Als de generaties voldoende tijd krijgen om zich te ontwikkelen, veroorzaakt het roofdier in zijn prooi bepaalde, op overleven gerichte aanpassingen, die door de terugkoppelingskringloop weer veranderingen in het roofdier veroorzaken, wat de prooi weer doet veranderen, enzovoort, enzovoort, enzovoort... Veel machtige krachten doen precies hetzelfde. Godsdiensten kun je bij voorbeeld tot zulke krachten rekenen.

De Gestolen Verslagen

'De Heer heeft me opgedragen om u te vertellen dat uw dochter leeft.'

Nayla ratelde de boodschap op een dreun af voor Moneo, terwijl ze over de tafel in de werkkamer heen, neerkeek op zijn gestalte die daar te midden van een warboel van aantekeningen, papieren en verbindingsapparatuur zat.

Moneo perste zijn handpalmen stevig op elkaar en keek naar de lange schaduw die het late middaglicht achter zijn kostbare presse-papier boompje tekende.

Zonder op te kijken naar Nayla's vierkante gestalte die keurig in de houding voor hem stond, vroeg hij: 'Zijn ze beiden in de Citadel teruggekeerd?'

'Ja-'

Moneo keek uit het linkerraam, zonder echt de scherpe schemergrens boven de horizon van de Sarier te zien of de gulzige wind die van elke duintop een hap zand opslokte.

'Die kwestie die we de vorige keer bespraken?' vroeg hij.

'Dat is geregeld.'

'Uitstekend.' Hij beduidde haar dat ze kon gaan, maar Nayla bleef voor hem staan. Verbaasd keek Moneo haar aan, eigenlijk nu pas voor het eerst echt sinds ze zijn kamer was binnengestapt.

'Is het per se nodig dat ik persoonlijke deze...' ze slikte, 'bruiloft bijwoon?'

'Heer Leto heeft het zo bevolen. Jij zult als enige met een laswapen bewapend zijn. Dat is een hele eer.'

Ze bleef stram in de houding staan, met haar blik strak op een punt boven Moneo's hoofd gericht.

'Ja?' moedigde hij haar aan.

Nayla's forse, vierkante kin ging krampachtig op en neer en toen zei ze: 'Hij is God en ik ben maar een gewone sterveling.' Ze draaide zich op een been om en marcheerde de werkkamer uit.

Moneo vroeg zich vaag af wat die beer van een Visspreker dwars zat, maar zijn gedachten trokken als een kompasnaald in de richting van Siona.

Ze heeft het overleefd net als ik. Siona bezat nu een innerlijk zintuig dat haar vertelde dat de Gouden Weg onafgebroken doorliep. Net als ik al die tijd geleden. Toch gaf dit hem niet het gevoel dat hij iets met haar gemeen had, dat hij nu een inniger band had met zijn dochter. Het was een last die onvermijdelijk haar rebelse karakter zou beteugelen. Geen enkele Atreides kon zich tegen de Gouden Weg keren. Daar had Leto wel voor gezorgd !

Moneo dacht terug aan de tijd dat hij zelf nog een rebel was. Elke nacht een ander bed en voortdurend genoodzaakt om te vluchten. De spinnenwebben van zijn verleden bleven in zijn hoofd hangen en hoe hard hij ook probeerde de lastige herinneringen af te schudden, ze bleven hardnekkig plakken.

Siona is gekooid. Zoals ik gekooid werd. Zoals die arme Leto gekooid werd.

Het luiden van de avondklok onderbrak zijn gedachten en schakelde de verlichting van zijn werkkamer in. Hij keek naar al het werk dat nog moest gebeuren in verband met de voorbereidingen voor het huwelijk van de God-Keizer met Hwi Noree. Zoveel werk! Enkele minuten later drukte hij een zoemer in en hij vroeg de leerling Visspreker die op zijn oproep verscheen, hem een glas water te brengen en de Duncan Idaho naar de werkkamer te sturen.

