Heeft religie niet al die duizenden jaren lang een patent op schepping opgeeist?

'Het Tleilaxu vraagstuk' uit: Muad'Dib spreekt

De lucht van Tleilax was glashelder, in de greep van een bewegingsloosheid die deels was toe te schrijven aan de ochtendkilte en deels aan een gevoel van angstig weggedoken zitten, alsof het leven daar in de stad Bandalong lag ai: te wachten, een haastig en hunkerend leven dat pas in beweging zou komen als het van hem persoonlijk een teken kreeg. De Mahai, Tylwyth Waff, Meester der Meesters, genoot meer van dit uur dan van enig ander uur van de dag. De stad was helemaal van hem nu hij uit zijn open raam keek. Bandalong zou slechts op zijn bevel tot leven komen. Dit hield hij zichzelf voor. De angst die hij daarginds kon voelen was zijn greep op elke realiteit die uit die broedbak van leven zou kunnen ontstaan: de Tleilaxu beschaving die hier zijn oorsprong had gevonden en vervolgens zijn macht wijd en zijd had verspreid.

Ze hadden duizenden jaren op dit tijdstip gewacht, zijn volk. Waff genoot nu van het moment. Tijdens de hele kwalijke periode van de Profeet Leto 11 (niet God-Keizer maar Gods Boodschapper), tijdens de hele Grote Hongersnood en de Verstrooiing, tijdens elke pijnlijke nederlaag toegebracht door mindere wezens, tijdens die hele lijdensweg hadden de Tleilaxu geduldig hun macht opgebouwd voor dit moment.

Wij hebben ons moment bereikt, o Profeet!

De stad die onder zijn hoge raam lag zag hij als een symbool, een krachtig stempel op de bladzijde van Tleilaxu makelij. Andere Tleilaxu planeten, andere grote steden, onderling verbonden, onderling afhankelijk, en met als middelpunt trouw aan zijn God en zijn stad, wachtten op het sein dat zoals allen wisten nu spoedig moest komen. De tweeledige macht van gelaatsdansers en Masheikh had beider krachten gebundeld ter voorbereiding van de kosmische sprong. De millennia van wachten waren nu bijna afgelopen.

Waff noemde het in zijn gedachten 'het lange begin'.

Ja. Hij knikte voor zich heen terwijl hij naar de weggedoken stad keek. Vanaf de geboorte ervan, vanaf dat oneindig kleine greintje van een idee, hadden Bene Tleilax leiders begrepen dat er gevaren vastzaten aan een zo uitgebreid, zo langdurig, zo ingewikkeld en zo verfijnd plan. Ze hadden geweten dat ze telkens weer bijna-rampen zouden moeten overwinnen, dat ze moorddadige verliezen zouden moeten aanvaarden, vernederingen en onderwerpingen. Al deze dingen en nog veel meer, waren gebruikt om een bepaald beeld van de Bene Tleilax op te bouwen. Met al die millennia van doen alsof hadden ze een mythe geschapen.

'De walgelijke, verfoeilijke, smerige Tleilaxu! De stomme Tleilaxu! De voorspelbare Tleilaxu! De onstuimige Tleilaxu!'

Zelfs de ondergeschikten van de Profeet waren ten prooi gevallen aan deze mythe. Een gevangen genomen Visspreker had hier in deze zelfde kamer gestaan en had tegen een Tleilaxu Meester geroepen: 'Lang doen alsof schept een werkelijkheid! Jullie zijn waarlijk walgelijk!' En dus hadden ze haar gedood en de Profeet deed niets.

Wat begrepen die uitheemse werelden en mensen toch weinig van de Tleilaxu terughoudendheid. Onstuimigheid? Daar moesten ze nog maar eens over nadenken als de Bene Tleilax eenmaal had laten zien hoeveel millennia zij op haar klim naar de top had kunnen wachten.

'Spannungsbogen!'

