Ik ben de vurigste mensenbestudeerder aller tijden. Ik bestudeer ze in mijn eigen binnenste en daarbuiten. Heden en verleden kunnen zich vreemd bedrieglijk in mij vermengen. En naarmate de verandering in mijn weefsel voortschrijdt gebeuren er geweldige dingen met mijn zintuigen. Het lijkt wel of ik alles van heel dichtbij waarneem. Mijn gehoor en mijn gezicht zijn uiterst scherp en bovendien is mijn reukzin buitengewoon gevoelig. Ik kan feromonen onderscheiden en identificeren in een concentratie van drie deeltjes op een miljoen. Dat weet ik, want ik heb het uitgeprobeerd. Voor mijn zintuigen kun je maar weinig verborgen houden. Wat ik allemaal alleen al met mijn reukzin kan bespeuren zou je vast met ontzetting vervullen. Je feromonen vertellen me wat je doet of gaat doen. En gebaar en houding! Ik heb een keer een halve dag lang een oude man gadegeslagen die in Arrakeen op een bank zat. Hij was een vijfde generatie afstammeling van Stilgar de Naib, maar dat wist hij niet eens. Ik bestudeerde de hoek van zijn hals, de huidplooien onder zijn kin, zijn gebarsten lippen en zijn vochtige neusgaten, de porien achter zijn oren en de pieken grijs haar die onder de kap van zijn antieke stilpak uitstaken. Niet een keer merkte hij dat hij werd gadegeslagen. Ha! Stilgar zou het binnen twee seconden geweten hebben. Maar deze oude man zat gewoon te wachten op iemand die niet kwam opdagen. Uiteindelijk stond hij op en strompelde hij weg. Hij was heel stijf van dat lange zitten. Ik wist dat ik hem nooit meer levend zou terugzien. Zo dicht bij de dood was hij al en zijn water zou vast verspild worden. Nu ja, dat maakte niets meer uit.
De Gestolen Verslagen
Leto vond het de interessantste plek van het heelal, deze ruimte waarin hij op de komst van zijn huidige Duncan Idaho wachtte. Naar gewone menselijke maatstaven gerekend was het een reusachtige ruimte, het hart van een gecompliceerde reeks catacomben onder zijn Citadel. Vanuit de naaf waar hij wachtte liepen gangen van dertig meter hoog en twintig meter breed als spaken straalsgewijs naar buiten. Zijn wagen stond in het midden van de naaf in een rond, overkoepeld vertrek met een middellijn van vierhonderd meter en op het hoogste punt recht boven zijn hoofd een hoogte van honderd meter.
Hij vond deze afmetingen geruststellend.
Het was in de Citadel vroeg in de middag, maar het enige licht in zijn vertrek kwam van een paar vrij zwevende gloeibollen die een zacht oranje licht verspreidden. Het licht drong niet erg ver in de spaken door, maar Leto's geheugen vertelde hem precies waar zich daar alles bevond - het water, de botten, het stof van zijn voorouders en van alle Atreides die sinds de tijden van Duin leefden en stierven. Dat alles bevond zich hier, plus nog een paar vaten melange om als het ooit tot het uiterste zou komen, de illusie te wekken dat dit zijn hele voorraad was.
Leto wist waarom de Duncan kwam. Idaho had vernomen dat de Tleilaxu een nieuwe Duncan aan het maken waren, een nieuwe ghola, vervaardigd volgens de specificaties die de God-Keizer verlangde. Deze Duncan was bang dat hij na bijna zestig jaar trouwe dienst vervangen zou worden. Het was altijd iets van dien aard waarmee de opstandigheid van de Duncans begon. Kort geleden had een afgezant van het Gilde zijn opwachting bij Leto gemaakt om hem te waarschuwen dat de Ixianen aan deze Duncan een laswapen hadden geleverd.
Leto grinnikte. Het Gilde bleef uiterst gevoelig voor alles wat hun karige specievoorziening zou kunnen bedreigen. De gedachte dat Leto de laatste verbindingsschakel was met de zandwormen die de oorspronkelijke reuzenvoorraden melange hadden geproduceerd, maakte hen doodsbenauwd.
Als ik niet in de nabijheid van water zou sterven, is het met de specie afgelopen - voorgoed.