Ze kwam vlug terug met het water en zette het glas naast zijn linkerhand op de tafel. Het viel hem op dat ze hele lange vingers had, de vingers van een luitspeler, maar hij keek niet op naar haar gezicht.

'Ik heb iemand naar Idaho toegestuurd,' zei ze.

Hij knikte en ging verder met zijn werk. Hij hoorde haar weglopen en pas toen keek hij op om een slok water te nemen.

Sommige mensen vlinderen door het leven, dacht hij. Maar ik moet onophoudelijk zware lasten torsen.

Het water smaakte laf. Het gaf hem het gevoel dat zijn hersens loodzwaar waren en zijn lijf zo stijf als een plank. Hij keek naar de langzaam in het donker oplossende kleuren van de zonsondergang boven de Sarier, en bedacht dat hij dat vertrouwde tafereel mooi zou moeten vinden, maar de enige gedachte die het bij hem opriep was dat het licht volgens zijn eigen patroon veranderde. Het laat zich door mij totaal niet beinvloeden.

Nu het helemaal donker was, nam het lichtniveau in zijn werkkamer automatisch toe, en dat bracht heldere gedachten mee. Hij voelde zich goed opgewassen tegen het komende gesprek met Idaho. Dit exemplaar moest de noodzaken leren kennen, en vlug ook.

Moneo's deur ging open. Het was de leerling weer. 'Zal ik u nu uw maaltijd brengen?'

'Later.' Toen ze het vertrek weer wilde verlaten hield hij haar met een opgeheven hand tegen. 'Wil je de deur alsjeblieft open laten?'

Ze keek verbaasd.

'Ga maar wat oefenen op je instrument,' zei hij. 'Ik wil graag luisteren.'

Ze had een glad, rond, bijna kinderlijk gezicht dat begon te stralen als ze lachte. Met de lach nog om haar mond liep ze de kamer uit.

Even later hoorde hij het geluid van een biwaluit in het aangrenzende vertrek. Ja, die jonge leerling had aanleg. De bassnaren klonken als het trommelen van regen op een dak, met een fluisterende ondertoon van de middelste snaren erachter. Misschien kon ze op de duur wel op de baliset overstappen. Hij herkende de melodie: een donkere, zoemende herinnering aan herfstwinden op een verre planeet waar ze nooit een woestijn gekend hadden. Treurige muziek, zielige muziek en toch prachtig.

Het is de roep van de gekooiden, dacht hij. Een herinnering aan de vrijheid. Hij vond dat een eigenaardige gedachte. Was er voor vrijheid dan altijd opstandigheid nodig?

De luit viel stil. Hij hoorde zachte stemmen, en vlak daarna stapte Idaho de werkkamer binnen. Moneo zag hem binnenkomen. Door een vreemde lichtval leek Idaho's gezicht net een grijnzend masker met zwarte gaten op de plaats van de ogen. Hij ging ongevraagd tegenover Moneo zitten en het effect verdween. Een heel gewone Duncan. Hij had zich verkleed en droeg nu een effen zwart uniform zonder enig onderscheidingsteken.

'Ik heb me iets eigenaardigs zitten afvragen,' zei Idaho. 'Ik ben blij dat je me hebt laten roepen. Ik wil jou die vraag voorleggen. Wat is het voor iets, Moneo, dat mijn voorganger niet tijdig doorhad?'

Stomverbaasd schoot Moneo recht overeind. Wat een onkarakteristieke vraag voor een Duncan! Zou deze dan toch een Tleilaxu afwijking hebben?

'Hoe kom je op die vraag?' vroeg Moneo.

'Ik heb gedacht als een Vrijman.'

'Jij was geen Vrijman.'

'Ik was er dichter bij dan jij denkt. Stilgar de Naib heeft eens gezegd dat ik, tot ik naar Duin kwam, misschien wel nooit heb geweten dat ik als Vrijman op de wereld was gekomen.'

'Wat gebeurt er als je als een Vrijman denkt?'

'Je bedenkt dat je je nooit moet ophouden in het gezelschap van iemand met wie je niet samen zou willen sterven.'