Waff liet het oeroude woord over zijn tong rollen: De boog-kromming! Hoe ver je de boog krom trekt alvorens je pijl los te laten. Deze pijl zou diep in zijn doel doordringen!

'De Masheikh hebben langer gewacht dan enig ander,' fluisterde Waff. Hier in het bolwerk van zijn toren durfde hij het woord wel hardop uit te spreken: 'Masheikh.'

De daken in de diepte onder hem glinsterden toen de zon hoger kwam. Hij kon het leven in de stad op gang horen komen. De bitterzoete geuren van Tleilax dreven op de lucht zijn raam binnen. Waff snoof ze diep op en sloot zijn raam.

Hij voelde zich herboren door zijn moment van eenzaam gadeslaan. Hij keerde het raam zijn rug toe en trok de witte khilat mantel aan, het teken van zijn waardigheid waarvoor alle Domei werktuiglijk bogen. Zijn kleine lijf werd volledig door de mantel bedekt waardoor hij duidelijk het gevoel kreeg dat die waarlijk een wapenrusting was.

De wapenrusting van God!

'Wij zijn het volk van de Yaghist,' had hij zijn raadsleden gisteravond nog voorgehouden. 'Al het overige is grensgebied. Wij hebben al deze duizenden jaren lang de mythe van onze zwakte en onze kwalijke praktijken gevoed met slechts een doel voor ogen. Zelfs de Bene Gesserit gelooft erin!'

Gezeten in de diepe, raamloze sagra met zijn non-ruimtepantser, hadden zijn negen raadsleden glimlachend hun stilzwijgende waardering voor zijn woorden geuit. In het gericht van de ghufran wisten ze. Het toneel waarop de Tleilaxu hun eigen lot bepaalden was altijd de Kehl geweest met zijn recht van ghufran.

Het was passend dat zelfs Waff, de machtigste van alle Tleilaxu, niet zijn wereld kon verlaten en weer toegelaten worden zonder zich te vernederen in de ghufran, om vergeving te vragen voor zijn contact met de onvoorstelbare zonden van vreemden. Verkeren te midden van de powindah kon zelfs de machtigsten bezoedelen. De Khasadars, die langs alle Tleilaxu grenzen patrouilleerden en de selamliks van de vrouwen bewaakten, hadden gelijk dat ze zelfs Waff wantrouwden. Hij was van het volk en de Kehl, ja zeker, maar iedere keer dat hij het hartland verliet en weer terugkeerde moest hij dat bewijzen, en zeker iedere keer dat hij de selamlik betrad voor het verspreiden van zijn zaad.

Waff liep naar de lange spiegel en bekeek zichzelf en zijn mantel. Voor de powindahs zag hij er, met zijn amper anderhalve meter lengte, uit als een kabouter, wist hij. Zijn ogen, zijn haar en zijn huid hadden allemaal een verschillende tint grijs en vormden samen een toneel voor het ovale gezicht met de kleine mond met zijn rij scherpe tanden. Een gelaatsdanser zou zijn trekken en zijn houding kunnen nabootsen, zou kunnen veinzen op bevel van een Masheikh, maar geen enkele Masheikh of Khasadar zou zich om de tuin laten leiden. Alleen de powindahs zouden zich laten beetnemen.

Met uitzondering van de Bene Gesserit!

Deze gedachte bracht een frons op zijn gezicht. Nu ja, de heksen hadden nog geen kennis gemaakt met een van de nieuwe gelaatsdansers.

Geen enkel ander volk heeft de genetische taal zo goed leren beheersen als de Bene Tleilax, hield hij zichzelf voor. Het is heel goed dat we hem 'de taal van God' noemen, want God Zelf heeft ons deze grote macht gegeven.

Waff liep naar de deur en wachtte op de ochtendbel. De rijkdom aan gevoelens die nu door hem heen ging was op geen enkele manier te beschrijven, bedacht hij. De tijd ontvouwde zich voor hem. Hij vroeg zich niet af waarom de ware boodschap van de Profeet alleen door de Bene Tleilax was gehoord. Dat was Gods beslissing en daarin was de Profeet de Hand van God geweest, waardoor hij als Boodschapper van God hun eerbied waard was.