Daar was het Gilde doodsbang voor. En hun historische boekhouders verzekerden hun dat Leto de grootste melangevoorraad van het heelal bezat. Deze wetenschap maakte het Gilde bijna tot een betrouwbare bondgenoot.
Onder het wachten deed Leto de hand- en vingeroefeningen van zijn Bene Gesserit erfgoed. Die handen waren zijn trots. Onder het grijze membraan van zandforelhuid waren hun lange vingers en opponeerbare duimen even bruikbaar als gewone mensenhanden. De bijna onbruikbare vinnen die ooit zijn voeten en benen waren geweest, waren meer een ongemak dan een schande. Hij kon verbazingwekkend snel kruipen en rollen en zijn lijf omgooien, maar soms viel hij op de vinnen en dat deed pijn.
Waar bleef de Duncan?
Leto stelde zich voor dat de man weifelend voor een raam over de vloeiende horizon van de Sarier stond te staren. De lucht trilde vandaag van de hitte. Voor hij naar het gewelf afdaalde had Leto in het zuidwesten een luchtspiegeling gezien. De hittespiegel kantelde en flitste een beeld over het zand, zodat hij een groep Museum-Vrijmans ter stichting van toeristen langs een demonstratievest zag sjokken.
Het was koel in het gewelf, altijd koel en het was er altijd schemerig. De tunnelspaken waren donkere gaten die licht omlaag of omhoog helden ten gerieve van de Keizerwagen. Sommige tunnels liepen vele kilometers door voorbij valse wanden, gangen die Leto met Ixiaans gereedschap voor zichzelf had gemaakt, voedertunnels en geheime gangen.
Terwijl hij over het komende gesprek nadacht, begon Leto zich steeds zenuwachtiger te voelen. Hij vond dit een interessante gemoedsbeweging, waarvan hij vroeger altijd had genoten. Leto wist dat hij tamelijk gesteld was geraakt op de laatste Duncan. In zijn binnenste koesterde Leto nog hoop dat de man het komende gesprek zou overleven. Soms gebeurde dat wel. De waarschijnlijkheid dat de Duncan een dodelijke bedreiging vormde was heel klein, hoewel dit natuurlijk aan het toeval overgelaten moest worden. Leto had dit aan een van de voorgaande Duncans proberen uit te leggen... hier in dit zelfde vertrek.
'Je zult het wel vreemd vinden dat ik, met mijn vermogens, over toeval en kans kan praten,' had Leto gezegd.
De Duncan was kwaad geweest. 'Jij laat niets aan het toeval over! Ik ken je!'
'Wat naief. Toeval is de aard van ons heelal.'
'Niks toeval! Rottigheid. En die rottigheid komt uit jouw koker!'
'Prachtig, Duncan! Rottigheid is een groot genot. Manieren bedenken om rottigheid aan te pakken, scherpt de creativiteit.'
'Je bent niet eens meer een mens!' O, wat was de Duncan kwaad geweest.
Die beschuldiging had Leto geirriteerd, alsof hij een zandkorrel in zijn oog had. Hij klampte zich aan de restanten van zijn gewezen menselijke persoonlijkheid vast met een verbetenheid die niet te loochenen viel, hoewel hij alleen nog maar geirriteerd kon worden en niet meer echt kwaad.
'Jouw leven begint een sleur te worden,' had Leto hem verweten.
Waarop de Duncan een kleine bom onder de plooien van zijn uniformmantel vandaan haalde. Wat een verrassing!
Leto was dol op verrassingen, zelfs op onaangename.
Het is iets dat ik niet heb voorspeld! En dat zei hij ook tegen de Duncan, die daar vreemd besluiteloos was blijven staan nu het moment van de definitieve beslissing daar was.
'Ik zou je hiermee kunnen doden,' zei de Duncan.
'Helaas, Duncan. De bom zal een kleine beschadiging veroorzaken, meer niet.'
'Maar je zei dat je dit niet hebt voorzien!' De stem van de Duncan klonk schel.
'Duncan, Duncan, voor mij is de absolute voorspelling gelijk aan de dood. En de dood is zo onuitsprekelijk saai.'
Op het laatste ogenblik had de Duncan de bom nog opzij proberen te gooien, maar de springstof ervan was instabiel en hij was te vroeg ontploft. De Duncan was omgekomen. Ach, nou ja - de Tleilaxu hadden altijd wel weer een nieuwe in de axolotltanks.
