5

'Goed, en wat nu?'

Ze kijkt op. Verstard staat ze voor de taxi.

'Gaat het...? Voelt u zich niet goed?'

Nee, het gaat wel, stap in de taxi, Sophie, wegwezen. Kalmeer een beetje, alles gaat goed. Het is gewoon de vermoeidheid, het is al met al een zware beproeving, dat is alles. Het zal heus wel goed gaan, concentreer je.

Onderweg houdt de chauffeur haar constant via zijn achteruit-kijkspiegeltje in de gaten. Ze probeert hem gerust te stellen door om zich heen te kijken, naar alles wat ze zo goed kent, de Place de la Republique, de oevers van de Seine, de Pont d'Austerlitz erachter. Dan begint ze wat rustiger te worden. Haar hart klopt niet meer zo snel. Allereerst moet ze kalmeren, afstand nemen, nadenken.

De taxi is aangekomen op Gare de Lyon. Als ze is uitgestapt en met de chauffeur afrekent, kijkt de man haar opnieuw aandachtig aan, ongerust, geïntrigeerd, angstig, een beetje van alles, ook opgelucht. Hij stopt het geld in zijn zak en vertrekt. Ze pakt haar koffer op en loopt naar het bord met de vertrektijden.

Ze heeft zin in een sigaret. Ze voelt nerveus in haar zakken.

Zo'n zin in een sigaret en geen tijd om er eentje te zoeken. In de tabakswinkel zijn drie mensen voor haar. Eindelijk bestelt ze één pakje, nee twee. Het meisje draait zich om, pakt twee pakjes en legt ze op de toonbank.

'Nee, drie...'

'Is het nou één, twee of drie?'

'Een slof.'

'Zeker weten?'

'Hou op met dat gezeur! En een aansteker.'

'Welke?'

'Maakt me niet uit.'

Ze pakt nerveus de slof op. Dan zoekt ze in haar zakken. Ze voelt geld. Haar handen trillen zo, dat de bankbiljetten van vijftig euro zich verspreiden over de stapel tijdschriften die voor de toonbank ligt. Ze kijkt achter zich en om zich heen, terwijl ze haar biljetten bij elkaar grist en in haar zakken stopt. Het gaat echt niet goed, Sophie, beslist niet. Een echtpaar staart haar aan. Naast hen staat een grote vent, die zich duidelijk opgelaten voelt en net doet of hij ergens anders naar kijkt.

Ze verlaat de winkel, de slof sigaretten in haar hand. Haar blik valt op het bord met rode letters waarop de reizigers worden gewaarschuwd voor zakkenrollers... Wat nu? Ze zou brullen als ze kon, maar vreemd genoeg voelt ze iets wat ze in zo'n gemoedstoestand vaak in haar binnenste voelt opkomen. Iets heel vreemds, bijna iets geruststellends. Zoals tijdens de angstaanvallen in haar jeugd, toen er ineens, uit de angst, de subtiele maar absolute zekerheid oprees dat alles wat je beleeft niet altijd waar is, dat er ergens achter de angst een bescherming is, dat iets onbekends ons beschermt... Heel even ziet ze haar vader voor zich, en dan verdwijnt het beeld weer.

Magische reflex.

Sophie weet heel goed, diep vanbinnen, dat het slechts een heel kinderlijk middel is om zichzelf gerust te stellen.

Ze weet wat ze moet doen: op zoek gaan naar de toiletruimte, zich een beetje opknappen, haren kammen, zich opnieuw concentreren, de bankbiljetten fatsoenlijk opbergen, besluiten wat haar plaats van bestemming is, wat haar plan is. En onmiddellijk een sigaret opsteken.

Ze verscheurt het papier van de slof. Er vallen drie pakjes op de grond. Ze raapt ze op en legt de slof en haar jack op de koffer. Eén pakje maakt ze open. Ze haalt er een sigaret uit en steekt hem op. Een gevoel van welbehagen. De eerste seconden van geluk sinds een eeuwigheid. En dan, vrijwel meteen, wordt ze duizelig. Ze sluit haar ogen om weer tot zichzelf te komen en even later gaat het beter. Kijk, twee of drie minuten roken, en ze voelt zich weer rustig. Ze rookt met gesloten ogen. Daarna trapt ze haar sigaret uit, stopt de slof in haar koffer en loopt naar het café tegenover de perrons.