Gij hebt hen op ons voorbereid, o Profeet.

En de ghola op Gammu, deze ghola op dit tijdstip, was al het wachten waard.

De ochtendbel klingelde en Waff stapte de gang in, draaide zich om samen met andere in het wit geklede gestaltes die naar buiten kwamen en liep het oostelijke balkon op om de zon te begroeten. Als de Mahai en Abdl van zijn volk kon hij zich nu identificeren met alle Tleilaxu.

Wij zijn de wetsgeleerden van de Shariat, de laatsten van onze soort in het heelal.

Nergens buiten de geheime kamers van zijn malik-broeders kon hij zo'n geheim onthullen, maar hij wist dat het een gedachte was die nu door alle hoofden om hem heen speelde, en de uitwerking van die gedachte was in Masheikh, Domei en gelaatsdanser gelijkelijk zichtbaar. De paradox van verwantschap en het gevoel van maatschappelijke gelijkheid dat van Masheikh tot de nederigste Domei de hele Kehl doordrong, was voor Waff helemaal geen paradox.

We werken voor dezelfde God.

Een als Domei vermomde gelaatsdanser had met een buiging de balkondeuren geopend. Waff stapte met zijn vele metgezellen dicht om zich heen het zonlicht in en lachte toen hij de gelaatsdanser herkende. Een Domei nog wel! Het was een verwanten grap maar gelaatsdansers waren geen verwanten. Zij waren maaksels, werktuigen, zoals de ghola op Gammu een werktuig was, allemaal ontworpen met de taal van God die alleen Masheikh spraken.

Met de anderen die dicht om hem heen dromden bracht Waff hulde aan de zon. Hij liet de roep van de Abdl horen en hoorde die weerkaatst door ontelbare stemmen vanuit de verste hoeken van de stad.

'De zon is God niet!' riep hij.

Nee, de zon was slechts een symbool van Gods oneindige macht en genade - ook een maaksel, een werktuig. Nu hij zich gereinigd voelde door de ghufran die hij de vorige avond had ondergaan en herboren door het ochtendritueel, kon Waff nadenken over de verre reis naar powindah oorden vanwaar hij kortgeleden was teruggekeerd en die ghufran noodzakelijk had gemaakt. Andere aanbidders weken voor hem opzij toen hij terugliep naar de binnen gangen en daar de glijbaan binnenstapte die hem omlaag bracht naar de centrale tuin waar zijn raadsleden hem op zijn verzoek zouden treffen.

Het was een geslaagde strooptocht onder de powindah, dacht hij.

Iedere keer dat hij de binnenwerelden van de Bene Tleilax verliet, had Waff het gevoel dat hij op lashkar was, een krijger op zoek naar die uiterste wraak die door zijn volk in besloten kring Bodal werd genoemd (altijd met een hoofdletter en altijd het eerste ding dat in ghufran of Kehl bevestigd werd). Deze jongste lashkar was voortreffelijk geslaagd.

Waff stapte uit de glijbaan een centrale tuin binnen die door prismatische reflectoren op de omringende daken met zonlicht werd gevuld. Een kleine fontein speelde zijn visuele fuga in het hart van een rond grindperkje. Daarnaast lag een kort geschoren grasveld omsloten door een laag hekje van witte paaltjes, dicht genoeg bij de fontein om de lucht vochtig te houden, maar niet zo dichtbij dat het klaterende water een zacht gesprek zou storen. Rondom het grasperk stonden tien smalle banken van een antieke plasticsoort opgesteld - negen stuks in een halve kring tegenover de tiende bank die iets verder weg stond.