Een van de gloeibollen die boven Leto rondzweefden begon te knipperen. Opwinding maakte zich van hem meester. Moneo's sein. De trouwe Moneo had zijn God-Keizer verwittigd van het feit dat de Duncan op weg was naar het gewelf.
De deur van de mensenlift, tussen de spaken van twee gangen in de noordwestelijke boog van de naaf, zwaaide open. De Duncan beende naar voren, op die afstand een kleine gestalte, maar Leto's ogen onderscheidden zelfs de kleinste details - een kreukje in de elleboog van het uniform, wat betekende dat de man ergens met zijn kin op zijn hand had geleund. Ja, op zijn kin was nog de afdruk van zijn hand te zien. De Duncan werd voorgegaan door zijn lichaamsgeur; de man was dronken van zijn eigen adrenaline.
Terwijl de Duncan naderde bleef Leto zwijgend details opnemen. In weerwil van zijn zeer vele dienstjaren had de Duncan nog een jeugdige, veerkrachtige pas. Dat had hij aan een minimaal melangegebruik te danken. De man droeg het oude Atreides-uniform, zwart met een gouden havik links op de borst. Dat was een belangwekkende mededeling: 'Ik dien de eer van de oude Atreides!' Zijn dikke haar was nog steeds zo zwart als kara-kul en zijn gezicht met de hoge jukbeenderen leek wel uit steen gehouwen.
De Tleilaxu maken goede ghola's, dacht Leto.
De Duncan droeg een platte aktetas van donkerbruin weefsel, die hij al jaren bezat. Gewoonlijk zat daarin het materiaal waarop hij zijn rapporten baseerde, maar vandaag stond hij bol door iets van meer gewicht.
Het Ixiaanse laswapen.
Onder het lopen hield Idaho zijn blik strak op Leto's gezicht gericht. Het was nog steeds in ontstellende mate het gezicht van een Atreides; magere trekken met de volledig blauwe ogen die zenuwachtige personen als een lijfelijk binnendringen ervoeren. Het gezicht zat diep verscholen in een grijze huif van zandforel-huid, waarvan Idaho wist dat die in een bliksemsnelle reflex beschermend naar voren kon rollen - een knipgelaat in plaats van een knipoog. In zijn grijze omlijsting was het gezicht roze. De gedachte dat Leto's gezicht iets obsceens was, een verdwaald stukje mens dat gevangen zat in iets Vreemds, drong zich aan hem op.
Toen Idaho op slechts zes passen voor de Keizerwagen bleef staan, deed hij geen poging om zijn boze vastberadenheid te verbergen. Hij dacht er zelfs niet over na of Leto mogelijk van het laswapen op de hoogte zou zijn. Het rijk was veel te ver afgedwaald van de oude zedelijke beginselen van de Atreides; het was een onpersoonlijke moloch geworden die de onschuldigen op zijn pad verpletterde. Er moest een eind aan komen!
'Ik wil met je over Siona praten, plus over nog een aantal andere zaken,' zei Idaho. Hij bracht de tas in de juiste stand om makkelijk het laswapen te kunnen grijpen.
'Uitstekend.' Leto's stem klonk verveeld.
'Siona was de enige die wist te ontkomen, maar ze heeft nog steeds een groep opstandige kameraden waarop ze kan terugvallen.'
'Dacht je dat ik dat niet wist?'
'Ik ken je gevaarlijke verdraagzaamheid ten aanzien van opstandelingen! Wat ik niet ken is de inhoud van dat pak dat ze heeft gestolen.'
'O, dat. Ze heeft de plattegrond van de hele Citadel in handen.'
Een enkel ogenblik was Idaho weer helemaal bevelhebber van Leto's Garde, diep geschokt door zo'n inbreuk op de veiligheid. 'En daar heb je haar mee laten ontsnappen?' 'Nee, dat heb jij gedaan.'
Idaho kromp ineen onder deze beschuldiging. Langzaam kreeg de pas in hem ontwaakte moordenaar de overhand weer.
'Is dat alles wat ze te pakken heeft gekregen?' vroeg Idaho.
'Ik bewaarde twee boeken, afschriften van mijn verslagen, bij de plattegronden. Die boeken heeft ze ook gestolen.'
Idaho keek onderzoekend naar Leto's effen gezicht. 'Wat staat er in die verslagen? Soms zeg je dat het een dagboek is en dan noem je het weer een geschiedschrijving.'
