6 januari 2001
Sophie is ontzettend terneergeslagen. Sinds de dood van haar schoonmoeder is ze heel bang voor de toekomst. Toen ik hoorde dat er een onderzoek van de politie was, maakte ik me zorgen. Gelukkig was het eigenlijk een formaliteit. Het dossier is vrijwel onmiddellijk opgeborgen als dood door ongeval. Maar Sophie en ik weten heel goed hoe het zit. Nu moet ik haar nog beter beschermen. Niets mag me ontgaan, anders bestaat de kans dat Sophie zélf aan mijn aandacht ontsnapt. Ik voel dat mijn waakzaamheid zo scherp is als een scheermes. Soms beef ik ervan.
Na de gebeurtenissen van de afgelopen dagen kan Sophie niet meer met Vincent over haar problemen praten. Ze is veroordeeld tot eenzaamheid.
15 januari
Vanmorgen zijn ze weer naar het platteland vertrokken. Ze zijn in tijden niet meer in het departement l'Oise geweest. Ik heb Parijs een halfuur na hen verlaten. Ik haalde ze in op de autosnelweg naar het noorden. Bij de afrit van Senlis wachtte ik ze rustig op. Deze keer was het niet zo moeilijk om hen te volgen. Ze zijn eerst een makelaarskantoor binnengestapt, maar ze kwamen er zonder verkoper weer uit. Ik herinnerde me dat ze een huis hadden bekeken in een dorp in de buurt van Crépy-en-Valois. Ze leken die kant op te rijden. Maar ze waren er niet. Ik dacht dat ik hun spoor kwijt was, maar een paar kilometer verder vond ik hun auto terug. Hij stond voor een hek.
Het is een vrij opvallend, groot huis. Heel anders dan wat je hier gewoonlijk ziet: een stenen gebouw met houten balkons, dat niet eenvoudig te bouwen moet zijn geweest, met veel hoeken en gaten. Er is een oude schuur die ongetwijfeld als garage gaat dienen, en een schuurtje waar de modelechtgenoot ongetwijfeld gaat knutselen... Het huis ligt in een tuin die ommuurd is, behalve in het noorden, waar de muur is ingestort. Daarlangs ben ik binnengekomen, na mijn motor aan de rand van het bos achter het huis te hebben neergezet. Ik ben listig te werk gegaan om dicht bij hen te komen. Ik heb ze door de verrekijker bespied. Twintig minuten later zag ik ze in de tuin lopen, met de armen om elkaar heen. Ze fluisterden tegen elkaar. Belachelijk. Alsof iemand hen kon horen in de verlaten voortuin van dat grote, lege huis, gelegen aan de rand van een dorp dat sinds lang vervlogen tijden leek te sluimeren... Nou ja, het zou de liefde wel zijn. Ondanks het verslagen gezicht van Vincent maakten ze de indruk dat ze zich gelukkig voelden. Vooral Sophie. Af en toe drukte ze Vincents arm stevig tegen zich aan, alsof ze zichzelf wilde verzekeren van zijn aanwezigheid, van zijn steun. Toch was het een beetje triest om hen zo in die grote wintertuin te zien rondlopen.
Toen ze het huis weer waren binnengegaan, wist ik niet zo goed wat ik moest doen. Ik werd bang dat er iemand langs zou komen. Op dit soort plekken heb je nooit echt rust. Het lijkt uitgestorven, maar zodra je alleen wilt zijn, word je geconfronteerd met een domme boer die op zijn tractor passeert, of met een jager die je aanstaart, of met een kind dat aan komt fietsen om een hut in het bos te bouwen... Maar toen ik hen niet naar buiten zag komen, heb ik toch maar de motor achter het muurtje laten staan en ben naar voren gelopen. Toen kreeg ik een ingeving. Ik rende naar de achterkant van het huis. Ik hijgde op het moment dat ik daar aankwam. Ik bleef een paar minuten staan om weer op adem te komen en om te luisteren of ik iets hoorde. Geen enkel geluid. Ik liep langs het huis, terwijl ik goed keek waar ik mijn voeten neerzette. Ik stopte bij een raam waarvan de houten luiken kapot waren. Ik zette mijn voet op een stenen ven- sterlijst en hees me omhoog tot ik bij het raam was en naar binnen keek. Het was de keuken. Erg ouderwets en er viel heel wat aan op te knappen. Maar daar dachten ze helemaal niet aan, mijn tortelduifjes! Sophie stond tegen het stenen aanrecht, met haar rok opgeschoven tot aan haar heupen, en Vincent, met zijn broek op zijn enkels, neukte haar vol toewijding. Je ziet dat de jongen niet helemaal de kluts kwijt is door het verdriet om de dood van zijn moeder. Vanuit mijn observatiepost kon ik alleen maar zijn rug zien en zijn billen, die zich spanden toen hij bij haar binnenging. Het was echt belachelijk. Maar wat mooi was, was Sophies gezicht. Ze had haar armen om de nek van haar man geslagen. Ze stond op haar tenen, met gesloten ogen, en ze genoot zo intens, dat ze er anders uitzag. Een mooi vrouwengezicht, heel bleek en gespannen, helemaal naar binnen gericht, als iemand die slaapt... De manier waarop ze zich overgaf had iets wanhopigs. Ik heb een paar vrij goede foto's kunnen maken. De pittoreske heen-en-weerbewegingen van de imbeciel versnelden, zijn witte billen spanden zich steeds meer en steeds sneller. Aan Sophies gezicht kon ik zien dat ze op het punt stond klaar te komen. Ze deed haar mond en haar ogen wijd open, en plotseling klonk er een luide kreet. Het was fantastisch, precies wat ik van haar wil horen op de dag waarop ik haar zal doden. Tijdens haar orgasme legde ze haar hoofd in haar nek en vervolgens op Vincents schouder. Trillend beet ze in zijn jasje.