Moneo legde zijn handen plat op het tafelblad. Op Idaho's gezicht verscheen een woeste grijns.

'Wat doe je dan hier?' vroeg Moneo.

'Ik heb het idee dat jij misschien wel goed gezelschap bent, Moneo. En ik vraag me af waarom Leto jou zou uitkiezen als zijn naaste gezelschap.'

'Ik heb zijn proef doorstaan.'

'Dezelfde die je dochter heeft doorstaan?'

Hij heeft dus gehoord dat ze terug zijn. Dat betekende dat een aantal Vissprekers hem van allerlei zaken op de hoogte hield... tenzij de God-Keizer de Duncan bij zich had laten komen... Nee, dan zou ik het gehoord hebben.

'De proeven zijn nooit identiek,' zei Moneo. 'Ik moest in mijn eentje een doolhof van tunnels doortrekken met niets anders dan een zak eten en een flesje specie-essence.'

'Wat heb je gekozen?'

'Wat? Oh... daar kom je wel achter als je op de proef wordt gesteld.'

'Er is een Leto die ik niet ken,' zei Idaho. 'Dat heb ik je toch steeds gezegd!'

'En er is een Leto die jij niet kent,' zei Idaho. 'Omdat hij de eenzaamste persoon in dit hele heelal is,' zei Moneo.

'Geen stemmingstrucjes om mijn medeleven op te wekken alsjeblieft,' zei Idaho.

'Stemmingstrucjes, ja. Dat is heel goed,' knikte Moneo. 'De stemmingen van de God-Keizer zijn net een rivier - gladjes voort-stromend als hem niets in de weg wordt gelegd, maar bruisend en heftig bij de minste aanduiding van een versperring. Hij mag niet gedwarsboomd worden.'

Idaho keek om zich heen in de helder verlichte werkkamer, richtte toen zijn blik naar de donkere nacht buiten en dacht aan de getemde rivier de Idaho die daar ergens stroomde. Hij keek weer naar Moneo en vroeg: 'Wat weet jij van rivieren?'

'In mijn jeugd heb ik veel voor hem gereisd. Ik heb zelfs in een drijvende notendop van een bootje mijn leven gewaagd op een rivier en daarna op een zee waarvan tijdens de oversteek de kusten niet meer te zien waren.'

Moneo voelde dat hij met die woorden ergens de sleutel tot een diepzinnige waarheid in Heer Leto's gemoed had aangetipt. Dat gevoel zette hem aan het mijmeren over die verre planeet waar hij een zee had overgestoken van de ene kust naar de andere. De eerste nacht van die oversteek had het gestormd en ergens in de ingewanden van het schip klonk het irriterende, ongerichte 'doek-doek-doek-doek-doek' van de zwoegende motoren. Hij had met de kapitein aan dek gestaan. Zijn aandacht bleef maar terugkeren naar het motorgeluid. Nauwelijks had hij het van zich afgezet, of het was weer terug in zijn gedachten, net als het breken van de groen-zwarte waterbergen, die in eindeloze herhaling aanstormden en wegebden. Iedere keer dat de kiel met een klap op het water terugviel, spleet het lichaam van de zee open als door een vuistslag. Het was een krankzinnige beweging, een druipend schudden, omhoog... omhoog, omlaag! Zijn longen deden pijn van onderdrukte angst. Het stampen van het schip en de zee die hen naar de diepte probeerde te duwen - uren achter elkaar ploften de massieve watermassa's op het dek neer om als wit schuimend water weg te lopen, waarna een nieuwe stortzee overkwam en dan weer een...

Dit alles moest een sleutel zijn tot het raadsel van de God-Keizer.

Hij is storm en schip tegelijk.

Moneo keek naar Idaho die in het kille licht van de werkkamer tegenover hem achter de tafel zat. De man vertoonde geen spoor van zenuwen, maar wel een soort gretig verlangen.

'Jij wilt me dus niet helpen om uit te vissen wat de andere Duncans niet konden leren,' zei Idaho.