'Alle twee een beetje. Je zou het zelfs een leerboek kunnen noemen.'
'Vind je het vervelend dat ze die boeken heeft weggenomen?'
Leto liet een vertederde lach op zijn gezicht verschijnen, die door Idaho als een ontkenning werd opgevat. Even rimpelde er daarna een spanning door Leto's lijf toen Idaho zijn hand in de aktetas stak. Zou het het wapen worden of de rapporten? Hoewel de kern van zijn lichaam zeer hittebestendig was, wist Leto dat een deel van zijn weefsel door een laswapen gewond kon worden, vooral zijn gezicht.
Idaho haalde een rapport uit zijn tas en nog voor hij eruit begon voor te lezen, waren de tekenen Leto al duidelijk. Idaho gaf geen informatie, hij was op zoek naar antwoorden. Idaho zocht rechtvaardiging voor een reeds gekozen handelwijze.
'We hebben een Alia-cultus ontdekt op Giedi Prime,' zei Idaho.
Leto bleef zwijgen terwijl Idaho de bijzonderheden opsomde. Wat saai. Leto liet zijn gedachte afdwalen. De aanbidders van de reeds lang gestorven zuster van zijn vader dienden tegenwoordig alleen nog bij gelegenheid tot vermaak. De Duncans beschouwden dergelijke activiteiten vanzelfsprekend als een soort geheime bedreiging.
Idaho was uitgesproken. Zijn agenten waren grondig, dat viel niet te ontkennen. Vervelend grondig.
'Dit is een doodgewone Isis-opleving,' zei Leto. 'Mijn priesters en priesteressen zullen zich lekker kunnen uitleven bij het onderdrukken van deze cultus en zijn aanhangers.'
Idaho schudde zijn hoofd alsof hij antwoord gaf aan een innerlijke stem.
'De Bene Gesserit wist van de cultus af,' zei hij.
Dat vond Leto een interessante mededeling.
'De Zusters hebben me nooit vergeven dat ik hun dat teeltprogramma heb afgepakt,' zei hij.
'Dit heeft niets met voortplanting te maken.'
Leto verborg zijn schik. De Duncans waren altijd zo gevoelig op het gebied van het teeltprogramma, hoewel een aantal van hen af en toe als dekhengst dienst deed.
'Tja,' zei Leto. 'Nu zijn de Bene Gesserit natuurlijk allemaal behoorlijk getikt, maar waanzin vertegenwoordigt een chaotische verzameling verrassingen. Sommige verrassingen kunnen waardevol zijn.'
'Ik kan hier de waarde niet van inzien.'
'Ben jij van mening dat de Zusters achter deze cultus zaten?' vroeg Leto. 'Inderdaad.' 'Leg dat eens uit.'
'Ze hadden een schrijn. Die noemden ze "De Schrijn van het Krysmes".' 'Nee maar.'
'En hun hogepriesteres heette "Hoedster van Jessica's Licht". Zegt dat je iets?'
'Verrukkelijk!' Leto deed geen enkele moeite om zijn plezier te verbergen.
'Wat is er zo verrukkelijk aan?'
'Ze verenigen mijn grootmoeder en mijn tante in een godin.'
Idaho schudde langzaam zijn hoofd; hij begreep er niets van.
Leto nam even de tijd voor een innerlijke aangelegenheid, nog korter dan een oogwenk. De grootmoeder-in-zijn-binnenste was helemaal niet in haar sas met deze cultus van Giedi Prime. Hij moest haar herinneringen en haar persoonlijkheid inkapselen.
'Wat is volgens jou het doel van deze cultus?' vroeg Leto.
'Dat is duidelijk. Een concurrerende godsdienst om jouw gezag te ondermijnen.'
'Dat is te eenvoudig. Wat ze verder ook zijn, de Bene Gesserit zijn niet achterlijk.'
Idaho wachtte op uitleg.
'Ze willen meer specie!' zei Leto. 'Meer Eerwaarde Moeders.' 'En dus ergeren ze je net zo lang tot je ze afkoopt?' 'Je stelt me teleur, Duncan.'
Idaho staarde Leto zwijgend aan en die slaakte een zucht, een ingewikkelde handeling die hem in zijn nieuwe gestalte niet langer natuurlijk afging. De Duncans waren gewoonlijk pienterder, maar Leto veronderstelde dat deze zijn verstand had laten verduisteren door zijn voornemen.
