwe plekken. Heeft Fleur zich gestoten?’ De vraag komt volkomen onverwachts.
‘Vandaag? Nee.’ Een te snelle reactie? ‘Ik, eh… Niet dat ik weet.’
‘Het is maar goed dat haar vader een oogje in het zeil houdt. Soms zijn dit soort blauwe plekken belangrijke aanwijzingen.’
Vandaag? Fleur is gisteren bij hem geweest. Mijn ademhaling gaat snel en blijft dan hangen in mijn keel. De woede maakt plaats voor verbijstering. Wat insinueert ze? Dat ik Fleur…?
‘Het zou goed zijn als u haar de komende tijd in de gaten houdt. Kinderen zijn kwetsbaar. Bovendien zijn ze solidair naar hun ouders. Ondervragen kan averechts werken.’ Ze zet haar bril op en glimlacht op een afschuwelijke manier. ‘Kom, dan gaan we Fleur halen.’
Ik loop beduusd voor haar uit. De verdachtmaking is duidelijk. Reken maar dat ik het in de gaten ga houden. Ben ik de enige die doorheeft welk spelletje Roderick speelt?