Boven haar de Train bleu, met zijn grote roltrap. Erachter de glazen deuren, de salons met hun duizelingwekkend hoge plafonds, de vele witte tafeltjes, het geroezemoes, de zilveren couverts, de pompeuze muurschilderingen. Vincent heeft haar er op een avond mee naartoe genomen, lang geleden. Dat alles is zo ver weg.

Ze heeft een vrij tafeltje gezien op het overdekte terras. Ze bestelt koffie en vraagt waar de toiletten zijn. Ze wil haar koffer niet alleen achterlaten. Maar om hem nou mee te nemen naar de wc... Ze kijkt om zich heen. Rechts een vrouw, links een vrouw. Het is beter hiervoor de hulp van een vrouw in te schakelen. Die rechts van haar zal ongeveer haar leeftijd hebben. Ze bladert in een tijdschrift en rookt een sigaret. Sophie kiest de vrouw aan haar linkerkant; ze is ouder, forser en zelfverzekerder. Sophie gebaart naar haar koffer, maar ze is er niet zeker van of de vrouw haar heeft begrepen. Toch lijkt de blik van de vrouw te zeggen: 'Ga je gang, ik hou hem wel in de gaten.' Een flauwe glimlach, de eerste sinds eeuwen. Ook voor de glimlach is het beter een vrouw te kiezen. Sophie raakt haar koffie niet aan. Ze loopt de trap af naar de toiletten. Ze vermijdt een blik in de spiegel en gaat meteen een wc binnen. Dan sluit ze de deur, laat haar spijkerbroek en haar slipje zakken, gaat zitten, legt haar ellebogen op haar knieën en begint te huilen.

Na afloop loopt ze naar de spiegel en bekijkt haar gezicht. Niet om aan te zien! Belachelijk hoe oud en gebruikt ze zich voelt. Ze wast haar handen en maakt haar voorhoofd nat. Wat is ze moe... Kom op, naar boven, koffiedrinken, sigaret roken en nadenken. Geen paniek meer, ze moet nu voorzichtig te werk gaan, alles goed analyseren. Makkelijk gezegd!

Ze loopt de trap op. Als ze het terras bereikt, ziet ze onmiddellijk wat voor rampzaligs er is gebeurd. Haar koffer is verdwenen, de vrouw ook. Ze schreeuwt: 'Verdomme!' en begint woedend met haar vuist op het tafeltje te slaan. Het koffiekopje valt op de grond en breekt. Iedereen kijkt naar haar. Ze wendt zich tot de andere vrouw, die rechts van haar zit. En door niet meer dan een kleine flikkering in de ogen van de vrouw begrijpt Sophie dat die alles heeft gezien, dat ze niet heeft ingegrepen, dat ze niets heeft gezegd of gedaan. Niets!

'Kennelijk hebt u niets gezien...!'

Het is een vrouw van een jaar of dertig, helemaal in het grijs gehuld. Ze heeft een somber gezicht. Sophie komt dichterbij, terwijl ze haar tranen met haar mouw wegveegt.

'Je hebt niets gezien, hè, stomme trut!'

En dan geeft ze haar een klap. Geschreeuw, de ober komt aangerend. Het meisje houdt een hand tegen haar wang en begint te huilen. Iedereen snelt toe. Wat gebeurt er? Daar is Sophie, midden in het tumult, omringd door mensen. De ober grijpt haar beide armen vast en roept: 'Kalm worden, anders roep ik de politie!' Sophie rukt zich los en zet het op een rennen. De ober holt schreeuwend achter haar aan. De menigte volgt, tien meter, twintig meter. Sophie weet niet meer waar ze heen moet. De ober grijpt haar ten slotte bij de schouders. 'U moet uw koffie nog betalen,' brult hij.