'Ik wil je wel helpen.'

'Wat is het dan dat ik nooit heb kunnen leren?' 'Vertrouwen hebben.'

Idaho zette zich schrap tegen de tafel en keek Moneo kwaad aan. Toen Idaho eindelijk iets zei, klonk zijn stem schor en rauw: 'Ik zou eerder zeggen dat ik te goed van vertrouwen was.'

Moneo was niet te vermurwen. 'Maar hoe schenk jij je vertrouwen?'

'Wat bedoel je?'

Moneo legde zijn handen in zijn schoot. 'Jij kiest je vrienden uit mannen die bereid zijn om voor wat jij als de goede kant beschouwt te vechten en te sterven. En je vriendinnen zijn altijd vrouwen die dit mannelijke beeld dat jij van jezelf hebt kunnen aanvullen. Met uit goede wil ontstane verschillen hou jij totaal geen rekening.'

Er bewoog iets in de deuropening van de werkkamer. Moneo keek op en zag nog net Siona binnenstappen. Ze bleef met een hand op haar heup voor de deur staan.

'Zo vader, je oude streken nog niet verleerd, zie ik.'

Idaho draaide zich met een ruk om en staarde naar degene die dat had gezegd.

Moneo bekeek haar van top tot teen, op zoek naar tekenen van verandering. Ze was in bad geweest en ze had een schoon uniform aangetrokken, het zwart met goud van de Vissprekers staf, maar haar gezicht en haar handen droegen nog onmiskenbaar de sporen van haar beproeving in de woestijn. Ze was afgevallen en haar jukbeenderen staken scherp naar voren. Onder een laag zalf zag je duidelijk de barsten in haar lippen. De aderen op haar handen waren opgezwollen. In haar ogen lag een oeroude blik en haar uitdrukking was die van iemand die de bittere droesem van de bodem van de kan heeft geproefd.

'Ik heb een tijdje naar jullie staan luisteren,' zei ze. Ze liet haar hand langs haar zij vallen en liep verder de kamer in. 'Hoe durf jij over goede wil te praten, vader?'

Het uniform was Idaho meteen opgevallen. Hij tuitte bedachtzaam zijn lippen. Vis sprekers staf? Siona?

'Ik begrijp je verbittering,' zei Moneo. 'Ik voelde me destijds net zo.'

'O ja?' Ze kwam dichterbij en bleef vlak naast Idaho staan die haar nog steeds met een schattende blik zat op te nemen.

'Ik ben verschrikkelijk blij om je gezond en wel terug te zien,' zei Moneo.

'Het zal je wel veel voldoening geven om mij veilig in dienst van de God-Keizer te zien,' zei ze. 'Je hebt zo lang op een kind moeten wachten en moet je nu eens zien! Wat een succes he!' Ze draaide rond om haar uniform te laten zien. 'Officier van de Vissprekers garde. De troep waarover ik het bevel voer bestaat weliswaar maar uit een gardist, maar een officiersrang is altijd meegenomen, nietwaar?'

Moneo deed zijn best om zijn stem kil en zakelijk te laten klinken. 'Ga zitten.'

'Ik blijf liever staan.' Ze keek omlaag naar Idaho's opgeheven gezicht. 'Aha, Duncan Idaho, mijn aanstaande partner. Vind jij dit niet interessant, Duncan? Heer Leto heeft me verteld dat ik mettertijd zal worden ingepast in het staf netwerk van de Vissprekers. En in de tussentijd heb ik alleen een oppasser. Ken jij de gardist Nayla, Duncan?'

Idaho knikte.

'Weet je het zeker? Ik begin er aan te twijfelen of ik haar eigenlijk wel ken.' Siona keek Moneo vragend aan. 'Ken ik haar, vader?'

Moneo haalde zijn schouders op.

'Maar jij had het over vertrouwen, vader,' zei Siona. 'In wie stelt de machtige minister Moneo zijn vertrouwen?'

