René Bahorel, 44 jaar, een eenvoudige, rustige man. Ze hebben in een brasserie afgesproken. Ze heeft hem meteen herkend, een landbouwer met bolle wangen. Hij stinkt heel erg naar zweet. Hij lijkt op zijn stem aan de telefoon. Het is een joviaal mens.

'Ik kom uit Lembach,' zegt hij, met een gezicht alsof hij wil zeggen: dan weet je het wel!

Het kost haar twintig minuten om te begrijpen dat dat betekent dat hij een wijnbouwer is in een verre uithoek van het platteland. Sophie steekt een sigaret op. Hij legt zijn vinger op het pakje en zegt:

'Ik zeg het je meteen, bij mij wordt er niet gerookt...'

Hij glimlacht breed, zichtbaar trots dat hij zijn autoriteit heeft getoond op een - volgens hem - subtiele manier. Hij is praatziek, zoals alle mensen die alleen leven. Sophie hoeft niet veel te doen, ze luistert en kijkt hem kalm aan. Haar gedachten zijn ergens anders. Ze heeft echt behoefte om te vluchten. Ze stort zich in de eerste fysieke concessies met deze man. Ze snakt naar een nieuwe sigaret. Hij praat over zichzelf, zijn bedrijf. Om zijn ringvinger heeft nooit een ring gezeten, of het is heel lang geleden. Misschien komt het door de hitte van de brasserie, het lawaai van de klanten die luidkeels hun bestellingen doorgeven, maar langzaam maakt zich een vaag gevoel van onbehagen van haar meester. Het begint in haar buik.

'... We krijgen subsidie, maar toch... En u?'

Het is een abrupte vraag.

'Hoezo, ik?'

'Wat denkt u ervan? Interesseert het u?'

'Niet zo erg, eigenlijk.'

Sophie zegt dat omdat dat het goede antwoord is op wat voor vraag ook. René zegt: 'Juist, ja.' Maar de man is net een tuimelaar, hij komt altijd weer overeind. Je vraagt je af hoe die mensen onder hun tractor kunnen eindigen. Zijn woordenschat is beperkt, sommige woorden komen terug met een angstwekkende opdringerigheid. Sophie probeert te ontcijferen wat ze hoort.

'U woont samen met uw moeder...'

René antwoordt 'ja', alsof hij meent haar gerust te stellen. 84 jaar, de moeder. En nog steeds zo fris als een hoentje. Dat boezemt angst in. Sophie stelt zich voor dat ze onder het gewicht van deze man ligt, terwijl het oude mens door de gang sluipt, het geluid van haar sloffen, de keukenlucht... Even ziet ze de moeder van Vincent voor zich, tegenover haar, met haar rug naar het trapgat. Sophie legt haar handen op haar schouders en duwt zo hard, dat het lichaam van het oudje lijkt weg te vliegen, dat haar voeten de eerste treden niet eens raken, alsof er midden in haar borstkas is geschoten...

'Hebt u al veel dates gehad, René?' vraagt Sophie. Ze buigt zich naar hem toe.

'Dit is de eerste,' zegt hij, alsof hij een overwinning aankondigt.

'Nou, neem de tijd...'

Ze heeft het uittreksel uit het geboorteregister in een doorzichtige plastic map gestopt. Ze is bang het kwijt te raken, zoals zoveel andere dingen die bijna even belangrijk waren. Elke avond, voor haar vertrek, pakt ze de map en zegt hardop: 

'Ik doe de deur van de kast open...'

Dan sluit ze haar ogen, visualiseert het gebaar, haar hand, de kast en herhaalt: 'Ik heb de kastdeur opengedaan...'

'Ik doe de rechterla open, ik heb de rechterla opengedaan...'

Zo herhaalt ze elk gebaar verscheidene keren. Ze doet haar uiterste best om zich te concentreren, en de woorden en gebaren tot één geheel te maken. Zodra ze binnenkomt, nog voordat ze haar jas uitdoet, rent ze naar de kast om te controleren of de plastic map er nog steeds ligt. En tot ze hem opnieuw in de kast opbergt, maakt ze hem met een magneetje vast aan de deur van de koelkast.

Zou ze de onbekende echtgenoot die ze probeert te vinden ooit kunnen doden? Nee. Als ze eindelijk in veiligheid is, zal ze regelmatig een bezoek brengen aan een willekeurige dokter Brevet. Ze zal twee notitieboekjes nemen, drie als het moet. Ze zal alles weer op gaan schrijven. Deze keer zal niets haar meer kunnen afleiden. Het is als een kinderlijk besluit: als ze hier uitkomt, zal ze zich nooit meer door haar gekte laten overweldigen.