Ze draait zich om. De ober kijkt haar indringend aan. Hun blikken stoten op elkaar, in een oorlog van wilskracht. Hij is een man. Sophie voelt dat hij per se wil winnen, en ze ziet dat hij er al een rood gezicht van heeft. Dan haalt ze haar envelop tevoorschijn, waarin slechts bankbiljetten van vijftig euro zitten. Haar sigaretten vallen op de grond. Ze raapt ze allemaal op. Er staan nu heel veel mensen om hen heen. Ze haalt diep adem, snuift, veegt haar tranen weg met de rug van haar hand, pakt een van de bankbiljetten en stopt het in de hand van de ober. Ze staan midden in het station, omringd door een grote kring nieuwsgierigen en reizigers, aangetrokken door het opstootje. De ober steekt zijn hand in de geldbuidel op zijn buik om haar het wisselgeld terug te geven. Sophie voelt, gezien zijn uiterst langzame gebaren, dat hij van het moment van zijn glorie wil genieten. Hij neemt alle tijd zonder om zich heen te kijken, geconcentreerd, alsof het publiek niet bestaat en hij daar staat in de natuurlijkste rol, die van kalme autoriteit. Sophie voelt dat haar zenuwen zich spannen. Haar handen jeuken. Het hele station lijkt om hen heen te staan. De ober telt nauwgezet, van twee tot vijftig, en legt elk biljet en elk muntstuk in haar trillende, open hand. Sophie ziet slechts de bovenkant van zijn witachtige schedel, de zweetdruppeltjes bij de grens van zijn spaarzame haren. Ze kan wel kotsen.

Sophie pakt haar geld, draait zich om en doorkruist compleet verdwaasd de menigte nieuwsgierigen.

Ze loopt. Ze heeft het gevoel dat ze wankelt, maar nee, ze loopt rechtuit, ze is alleen maar heel erg moe. Een stem.

'Kan ik je helpen?'

Schor, dof.

Ze keert zich om. God, wat een toestand. De dronkaard die tegenover haar staat is de ellende in eigen persoon.

'Nee, het gaat wel. Dank u...'

Daarna begint ze weer te lopen.

'Je hoeft je niet te schamen, hoor! We zitten allemaal in hetzelfde schui...'

'Donder op!'

Hij blaast onmiddellijk de aftocht, terwijl hij iets mompelt. Ze doet alsof ze het niet begrijpt. Misschien heb je ongelijk, Sophie. Misschien heeft hij gelijk, misschien ben jij, ondanks je hooghartige houding, óók de ellende in eigen persoon.

Wat zat er in mijn koffer? Kleren, onbeduidende dingetjes? Het belangrijkste is het geld.

Ze voelt koortsachtig in haar zakken. Dan slaakt ze een zucht van verlichting: haar papieren zijn er nog, evenals haar geld. Het belangrijkste is er nog. Nu nogmaals goed nadenken. Ze verlaat het station. De zon schijnt volop. Vóór haar ziet ze een rij cafés en brasseries. Overal zijn reizigers, taxi's, auto's, bussen. En daar, bij een laag betonnen muurtje, zijn mensen op een taxi aan het wachten. Sommigen zitten, anderen lezen, een man is druk aan het telefoneren, met zijn agenda op zijn knieën. Ze loopt erheen en gaat op het muurtje zitten. Daarna haalt ze haar pakje sigaretten tevoorschijn en rookt met haar ogen dicht. Concentreer je. Ineens denkt ze aan haar mobiele telefoon. Ze zullen haar telefoon afluisteren. Ze zullen zien dat ze geprobeerd heeft de fami-lie Gervais te bereiken. Ze klapt haar mobiel open, haalt er vlug de simkaart uit, tilt een putdeksel op en gooit hem in het riool. Gevolgd door de telefoon. 