Idaho draaide zich om, want hij wilde wel eens zien welke uitwerking deze woorden op de hofmeier hadden. Het gezicht van de man stond stijf van de onderdrukte emoties. Woede? Nee... iets anders.

'Ik vertrouw de God-Keizer,' zei Moneo. 'En ik zit hier om jullie zijn wensen kenbaar te maken, in de hoop dat jullie daar alle twee iets van zullen opsteken.'

'Zijn wensen!' hoonde Siona. 'Hoor je dat, Duncan. De bevelen van de God-Keizer zijn nu wensen.'

'Vertel maar op,' zei Idaho. 'Ik weet dat we toch geen keus hebben, wat het ook is.'

'Keus heb je altijd,' zei Moneo.

'Luister niet naar hem,' zei Siona. 'Hij zit vol streken. Ze verwachten van ons dat we elkaar in de armen zullen vallen om nog een paar van die exemplaren zoals mijn vader op de wereld te zetten. Jouw nakomeling, mijn vader!'

Moneo's gezicht werd spierwit. Hij greep zich met twee handen aan de tafelrand vast en leunde naar voren. 'Jullie zijn oerstom alle twee! Maar ik zal proberen jullie te redden. Ik zal tegen wil en dank proberen jullie te redden.'

Idaho zag de gespannen blik in Moneo's ogen en het trillen van zijn wangen en hij voelde zich daar vreemd door geroerd. 'Ik weiger om voor hem de dekhengst te spelen, maar ik zal toch naar je luisteren.'

'Altijd een vergissing,' zei Siona.

'Hou jij je mond, wicht,' zei Idaho.

Ze staarde woedend naar Idaho's kruin. 'Als je het nog eens waagt om zo tegen me te praten, knoop ik je benen om je nek!'

Idaho verstijfde en begon zich om te draaien.

Moneo trok een lelijk gezicht en wenkte Idaho om te blijven zitten. 'Ik waarschuw je Duncan dat het haar waarschijnlijk nog zou lukken ook. Ik kan niet tegen haar op en je weet vast nog wel hoe het afliep toen je mij probeerde aan te vallen!'

Idaho zoog vlug een diepe teug lucht naar binnen, ademde langzaam uit en zei toen: 'Zeg wat je te zeggen hebt.'

Siona kwam op de rand van Moneo's tafel zitten en keek op hen beiden neer. 'Veel beter,' zei ze. 'Laat hem uitspreken, maar luister niet naar hem.'

Idaho perste zijn lippen op elkaar.

Moneo liet de rand van zijn bureau los. Hij schoof achteruit en keek van Idaho naar Siona. 'Ik ben bijna klaar met de voorbereidingen voor het huwelijk van de God-Keizer met Hwi Noree. Tijdens die feestelijkheden wil ik jullie tweeen uit de weg hebben.'

Siona keek Moneo onderzoekend aan. 'Jouw idee of het zijne?'

'Het mijne!' Nu keek Moneo op zijn beurt zijn dochter boos aan. 'Heb jij dan totaal geen besef van eer en plicht? Heb je helemaal niets geleerd van je samenzijn met hem?'

'O, ik heb hetzelfde geleerd als jij, vader. En ik heb mijn woord gegeven, en dat zal ik houden ook.'

'Dan aanvaard je dus een post in de Vissprekers staf ?'

'Wanneer hij me tenminste een afdeling toevertrouwt. Weet je vader, hij is zo ontzettend veel slimmer dan jij.'

'Waar stuur je ons heen?' vroeg Idaho.

'Gesteld dat we het ermee eens zijn,' zei Siona.

'Aan de rand van de Sarier ligt een klein dorp van de Museum,' zei Moneo. 'Het heet Tuono. Het is een redelijk aardig dorp. Het ligt aan de voet van de Muur en aan de andere kant daarvan stroomt de rivier. Er is een bron en het eten is er prima.'

Tuono? vroeg Idaho zich af. Die naam kwam hem bekend voor. 'Als je naar Vest Tabr wilde, moest je het Tuono-bekken doortrekken,' zei hij.

