33

Als Els voor de deur staat heb ik de neiging om de parkeerplaats af te zoeken. Is ze alleen? Toch laat ik haar met een brede glimlach binnen. De klok wilde vandaag maar niet vooruit, en de kussens op de bank zijn zeker tien keer opgeschud.

‘Hoe gaat het met Fleur?’ is mijn eerste vraag.

‘Ze begint zich al aardig thuis te voelen.’

Ook al wil ik niets liever horen dan dat het goed met haar gaat, deze boodschap hakt erin. Ik bijt hard op mijn onderlip om een opmerking binnen te houden. Vandaag moet ik me beheersen, alleen Fleur is belangrijk.

‘Ik heb een verrassing voor haar,’ vertel ik met een opgewonden blijheid in me. ‘Wil je het zien?’

Zonder iets te zeggen volgt ze me naar Fleurs slaapkamer, die ik met een verwachtingsvol gevoel opengooi.

De slaapkamer straalt warmte uit. De roze muren worden zacht verlicht vanuit het raam waar witte vitrage op een sierlijke manier de harde randen afdekt. Nog geen roze hemeltje, maar wel een frisse dekbedhoes en kussentjes die ik bekleed heb met kroontjesstof. Het maakt van het bed een slaapplaats waar een maharadja zich niet voor zou hoeven schamen.

Ongeduldig wacht ik op het commentaar van Els. Ze lijkt alles goed in zich op te nemen.

‘Je hebt hard gewerkt,’ zegt ze uiteindelijk.

Dan loopt ze op de kleine koekoeksklok af, die ik grondig heb schoongepoetst. Wat kale plekken op het hout zijn de enige sporen van het straatleven van dit wandsieraad.

‘Een koekoek,’ zegt ze terwijl ze met haar vinger over de wijzerplaat strijkt. ‘Het is de enige vogel die zijn ei in het nest van een ander legt.’

Het duurt even voor de opmerking binnenkomt, maar daarna verschrompelt mijn trotse gevoel tot een pluisje. Ik draai me om en loop naar de woonkamer, waar ik mijn nagels diep in mijn handpalmen drijf om mezelf onder controle te houden. Nu een borrel, kan ik alleen maar denken.

Het bloed gonst nog steeds in mijn oren als Els terug komt lopen. ‘Een leuke meidenkamer,’ zegt ze alsof er niets aan de hand is.

Ik concentreer me op mijn handen. Voel de scherpe punt van mijn nagels. Wissel ze af om controle over mezelf te blijven houden, niet toe te geven aan de impuls om haar het huis uit te zetten.

‘Fleur heeft je gemist,’ zegt ze dan. Mijn nagels schieten los.

‘Heeft ze dat gezegd?’

‘Ja, ik ben er zonet nog even geweest om zeker te weten dat de afspraak duidelijk is. Als het goed is zit ze nu op ons kantoortje.’ Een korte blik op haar horloge.

‘Ik ben klaar om te gaan,’ geef ik direct aan. Alles in mijn lijf popelt om haar te zien, haar vast te houden, te knuffelen, te horen en te ruiken. Mijn Fleur. Straks is ze weer thuis.

Aan haar rijstijl is te zien dat ze dagelijks op de weg zit. Els reageert snel, voegt makkelijk in en aarzelt geen seconde als een grote Mercedes denkt voor te kunnen dringen. Els staat haar mannetje.

‘Ik heb Fleur ook gemist,’ zeg ik, een opening creërend nadat we al tien minuten zwijgend naast elkaar hebben gezeten.

‘Vanzelfsprekend, het is niet niks om op deze manier met Jeugdzorg te maken te krijgen.’ Ze kijkt me tersluiks aan. ‘Ik hoop dat je begrijpt dat het welzijn van kinderen ons aan het hart gaat.’

‘Dat begrijp ik.’ Het woordje ‘maar’ wat op mijn lippen brandt slik ik in.

‘Ik heb een paar keer meegemaakt dat ik te laks ben geweest.’ Ze stuurt de auto naar de linkerbaan. Er hangt iets in de auto dat een schuldgevoel benadert. Ik weet even niet of ik door moet vragen. Tegelijkertijd interesseert het me ook niet echt. Alleen Fleur is belangrijk.

‘Dat heeft invloed op het functioneren in een volgende zaak.’

Is ze nu bezig zichzelf in te dekken? Fleur en ik zijn geen ‘zaak’. ‘Dat kan ik me voorstellen,’ zeg ik mat.

Els zwijgt tot we de rotonde gepasseerd zijn.

‘Ik ben zo nieuwsgierig naar Fleurs reactie,’ zeg ik terwijl ik de blijdschap weer voel opbloeien. ‘Ze wilde zo graag een echte prinsessenkamer. Ik had het veel eerder op moeten pakken.’ Het was goed om de spullen van Horace aan te nemen. Ik weet zeker dat Fleur het direct met me eens zal zijn.

Els kijkt me even van opzij aan. ‘Je weet toch wel dat Fleur vandaag niet mee naar huis gaat?’