Waff bleef aan de rand van het grasperk om zich heen staan kijken en hij vroeg zich af waarom hij nooit eerder zo geweldig had genoten bij het zien van deze plek. Het materiaal van de banken was door en door donkerblauw. De leuningen van de banken en de plaatsen waar ontelbare achterwerken waren neergeplant, hadden door het eeuwenlange gebruik zachte rondingen gekregen, maar de kleur was op de afgesleten plaatsen even sterk als elders.

Waff nam plaats tegenover zijn negen raadsleden en rangschikte onderwijl de woorden die hij meende te moeten gebruiken. Het document dat hij van zijn laatste lashkar had meegebracht, in feite het eigenlijke doel van die hele tocht, had niet op een uitgelezener tijdstip in zijn bezit kunnen komen. Het opschrift en de inhoud bevatten een geweldige boodschap voor de Tleilaxu.

Uit een binnenzak haalde Waff de dunne stapel ridulisch kristalpapier te voorschijn. Hij zag de aandacht van zijn raadsleden verscherpen; negen gezichten gelijk aan dat van hem, Masheikhs van de binnenste Kehl. Op alle gezichten lag een verwachtingsvolle uitdrukking. Ze hadden dit document in Kehl gelezen: 'Het Atreides manifest'. Ze hadden een hele nacht nagedacht over de boodschap van het manifest. Nu moesten ze de woorden onder ogen zien. Waff legde het document op zijn schoot.

'Ik stel voor om deze woorden wijd en zijd te verbreiden,' zei Waff.

'Ongewijzigd?' Dat was Mirlat, de raadsheer die van hen allen het dichtst de overgang tot ghola naderde. Mirlat streefde ongetwijfeld naar Abdl en Mahai. Waff keek strak naar de brede kaken van de raadsheer waar door de eeuwen heen het kraakbeen zich had verdikt als een zichtbaar teken van de hoge ouderdom van zijn huidige lichaam.

'Precies zoals het ons in handen is gevallen,' zei Waff.

'Gevaarlijk,' zei Mirlat.

Waff draaide zijn hoofd naar rechts zodat zijn kinderlijke profiel zich tegen de fontein aftekende en voor zijn raadslieden goed te zien was. Gods hand is aan mijn rechterzij! De hemel boven zijn hoofd was van gepolijst kornalijn alsof Bandalong, de aller-oudste stad van de Tleilaxu, was gebouwd onder een van die reusachtige kunstmatige koepels die werden opgetrokken om pioniers op de hardvochtiger planeten te beschermen. Toen hij zijn blik weer op zijn raadslieden richtte, bleef Waffs gezicht uitdrukkingloos.

'Niet gevaarlijk voor ons,' zei hij.

'Dat is een kwestie van opvatting,' zei Mirlat.

'Laten we dan de opvattingen eens nader beschouwen,' zei Waff. 'Hebben we iets te vrezen van lx of van de Vissprekers? Absoluut niet. Wij hebben hen in onze macht, hoewel ze dat zelf niet weten.'

Waff liet dit even bezinken; ze wisten allemaal dat nieuwe gelaatsdansers deel uitmaakten van de hoogste raden van lx en Vissprekers zonder dat de verwisseling was opgemerkt.

'Het Gilde zal niet tegen ons in het geweer komen of ons weerstreven omdat wij hun enige betrouwbare bron van melange zijn,' zei Waff.

'Maar hoe zit het met die Achtenswaarde Matres die uit de Verstrooiing zijn teruggekeerd?' wilde Mirlat weten.

'Met hen rekenen we wel af als dat van ons gevergd wordt,' zei Waff. 'En we zullen daarbij geholpen worden door de afstammelingen van onze eigen mensen die vrijwillig in de Verstrooiing zijn gegaan.'

'De tijd lijkt inderdaad gunstig,' mompelde een van de andere raadsleden.

Het was Torg de Jongere die dat had gezegd, zag Waff. Goed. Dat was een stem waarop hij kon rekenen. 'De Bene Gesserit!' snauwde Mirlat.

'Ik ben van mening dat de Achtenswaarde Matres de heksen voor ons uit de weg zullen ruimen,' zei Waff. 'Ze grommen al tegen elkaar als dieren in de arena.'