'En de nachten zijn lang en afleiding is er niet,' zei Siona.

Idaho wierp haar een strenge blik toe. Die kreeg hij met dezelfde vaart terug. 'Hij wil dat wij ons gehoorzaam laten kruisen want dan is de Worm tevreden,' zei ze. 'Hij wil baby's in mijn buik, nieuwe levens om te bederven en te verwringen. Nou, dan zie ik hem nog liever dood!'

Idaho keek Moneo peinzend aan. 'En als we weigeren?'

'Volgens mij gaan jullie wel.'

Siona's lippen trilden. 'Duncan, heb je wel eens zo'n klein dorp gezien? Verstoken van elk gemak, elk...' 'Ik heb het dorp Tabur gezien,' zei Idaho.

'Dat zal bij Tuono vergeleken wei een wereldstad zijn. Onze God-Keizer zal zijn bruiloft gerust niet in een verzameling schamele kleihutten vieren! O nee. Reken maar dat Tuono uit klei-hutten bestaat, zonder enig gerief, zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke manier van leven van de Vrijmans.'

Terwijl hij Moneo bleef aankijken zei Idaho: 'Vrijmans leefden niet in kleihutten.'

'Ach man, het interesseert toch geen mens waar ze hun eredienstspelletjes hielden?' hoonde ze.

Nog steeds met zijn aandacht op Moneo zei Idaho: 'Echte Vrijmans hadden maar voor een ding eerbied, en dat was persoonlijke oprechtheid. En ik vind oprechtheid belangrijker dan gerief.'

'Nou, van mij hoef je geen gerief te verwachten!' snauwde Siona.

'Ik verwacht helemaal niets van jou,' zei Idaho. 'Wanneer zouden we vertrekken naar dat Tuono, Moneo?'

'Ben je dan van plan om te gaan?' vroeg ze.

'Ik overweeg om het vriendelijke aanbod van je vader aan te nemen,' zei Idaho.

'Vriendelijk!' Ze keek van Idaho naar Moneo.

'Jullie zouden nu meteen vertrekken,' zei Moneo. 'Ik heb een groep Vissprekers onder leiding van Nayla opdracht gegeven om jullie naar Tuono te brengen en daar voor jullie te zorgen.'

'Nayla?' vroeg Siona. 'Meen je dat? Blijft ze daar bij ons?'

'Tot de dag van het huwelijk.'

Siona knikte traag. 'Dan nemen we het aan.'

'Jij neemt het aan!' snauwde Idaho.

Siona lachte. 'Neem me niet kwalijk. Mag ik de grote Duncan Idaho dan officieel verzoeken om zich bij mij te voegen in dit primitieve verblijfsoord, alwaar hij met zijn handen van mijn lijf dient te blijven?'

Idaho keek haar vanonder zijn wenkbrauwen aan. 'Over mijn handen hoef jij je geen zorgen te maken.' Hij keek Moneo aan. 'Is het werkelijk een vriendelijk gebaar, Moneo? Stuur je me daarom weg?'

'Het is een kwestie van vertrouwen,' zei Siona. 'Wie vertrouwt hij?'

'Zal je me dwingen om met je dochter mee te gaan?' bleef Idaho aandringen.

Siona stond op. 'Als we weigeren, binden zijn gardisten ons vast en slepen ze ons erheen op een uiterst onaangename manier. Dat staat op zijn gezicht te lezen.'

'Dus ik heb eigenlijk geen keus,' zei Idaho.

'Je hebt de keus die iedereen altijd heeft,' zei Siona. 'Nu sterven, of later.'

Idaho bleef Moneo aanstaren. 'Wat heb je hier nu werkelijk mee voor, Moneo? Wil je mijn nieuwsgierigheid niet bevredigen?'

'Nieuwsgierigheid heeft menig mens in leven gehouden waar verder alles faalde,' zei Moneo. 'Ik probeer jou in leven te houden, Duncan. Dat heb ik nog nooit eerder gedaan.'