‘Niet?’ Weg is de roze wolk.

‘Heb je de brief niet gelezen? De rechter heeft niet voor niets besloten tot een gedwongen uithuisplaatsing. Er zijn heel wat dingen gebeurd, Janna. Je dochter zal voorlopig bij het pleeggezin blijven.’

‘Voorlopig?’ Ik probeer het woord te doorgronden, en er een termijn aan te verbinden, maar het lukt me niet. In mijn hoofd dansen begrippen door elkaar. Ik wist zeker dat ze vandaag mee naar huis zou gaan. ‘Twee weken. Dat zei je de vorige keer.’ Het gevoel geen adem te krijgen is opeens zo sterk dat ik het raampje in de portier open. De kille wind brengt echter geen verbetering.

‘Voorlopig mag je Fleur elke twee weken zien. Dat heb ik gezegd.’

‘Nee, je zei twee weken. Ik zou haar over twee weken weer zien. Fleur zou naar huis komen.’ Ik voel de verwarring die de woorden in me losmaken. Ook nu weer.

‘Dat kan ik nooit gezegd hebben, dan zou ik tegen het advies van de rechter in zijn gegaan.’

Els parkeert haar auto. Ik herken het gebouw waar ik voor het eerste gesprek ben geweest. Dan draait ze zich naar me toe. ‘De rechter heeft bepaald dat Fleur een jaar in een pleeggezin zal wonen. Je mag blij zijn dat we zo snel een geschikt gezin voor haar hebben gevonden, want dat is nog niet zo gemakkelijk in Utrecht.’ Dan stapt ze uit.

Blij? Een jaar? Waar heeft ze het over?

Alles is vergeten als ik Fleur in mijn armen klem. Het gevoel weer compleet te zijn overheerst alles. Ik wil haar voortdurend aanraken, maar als ik mijn neus in haar haren steek merk ik dat ze anders ruikt. Het schept een afstand die er niet hoort te zijn.

‘Hoe is het met je, lieverd? Zijn de Kramers goed voor je? Zijn er nog meer kinderen in huis? Heb je een eigen kamertje?’ De vragen rollen met een onstuitbare snelheid op haar af.

‘Het is er wel leuk,’ zegt ze slechts. Ze nestelt zich op mijn schoot en begint mijn haar om haar vinger te winden. Iets wat ze al sinds groep twee niet meer gedaan heeft.

‘Hé, er is een tand uit.’

Ze knikt en steekt haar vingers in haar mond.

‘Heb je ’m bewaard? Wel doen, hoor. Dan kunnen we hem in het tandendoosje stoppen.’

‘Tante Ank heeft hem.’

Ik streel door haar haren en trek haar opnieuw tegen me aan. Wat heb ik dit gemist. Dat zachte, kleine lijfje. Mijn meisje. Hoe kunnen ze in vredesnaam denken dat ik niet goed voor haar zou zorgen. Ik werp een tersluikse blik opzij en zie Els in een tijdschrift bladeren. Waarom ziet ze nu niet hoe Fleur op mij reageert? Daaraan moet ze toch kunnen zien dat we bij elkaar horen?

‘Ik heb je slaapkamer opgeknapt,’ fluister ik in Fleurs oor.

‘Echt?’ Zelfs Els kijkt van haar leesvoer op.

Ik knik en vertel precies hoe het er nu uitziet.

‘Hoe lang moet ik nog logeren?’

Mijn keel knijpt dicht. Ik zou haar nu mee willen nemen. In haar prinsessenbed willen leggen. Zelfs ontvoeren. Alles om maar voor altijd weer bij haar te zijn.

‘Ik weet het niet precies,’ lieg ik terwijl er een waas voor mijn ogen zit.

‘Tante Ank zei dat ik een hele lange tijd bij hun zou wonen.’ Haar prachtige ogen ontroeren me. Nooit zal ik dingen zeggen waardoor er pijn in haar ogen te zien zal zijn.

‘Misschien heeft tante Ank daar wel gelijk in,’ fluister ik omdat mijn stem geen geluid voort kan brengen.

‘Moet jij veel werken dan?’

‘O, nee. Mijn werk is niet zo belangrijk als jij. Ik zou willen dat…’ De rest slik ik in. ‘Zullen we de volgende keer iets leuks gaan doen? Wat zou je graag willen?’

‘Ik wil graag vogels kijken. Kan dat?’

‘Ik zal het overleggen, lieverd. Oké?’

Stil zitten we tegen elkaar aan. Ik voel haar hartje stevig slaan, haar vingers kroelen en ik voel het verdriet dieper worden dan ooit tevoren nu ik besef dat ik dit in de komende tijd zal moeten missen.

Ik trek haar dicht tegen me aan en pak een boekje. Hier heb ik tijd voor dat soort dingen. Ik zit al zeker tien minuten voor te lezen als Fleur overeind gaat zitten. Ik zie een denkrimpel tussen haar rossige wenkbrauwen. Heeft ze al die tijd na zitten denken terwijl ik dacht dat ze ademloos toeluisterde?