'En als de schrijver van dat manifest nu eens ontdekt wordt?' vroeg Mirlat. 'Wat dan?'

Verscheidene raadsleden knikten instemmend. Waff prentte zich in wie: dat waren mensen die hij voor zich moest winnen.

'Het is in dit tijdperk heel gevaarlijk om Atreides te heten,' zei hij.

'Behalve misschien op Gammu,' zei Mirlat. 'En dat document is getekend met de naam Atreides!'

Eigenaardig, dacht Waff. De choam afgevaardigde op de powindah conferentie waarvoor Waff de binnenplaneten van Tleilax had moeten verlaten, had dat punt ook benadrukt. Maar de meeste mensen in dienst van choam waren stiekeme atheisten die elke godsdienst verdacht vonden, en de Atreides waren stellig een machtige religieuze kracht geweest. De bezorgdheid van choam was bijna tastbaar geweest.

Waff deed nu verslag van deze reactie van choam.

'Deze choam huurling, verdoemd zij zijn Goddeloze ziel, heeft gelijk,' bleef Mirlat volhouden. 'Het document is verraderlijk.'

Ik zal Mirlat onder handen moeten ne7nen, dacht Waff. Hij pakte het manifest van zijn schoot en las de eerste regel hardop voor: 'In den beginne was het woord en het woord was God.'

'Regelrecht uit de Oranje Katholieke Bijbel,' zei Mirlat. Weer knikten verschillende hoofden in zorgelijke instemming.

Waff liet in een vlugge lach de punten van zijn hoektanden zien. 'Je wilt toch niet beweren dat er onder de powindah mensen zijn die het bestaan van de Shariat en de Masheikh vermoeden?'

Het deed hem goed om die woorden openlijk uit te spreken en zijn toehoorders eraan te herinneren dat alleen hier te van de aller-binnenste Tleilaxu kern de oude woorden en de oude taal zonder veranderingen bewaard werden. Zou Mirlat of een van de anderen bang zijn dat Atreides woorden de Shariat konden ondermijnen?

Ook deze vraag stelde Waff en hij zag de bezorgde gezichten.

'Is er iemand onder jullie,' vroeg Waff, 'die meent dat er ook maar een powindah bestaat die weet hoe wij de taal van God gebruiken?'

Zo! Laat hen daar maar eens over nadenken! Elk van hen was keer op keer opnieuw ontwaakt in een ghola lichaam. Deze Raad bezat een lijfelijke continuiteit die geen enkel ander volk ooit had bereikt. Mirlat zelf had de Profeet met eigen ogen gezien. Scytale had nog met Muad'Dib gesproken! Toen ze eenmaal hadden geleerd om nieuwe lichamen te vervaardigen en die hun geheugen terug te geven, hadden ze dit vermogen samengebundeld in een enkele regering waarvan de macht verhuld was, om te voorkomen dat er overal om die macht werd gevraagd. Alleen de heksen hadden een gelijksoortig pakhuis vol ervaring waaruit ze konden putten en zij gingen angstig en voorzichtig te werk, doodsbenauwd om een nieuwe Kwisatz Haderach voort te brengen!

Waff zei al deze dingen tegen zijn raadslieden en hij voegde eraan toe: 'Het tijdstip voor handelend optreden is aangebroken.'

Toen niemand hem tegensprak zei Waff: 'Dit manifest heeft een enkele schrijver. Elk onderzoek komt tot die zelfde slotsom. Mirlat?'

'Geschreven door een enkel persoon en die persoon een volbloed Atreides, geen twijfel mogelijk,' gaf Mirlat toe.

'Alle aanwezigen op de powindah conferentie bevestigden dit,' zei Waff. 'Zelfs een derdegraads Gildestuurman is het ermee eens.'

'Maar die ene persoon heeft een ding voortgebracht dat verschillende volken gewelddadige reacties ontlokt,' bracht Mirlat in het midden.