Ze is automatisch naar het Gare de Lyon gegaan. Waarom? Waar wil ze naartoe? Raadsel... Ze denkt diep na en dan herinnert ze het zich: Marseille, de stad waar ze lang geleden met Vincent is geweest. Lachend hadden ze een kamer genomen in een derderangs hotelletje, vlak bij de Vieux-Port, de oude haven, omdat ze niets anders hadden gevonden en omdat ze ontzettend veel zin hadden om onder de wol te kruipen. Toen de man achter de balie hun naam vroeg, had Vincent gezegd: 'Stefan Zweig.' De naam van hun toenmalige lievelingsauteur. Ze hadden hem moeten spellen. Toen had de man gevraagd of ze Pools waren. Vincent had geantwoord: 'Oostenrijkers van origine...' Ze hadden er een nacht incognito, onder een valse naam, doorgebracht en daarom... Frappant, haar reflex om naar een plek te gaan waar ze al eens is geweest. Marseille of een andere plaats, dat doet er weinig toe. In elk geval naar een plaats die ze kent, ook al is het vaag, omdat het geruststellend is... en dat is precies wat ze van haar zullen verwachten. Ze zullen haar op de plek gaan zoeken waar ze waarschijnlijk heen zou gaan en dus is dat precies wat ze niet moet doen. Vanaf nu moet je alle vertrouwde plaatsen ver-geten, Sophie, dat is van levensbelang. Je moet je fantasie gebruiken. Dingen doen die je nog nooit hebt gedaan, naar een plek gaan waar je niet zult worden verwacht. Plotseling raakt ze in paniek bij het idee dat ze niet meer naar haar vader zal kunnen gaan. Het is al meer dan zes jaar geleden dat ze hem voor het laatst gezien heeft en nu kan ze hem niet meer bezoeken. Zijn huis zal wel bewaakt worden, ook zijn telefoon zal worden afgeluisterd. Ze ziet de onveranderlijke gestalte van de oude man voor zich. Eeuwig slank, met lange ledematen, solide, alsof hij is gesneden uit eikenhout, dat even oud en even sterk is. Sophie had Vincent uitgekozen met haar vader als voorbeeld: lang, rustig en evenwichtig. Dat zal ze gaan missen. Na de dood van Vincent, toen alles om haar heen was ingestort en ze niets anders meer had dan de ruïne van haar leven, was haar vader de laatste geweest die overeind bleef. Ze zal hem niet meer kunnen zien of met hem kunnen praten. Helemaal alleen op de wereld, alsof hij ook dood is. Het lukt haar niet om zich voor te stellen hoe een wereld eruit zou zien waarin haar vader ergens leeft, maar zij niet meer met hem kan praten en zijn stem niet meer kan horen. Alsof zijzelf dood is. 

Bij dat vooruitzicht wordt ze duizelig, alsof ze, zonder hoop op een terugkeer, een andere, vijandige wereld zou betreden, waarin niets bekend zou zijn, waarin alles een risico zou zijn, waarin elke spontaniteit achterwege zou moeten worden gelaten: voortdurend iets nieuws doen. Ze zal nergens meer veilig zijn, ze zal nergens haar naam kunnen noemen. Sophie is niemand meer, alleen een voortvluchtige, iemand die verlamd is door angst, die leeft als een dier, volledig gericht op overleven, het tegenovergestelde van leven.

Ze voelt zich uitgeput: is dat allemaal echt de moeite waard? Wat is het leven nu? Bewegen, niet op één plek blijven... Dat alles is tot mislukken gedoemd. Ze heeft de kracht niet om te vechten. Ze heeft niet de ziel van een voortvluchtige, ze is slechts een crimineel. Ze zal het nooit kunnen. Ze zullen geen moeite hebben om je te vinden... Ze slaakt een diepe zucht: zich overgeven, naar de politie gaan, zeggen wat de waarheid is, dat ze zich niets kan herinneren... dat het ooit moest gebeuren, dat er in haar zoveel wrok, zoveel haat tegen de wereld is... Ze kan beter stoppen. Ze wil het leven dat haar wacht niet. Maar waar leek haar leven vóór die tijd op? Al heel lang lijkt het nergens meer op. Nu heeft ze de keus tussen twee nutteloze levens... Ze is zo moe... Je moet stoppen, zegt ze tegen zichzelf. En voor het eerst weet ze wat haar te doen staat. 'Ik ga me overgeven.' Het verbaast haar niet dat ze zich uitdrukt als een moordenares. Ze heeft twee jaar nodig gehad om krankzinnig te worden, één nacht om weer een crimineel te worden, en twee uur om een opgejaagde vrouw te worden, met haar stoet angsten, argwaan, listen, pogingen om een plan te maken en op de dingen te anticiperen.

Het is de tweede keer in haar leven dat ze ervaart hoe een normaal leven kan vervallen tot waanzin, tot de dood. Het is afgelopen. Er moet een eind aan komen. Ze voelt zich nu lekker. Zelfs de angst om te worden opgesloten, waarvoor ze zo hard is weggevlucht, neemt af. De psychiatrische inrichting is niet meer de hel, maar een min of meer zachte oplossing. Ze dooft haar sigaret en steekt een nieuwe op. Hierna ga ik erheen. Een laatste sigaret en dan moet ze op zoek naar een telefooncel en de inrichting bellen zoals ze met zichzelf heeft afgesproken. Het zal haar heus wel lukken om zich duidelijk uit te drukken, om een verklaring te geven. Alles is beter dan de uren die ze achter de rug heeft. Alles liever dan deze waanzin.

Ze blaast een rookwolk uit en precies op dat moment hoort ze de stem van de vrouw.