Ze zien elkaar nu sinds ruim twee weken. Sophie heeft binnen een paar uur de gebruiksaanwijzing van de sergeant eersteklas gevonden. Nu stelt ze zich tevreden met het vergroten van haar kennis, voor zover die voor haar van belang is, maar ze blijft op haar hoede.

Hij heeft zich quasi-enthousiast laten meeslepen naar Vierentwintig uur uit het leven van een vrouw.

'In het boek waren er slechts twee generaties vrouwen...' zegt Sophie, terwijl ze een sigaret opsteekt.

'Ik heb het boek niet gelezen, maar waarschijnlijk zal het ook niet slecht zijn.'

'Nee,' zegt Sophie, 'het was niet slecht...' 

Ze heeft een complete biografie voor zichzelf moeten maken. Te beginnen met het uittreksel uit het geboorteregister: ouders, opleiding, een verhaal dat ze met veel mysterie heeft omgeven om er niet te veel over te zeggen. De sergeant heeft zich discreet getoond. Uit voorzorg laat ze hem veel praten. Als ze s avonds weer thuis is, maakt ze aantekeningen. Ze houdt een notitieboekje bij, waarin alles staat wat ze van hem weet. Niets bijzonders in zijn levensverhaal. Trouwens, ook niets interessants. Geboren op 13 oktober 1973 in Aubervilliers. Middenschool, diploma middel- haar beroepsonderwijs elektromechanica, indiensttreding bij het leger, ingedeeld bij de verbindingsdienst, diploma middelbaar technisch onderwijs telecommunicatie, sergeant eersteklas, later eventueel adjudant.

'Pijlinktvissen...?'

'Ze noemen ze ook wel "calamares"..

Hij glimlacht.

'Ik neem toch maar entrecote.'

Sophie glimlacht op haar beurt.

'Laat me niet lachen...'

'Als vrouwen dat zeggen, is het in het algemeen geen goed teken...'

Het voordeel van militairen is dat ze zo doorzichtig zijn. Hij lijkt ontzettend veel op het beeld dat Sophie zich vanaf hun eerste ont-moeting van hem heeft gemaakt. Ze heeft onvermoede nuances ontdekt. De jongen is niet gek, hij is simpel. Hij wil trouwen, kinderen hebben, hij is aardig. En Sophie heeft geen tijd te verliezen. Het heeft haar weinig moeite gekost om hem te verleiden: hij was al verleid. En Sophie is net zo goed als elk ander meisje uit zijn dorp. Ze is zelfs beter, omdat ze knap is. Sinds ze met hem uitgaat, maakt ze zich weer op en besteedt ze een beetje meer aandacht aan wat ze draagt. Niet te veel. Af en toe is het duidelijk dat de sergeant eersteklas van iets droomt. Sophie heeft in geen jaren gezien dat een man haar zo begerig aankijkt. Dat is grappig.

'Mag ik je vragen waar we heen gaan?'

'Naar Alien, dat hebben wc toch afgesproken?'

'Nee, ik bedoel: wij tweetjes, hoe ver zijn we nu?'

Sophie weet dat precies. Ze heeft minder dan twee maanden om een definitief besluit te nemen. Inclusief de termijn voor de officiële aankondiging van hun huwelijk. Ze kan nu niet meer terug.

Geen tijd meer. Bij een ander zal ze weer op nul moeten beginnen. Geen tijd meer. Ze kijkt hem aan. Ze is gewend geraakt aan dat gezicht. Of ze heeft hem echt nodig. Het resultaat is hetzelfde.

'Weet jij al hoe ver je bent?' vraagt ze.

'Ik denk van wel. En dat weet je heel goed. Ik vraag me werkelijk af waarom je van mening bent veranderd. Toen je me belde...'

'Ik ben niet van mening veranderd, ik heb de tijd genomen om na te denken.'

'Nee, je bent van mening veranderd. Bij onze eerste ontmoeting had je een besluit genomen: het was nee. Ik vraag me af of je écht van mening bent veranderd. En waarom.'

Sophie steekt een nieuwe sigaret op. Ze zitten in een brasserie. De avond is niet echt saai. Terwijl ze naar hem kijkt, weet ze zeker dat hij verliefd op haar is geworden. Heeft ze het handig genoeg aangepakt om geloofwaardig te zijn?

'Dat is waar. Bij onze eerste ontmoeting was ik niet zo enthousiast... Ik...'

'Je hebt ook nog anderen ontmoet. En dat was erger. Dus zei je tegen jezelf...'

Sophie kijkt hem recht aan.

'Jij niet?'

'Marianne, ik denk dat je vaak tegen me liegt. Nou, ik bedoel... je liegt goed, maar wel veel.'

'Waarover?'

'Ik weet het niet. Misschien over alles.'

Soms ziet hij er zo ongerust uit, dat het haar verdrietig maakt.

'Ik neem aan datje er je redenen voor hebt,' vervolgt hij. 'Ik heb wel een idee, maar ik heb geen zin om ernaar te vissen.'

'Waarom niet?'

'Zodra je zin hebt om er met me over te praten, zul je dat doen.'

'En wat is jouw idee?'

'Er zijn dingen in je verleden die je niet wilt vertellen. Dat kan me niets schelen.' 

Hij kijkt haar aan, en aarzelt. Dan betaalt hij de rekening. Ten slotte waagt hij het.

je hebt... ik weet het niet... in de gevangenis gezeten of iets dergelijks.'

Hij kijkt haar opnieuw aan, terwijl hij zijn hoofd schuin houdt. Sophie denkt snel na.