'Hebben wij ooit getwijfeld aan het vernietigingstalent van de Atreides?' vroeg Waff. 'Toen de powindah me dit document liet zien wist ik dat God ons een teken had gegeven.'

'Ontkennen de heksen nog steeds het auteurschap?' vroeg Torg de Jongere.

Wat is hij scherp en bekwaam, dacht Waff.

'Elke powindah godsdienst wordt door dit manifest in twijfel getrokken,' zei Waff. 'Elk geloof behalve het onze komt op losse schroeven te staan.'

'Dat is nu juist de moeilijkheid!' riep Mirlat.

'Maar wij zijn de enigen die dit weten,' zei Waff. 'Wie anders heeft er zelfs maar een vermoeden van het bestaan van de Shariat?'

'Het Gilde,' zei Mirlat.

'Zij hebben er nooit over gesproken en ze zullen dat ook nooit doen. Ze weten hoe wij zouden reageren.'

Waff pakte de bundel papier van zijn schoot en las er opnieuw hardop uit voor: 'Ons heelal is doordrongen met krachten die wij niet kunnen begrijpen. Wij zien de schaduwen van deze krachten als ze geprojecteerd worden op een scherm dat bruikbaar is voor onze zintuigen, maar begrijpen doen we ze niet.'

'De Atreides die dat schreef is op de hoogte van de Shariat,' mompelde Mirlat.

Waff bleef doorlezen alsof er geen onderbreking had plaatsgevonden: 'Begrip vereist woorden. Sommige dingen kunnen niet tot woorden worden teruggebracht. Er zijn dingen die alleen woordeloos ervaren kunnen worden.'

Alsof hij een heilig relikwie hanteerde, legde Waff het document weer op zijn schoot. Zachtjes, zodat zijn toehoorders zich naar hem toe moesten buigen en sommigen zelfs een hand achter hun oor hielden, zei Waff: 'Dit zegt dat wij een magisch heelal hebben. Het zegt dat alle willekeurige vormen vergankelijk zijn en onderhevig aan magische veranderingen. De wetenschap heeft ons tot deze verklaring geleid alsof hij ons op een spoor heeft gezet waarvan we niet kunnen afwijken.'

Hij liet deze woorden een tijdje doorwoekeren en zei toen: 'Geen enkele Rakische priester van de Gespleten God, noch enige andere powindah charlatan kan dat aanvaarden. Alleen wij weten het omdat onze God een magische God is wiens taal wij spreken.'

'Ze zullen ons ervan betichten dat wij het geschreven hebben,' zei Mirlat. Maar onmiddellijk nadat hij dat had gezegd schudde Mirlat zijn hoofd heftig heen en weer. 'Nee! Ik begrijp het. Ik begrijp wat je bedoelt.' Waff bleef zwijgen. Hij kon zien dat ze allen nadachten over hun Soefi oorsprong en zich het Grote Geloof en de Zensunni eucumene voor de geest haalden die de Bene Tleilax hadden voortgebracht. De mensen van zijn Kehl kenden de van God gegeven feiten van hun oorsprong, maar generaties lange geheimhouding had zeker gesteld dat geen enkele powindah hun kennis deelde.

Woorden vloeiden zwijgend door Waffs geest: 'Aannames gebaseerd op begrip behelzen geloof en een absolute grond waaruit alle dingen ontspruiten, zoals planten uit zaden groeien.'

In de wetenschap dat ook zijn raadsleden aan deze katechismus van het Grote Geloof dachten, hield Waff hun de Zensunni vermaning voor: 'Aan zulke aannames ligt een vertrouwen in woorden ten grondslag dat de powindah niet in twijfel trekken. Alleen de Shariat twijfelen en wij doen dat in stilte.'

Zijn raadslieden knikten als een man.

Waff neeg lichtjes zijn hoofd en vervolgde: 'Openlijk uitspreken dat er dingen bestaan die niet in woorden beschreven kunnen worden, doet een heelal waar woorden het hoogste geloof zijn op zijn grondvesten schudden.'