‘Mamma? Waarom komt pappa wel bij me en jij niet?’

Het is donker in de kamer, ik zie slechts de contouren van mijn leefwereld. Mijn geest is leeg, mijn lichaam koud, alleen de woede is springlevend. Mijn hele lijf lijkt te bestaan uit die borrelende kwaadheid.

Els heeft me in de auto gewoon laten razen. Haar antwoorden waren kort en zonder enige informatie. ‘Voor zover ik weet…’ afgewisseld met ‘Dat zal ik moeten navragen…’ Geen enkele informatie. Zelfs toen ik haar confronteerde met het contact dat zij en Roderick moeten hebben, gaf ze aan dat ‘er alleen maar sprake is van een zakelijke relatie met haar cliënt.’ Haar gezicht stond hierbij zo onbewogen dat ik haar bijna ging geloven.

Zie ik dingen die er niet zijn, vraag ik me die avond voor de zoveelste keer af. Is mijn waarnemingsvermogen vertroebeld door het verdriet en de vermoeidheid? Was het wel mijn cabrio waar Els die dag instapte? Zat Roderick aan het stuur?

Vanavond ga ik me bezuipen.

‘Wie houdt me tegen? Hè? Nou, wie?’ Ik gooi mijn armen in de lucht terwijl ik mijn vragen aan de muren stel.

Ik word aan alle kanten genaaid of in de steek gelaten. De hele wereld is tegen me en ik kan me alleen maar afvragen of ik daar zelf een aandeel in heb. Mijn bankrekening is één groot gat waarin het geld volkomen zoekraakt. Bedragen worden afgeschreven terwijl ik geen idee heb waarvoor ik in vredesnaam betaal. Er zijn afschrijvingen van kledingwinkels waar ik naar mijn weten niets gekocht heb. De rekeningen die ik wel thuis kan brengen stapelen zich op, omdat de limiet ruim voordat mijn salaris gestort moet worden is bereikt. Zodra mijn geld binnen is pin ik wat, zodat ik in ieder geval eten kan kopen. De huur is deze maand nog niet betaald en ik heb geen idee waar ik geld vandaan moet halen om dat op te lossen.

Nog nooit in mijn leven heb ik me met financiële zaken bezig moeten houden. Het ligt me niet. Roderick heeft dat altijd gedaan en dat beviel me uitstekend. Nu krijg ik te maken met de consequenties van dat gemakzuchtige gedrag. Belastingen? Beleggingen? Spaartegoeden? Ik begrijp er nauwelijks iets van, hoewel de bedragen duidelijk aangeven dat er in de afgelopen tijd meer uitgegaan is dan dat er inkomt.

Maar deze geldproblemen vallen in het niet bij de woorden van Fleur. Wat deed Roderick in het huis van de pleegouders? Waarom is hij opeens geïnteresseerd in zijn dochter? En hoe zit het met het contact tussen Els en Roderick? Ik heb ze toch samen gezien in dat café? Of ben ik gek? Zie ik samenzweringen die er niet zijn?

Opeens bevind ik me in Fleurs kamertje. Alles glimt roze. Mijn ogen blijven haken aan de koekoeksklok, de enige vogel die haar ei in het nest van een ander legt. De woorden maken me radeloos kwaad. Niemand mag dit soort dingen tegen me zeggen.

Ik grijp een kussen en sla om me heen. De klok krijgt een klap, piept onduidelijk, maar blijft standvastig hangen.

‘Ik ben geen koekoek!’ huil ik dan. ‘Fleur is mijn vogeltje.’ Ik demp mijn verdriet in het kussen tot ik bijna stik. Dan mik ik het kussen in een hoek van de kamer en gooi de deur met een klap dicht.

Met grote passen loop ik naar de keuken om een nieuwe fles wodka te halen. Er gebeuren allemaal dingen die niet kloppen. Mijn leven is één grote chaos, waarin niets meer duidelijk is. Ik weet wie de grote schuldige is. Roderick maakt zijn dreigement meer dan waar. Hij is degene die mijn leven zuur maakt, die ervoor gezorgd heeft dat ik mijn kind kwijt ben. Hij zit hier achter.

Wat drijft hem? Wat speelt er nog meer behalve wraak omdat ik hem op straat zwart heb gemaakt? Dat kan toch niet zijn enige beweegreden zijn? Er moet meer spelen. Zaken waar ik geen weet van heb, en waar Fleur de dupe van is geworden. Dat eerste is niet zo belangrijk, maar dat tweede mag ik nooit toelaten. Ik heb beloofd dat ik Fleur zal beschermen, wat er ook voor nodig is. Dus dat ga ik doen. Ik moet hem tegenhouden, zelfs als ik hem daarvoor om zal moeten brengen.

Pas als de intentie hiervan tot me doordringt, schrik ik van het enorm kille gevoel dat zich genesteld heeft op de plek waar mijn warme hart hoort te kloppen.