'Laten we zeggen dat het zoiets is. Niets ernstigs, maar ik heb geen zin om erover te praten.'

Hij knikt instemmend.

'Maar wat wil je precies?'

'Ik wil een normale vrouw zijn, met een man en kinderen. Niets anders.'

'Dat lijkt me toch niet echt bij je te passen.'

Er lopen koude rillingen over Sophies rug. Ze probeert te glimlachen. Ze zijn bij de uitgang van het restaurant, het is pikkedonker buiten en de kou bijt in hun gezicht. Ze geeft hem een arm, zoals ze als gewoonte heeft aangenomen, en kijkt hem aan.

'Ik zou graag met je zijn meegegaan naar je huis. Maar het is misschien niet jouw stijl...'

Hij slikt hoorbaar.

Hij doet zijn best. Hij besteedt overal aandacht aan. Als Sophie huilt, zegt hij: 'We zijn niet verplicht...' Zij zegt: 'Help me.' Hij veegt haar tranen weg. Zij zegt: 'Het is niet vanwege jou, weet je.' Hij zegt: 'Dat weet ik...' Sophie denkt dat die man alles zou begrijpen. Hij is kalm, langzaam, nauwkeurig, ze had niet gedacht dat hij dat allemaal zou zijn. Het is zo lang geleden dat ze met een man heeft gevrijd. Heel even sluit ze haar ogen, alsof ze dronken is en wil dat de wereld niet langer op volle snelheid om haar heen draait. Ze leidt hem. Ze vergezelt hem. Ze ruikt zijn geur, die ze van vroeger kent. Het is een anonieme geur van een man die begeert. Het lukt haar om haar tranen te bedwingen. Hij ligt op haar en lijkt op haar te wachten. Ze glimlacht tegen hem en zegt: 'Kom...' Hij lijkt op een aarzelend kind. Ze drukt hem tegen zich aan. Hij koestert geen illusies.

Na afloop kijkt ze hoe laat het is. Ze weten beiden wat ze niet verplicht zijn tegen elkaar te zeggen. Ooit, misschien... Ze zijn twee mensen die verongelukt zijn in het leven. Voor het eerst vraagt zij zich af wat voor ongeluk hij heeft gehad.

'En jouw verhaal, je échte verhaal, wat is dat?' vraagt ze, terwijl haar vingers met zijn borsthaar spelen.

'Ik ben vrij alledaags...'

En Sophie vraagt zich af of dat zijn antwoord is.

Als je 's nachts werkt, is alles anders. Op het uur waarop hij in slaap valt, staat Sophie op en verlaat het huis om het busje van haar werk te halen.

Ze zijn nog steeds samen: Véronique en de baas van het fastfood- restaurant. Ze heeft ze op dezelfde manier gedood. Ze weet niet meer hoe. Ze liggen naast elkaar op de roestvrijstalen tafel van het mor-tuarium. Als een getrouwd stel. Bedekt met een wit laken. Sophie loopt langs de tafel. Hoewel ze alle twee dood zijn, zijn hun ogen open, en ze volgen haar met een begerige blik. Ze bewegen alleen hun ogen. Als ze achter de tafel langs loopt, begint het bloed langzaam uit hun achterhoofd te stromen, ze glimlachen.

'O ja!'

Sophie draait zich abrupt om.

'Dat is een beetje uw handelsmerk. Een paar goed gemikte slagen op het achterhoofd.'

De leverancier van het uittreksel uit het geboorteregister draagt een lichtgeel hemd en een groene das. Zijn broek zit te strak om zijn buik, zijn gulp staat open. Hij nadert met de houding van een professor in de pathologie. Hij is belerend, zelfverzekerd, nauwgezet, chirurgisch. En hij glimlacht. Een beetje spottend.

'En zelfs één slag.' 

Hij staat achter de tafel en kijkt naar de schedel van de doden. I let bloed stroomt op de grond, de druppels vallen op het geverfde cement en maken de onderkant van zijn broek nat.

'Dit is' (hij buigt zich voorover en leest wat er op het etiket staat)... 'Véronique. Ja, Véronique. Vijf messteken in de buik. In de buik, Sophie, nou vraag ik je! Goed, we gaan verder. En dit is' (hij leest het kaartje) ... 'David. Voor hem, Sophie, heb je slechts je hand hoeven uitsteken. Een honkbalknuppel die voor David niet meer was dan een aandenken. En nu ligt hij daar met een schedel die is ingeslagen met het embleem van de Red Stockings. Er zijn werkelijk idiote lotsbestemmingen, is het niet?'

Hij loopt weg van de tafel en komt dichter naar Sophie toe. Ze staat met haar rug tegen de muur. Lachend loopt hij naar voren:

'En dan ben ik er! Ik heb meer geluk gehad: geen honkbalknuppel, geen mes, ik ben er goed vanaf gekomen. Ik klaag niet. Als je had gekund, had je mijn hoofd tegen de muur gebonkt en zou ik gestorven zijn zoals de anderen, aan hoofdwonden. Dan zou ik ook uit mijn achterhoofd bloeden.'

Sophie ziet zijn gele hemd, dat steeds roder wordt van het bloed dat uit zijn achterhoofd stroomt. Hij glimlacht.

'Zo is het toch, Sophie?'

Hij is dicht bij haar, ze ruikt zijn slechte adem.

'Je bent erg gevaarlijk, Sophie. Toch houden de mannen van je, is het niet? Je brengt veel mannen om. Ben je van plan iedereen van wie je houdt te doden, Sophie? Iedereen die dicht bij je komt?'