'Powindah vergif!' schreeuwden zijn raadslieden.

Nu had hij hen allemaal in zijn ban en Waff bevestigde zijn overwinning nog eens extra door te vragen: 'Wat is de Soefi-Zen-sunni Belijdenis?'

Ze konden geen woord uitbrengen maar allen overwogen het in hun geest: Om s'tori te bereiken is geen begrip nodig. S'tori bestaat zonder woorden, zelfs zonder naam.

Een ogenblik later keken ze allen op en wisselden veelbetekenende blikken uit. Mirlat bracht het op om de Tleilaxu gelofte uit te spreken: 'Ik kan God zeggen, maar dat is niet mijn God. Dat is slechts een geluid met niet meer kracht dan elk ander geluid.'

'Ik zie nu,' zei Waff, 'dat jullie allemaal voelen welke macht ons door dit document ten deel is gevallen. Er worden al miljoenen en miljoenen exemplaren verspreid onder de powindah.'

'Wie doet dat?' vroeg Mirlat.

'Wat kan het ons schelen?' bracht Waff daar tegenin. 'Laat de powindah maar achter hen aanjagen, hun oorsprong opsporen, proberen hen te onderdrukken, tegen hen preken. Met elk van die handelingen zetten de powindah deze woorden meer kracht bij.'

'Moeten wij niet ook tegen deze woorden preken?' vroeg Mirlat.

'Alleen als de gelegenheid het vereist,' zei Waff. 'Zoals in jouw geval!' Hij legde de bundel papier met een klap op zijn knieen. 'De powindah hebben hun bewustzijn tot de aller-striktste opzet beperkt en dat is hun zwakte. Wij moeten ervoor zorgen dat dit manifest zo wijd mogelijk verspreid wordt.'

'De magie van onze God is onze enige brug,' zongen de raadslieden.

Ze waren allen teruggekeerd tot de centrale geborgenheid van hun geloof, merkte Waff. Dat was een eenvoudige taak geweest. Een Masheikh deed niet mee aan het stompzinnige powindah gejank van: 'In uw oneindige goedheid God, waarom ik?' De powindah slaagden erin in een zin de oneindigheid aan te roepen en tegelijk te ontkennen, zonder ook maar een ogenblik hun eigen dwaasheid op te merken.

'Scytale,' zei Waff.

De jongste van de raadslieden met het meest onnozele gezicht, die zoals het hoorde helemaal links aan het eind zat, leunde gespannen voorover.

'Bewapen de gelovigen,' zei Waff.

'Ik sta ervan versteld dat een Atreides ons dit wapen heeft gegeven,' zei Mirlat. 'Hoe is het mogelijk dat de Atreides altijd een ideaal kiezen dat de miljarden die moeten volgen zo aanspreekt?'

'Dat is niet het werk van de Atreides, dat is het werk van God,' zei Waff. Toen hief hij zijn armen en hij sprak het slotritueel uit: *De Masheikh zijn in Kehl bijeen geweest en hebben de aanwezigheid van hun God gevoeld.'

Waff sloot zijn ogen en wachtte tot de anderen waren vertrokken. Masheikh! Wat was het een genot om in Kehl hun naam te noemen, om de taal van Islamiyat te spreken, die geen enkele Tleilaxu ooit buiten zijn eigen geheime raadsbijeenkomsten sprak; zelfs tegen gelaatsdansers spraken ze die niet. Nergens in de Wekht van Jandola, zelfs niet tot in de verste uithoeken van de Tleilaxu Yaghist was er een levende powindah die dit geheim kende.

Yagbist, dacht Waff terwijl hij opstond van zijn bank. Yaghist, het land van on-overheersten.

Hij dacht dat hij het document in zijn hand kon voelen trillen. Het Atreides manifest was precies datgene waar massa's powindahs achteraan zouden lopen, hun ondergang tegemoet.