Geniet maar lekker, schatje, geniet ervan...
Op dat moment besefte ik dat ik haar anticonceptiepillen niet meer in de badkamer zag. Ze hadden besloten te proberen een baby te krijgen. Daarvan raakte ik niet in de war. Integendeel, dat bracht me op ideeën.
Ik liet ze rustig naar Parijs terugkeren en wachtte tot het ma-kelaarskantoor om twaalf uur zijn deuren sloot. In de etalage stond een foto van het huis, met de vermelding: verkocht. Oké. Dan krijgen we weekendjes op het platteland. Waarom niet?
17 januari
Het is merkwaardig bij ideeën. Je geest moet ervoor openstaan. Zo liep ik eergisteren rond in de flat, zonder duidelijk doel. En zonder te weten waarom ik belangstelling had voor de stapel boeken die Sophie naast het bureau op de grond had gelegd. Twee ervan, die bijna helemaal onderop lagen, waren afkomstig van het persdocumentatiecentrum: een monografie over Albert Lon- dres en een Frans-Engels woordenboek met pers- en communicatietermen. Ze waren alle twee op dezelfde dag in het centrum geleend. Ik heb ze teruggebracht. Voor lezers die haast hebben is er een speciale balie waar je je boeken snel kunt afgeven. Dat voorkomt onnodig wachten. Ik vond dat praktisch.
18 januari
Dit moet ook in het boekje worden geschreven: Sophie heeft de twee aanmaningen van de telefoonrekening niet gezien. De telefoon is afgesneden. Vincent is niet blij. Sophie huilt. Het gaat slecht op dit moment, ze maken veel ruzie. Toch probeert Sophie aandacht te besteden aan zichzelf, aan hem, aan alles. Misschien probeert ze zelfs om niet te dromen. Hoe dan ook, ze belt om te weten of de therapeut haar eerder dan was afgesproken kan ontvangen... Ze heeft haar slaap niet onder controle. Ze slaapt, dan slaapt ze niet meer, dan slaapt ze weer, dan valt ze in een bijna comateuze slaap, dan zijn er nachten waarin ze werkelijk geen oog dichtdoet en urenlang voor het raam zit te roken... Ik ben bang dat ze kouvat.
19 januari
Trut! Ik weet niet wat ze uitspookt, ik weet zelfs niet of ze het expres heeft gedaan, maar ik word heel boos op haar, en op mezelf! Ik vraag me natuurlijk af of Sophie iets in de gaten heeft gekregen, of dat ze geprobeerd heeft me in de val te laten lopen... Met het oog op haar afspraak, ben ik naar hun flat gegaan om het notitieboekje uit de la van haar bureau te vissen. Daarin schrijft ze op wat ze doet of wat ze thuis moet doen, een boekje van zwart imitatieleer. Ik ken het goed, ik raadpleeg het vaak. En ik heb het niet onmiddellijk geverifieerd. Het boekje is ongebruikt! Het is precies hetzelfde boekje, maar alle bladzijden zijn maagdelijk wit! Dat betekent dat ze twee notitieboekjes heeft. Ik vraag me af of dit boekje een valstrik is die voor mij was bestemd. Vanavond heeft ze waarschijnlijk beseft dat het boekje verdwenen was...
Bij nader inzien denk ik niet dat het haar gelukt is mijn aan-wezigheid te ontdekken. Misschien wil ik mezelf simpelweg ge-ruststellen, maar als dat zo is, zou ik dat aan andere tekenen zien. Nou, de rest gaat goed, normaal.
Ik weet niet wat ik moet denken. Die kwestie van het notitieboekje maakt me echt ongerust.