'Ze kozen Giedi Prime als hun thuiswereld,' zei Leto. 'Waar doet je dat aan denken?'
'Het was een Harkonnens broeinest, maar dat is oude koek.'
'Je zuster is daar als slachtoffer van de Harkonnens omgekomen. Het is heel juist dat jij Harkonnens en Giedi Prime met elkaar verbindt. Waarom heb je dit niet eerder ter sprake gebracht?'
'Het leek me niet belangrijk.'
Leto perste zijn lippen op elkaar. De verwijzing naar zijn zuster had Duncan van zijn stuk gebracht. Verstandelijk wist de man heel goed dat hij de laatste van een lange reeks herbelichamingen was, allemaal voortbrengselen van de Tleilaxu axolotl-tanks en bovendien nog opgebouwd uit het oorspronkelijke celmateriaal ook. Toch kon de Duncan zijn tot nieuw leven gewekte herinneringen niet uitschakelen. Hij wist dat de Atreides hem uit Harkonnense slavernij hadden bevrijd.
En wat ik verder ook mag zijn, dacht Leto, ik ben en blijf een Atreides.
'Wat probeer je me duidelijk te maken?' wilde Idaho weten.
Leto besloot dat hij nu streng moest optreden. Luidkeels schreeuwde hij: 'De Harkonnens waren specie-oppotters!' Idaho deinsde een hele stap achteruit.
Met zachtere stem vervolgde Leto: 'Er ligt een onontdekte melangevoorraad op Giedi Prime. De Zusters probeerden die op te sporen onder de dekmantel van hun godsdienstige smoesjes.'
Idaho schaamde zich. Nu het antwoord eenmaal geformuleerd was, leek het duidelijk genoeg.
En ik zag het over het hoofd, dacht hij.
Leto's harde woorden hadden hem weer in zijn rol van bevelhebber van de Keizerlijke Garde teruggeworpen. Idaho was op de hoogte met de economie van het rijk, die tot het uiterste vereenvoudigd was: rentedragende leningen waren verboden en boter bij de vis. De enige valuta droeg een afbeelding van Leto's omhuifde hoofd: de God-Keizer. Maar de grondslag was toch de specie, een stof die ondanks zijn reeds enorme waarde, nog steeds in prijs toenam. Je kon de koopsom voor een hele planeet in je handbagage meenemen.
'Zorg dat je de rechtspraak en de munteenheid onder controle houdt, dan kan je de rest aan het gepeupel overlaten,' dacht Leto. Dat was een uitspraak van de oude Jacob Broom en Leto kon in zijn binnenste de oude man horen grinniken. 'De toestand is nog niet erg veranderd, Jacob.'
Idaho haalde eens diep adem. 'De Raad voor het Geloof moet onmiddellijk verwittigd worden.'
Leto bleef zwijgen.
Dit opvattend als een aanmoediging om door te gaan, ging Idaho verder met zijn rapporten, maar Leto luisterde maar met een zeer klein deel van zijn aandacht. Het was of hij een monitor had ingeschakeld die Idaho's woorden en handelingen louter registreerde en slechts nu en dan iets aanstipte dat innerlijk commentaar vereiste:
En nu wil hij over de Tleilaxu praten.
Dat is gevaarlijk terrein voor )e, Duncan.
Maar deze overweging opende weer nieuwe perspectieven voor Leto's gedachten.
De slimme Tleilaxu vervaardigen mijn Duncans nog steeds uit het oorspronkelijke weefsel. 7Le doen iets dat volgens het geloof verboden is en dat weten we allebei donders goed. Kunstmatige manipulatie van menselijk genenmateriaal is door mij verboden. Maar de Tleilaxu hebben gemerkt hoezeer ik de Duncans waardeer als bevelhebber van mijn Garde. Toch hebben ze volgens mij geen flauw idee van de vermakelijkheidswaarde van deze zaak. Ik vind het amusant dat er nu een rivier de Idaho heet terwijl dat vroeger een berg was. Die berg bestaat niet meer. We hebben hem geslecht om bouwmateriaal te krijgen voor de hoge muren die mijn Sarier omringen.
De Tleilaxu weten natuurlijk wel dat ik af en toe de Duncans terugkruis in mijn eigen programma. De Duncans staan garant voor de kracht van een bastaardsoort... en voor nog veel meer. Voor elk vuur is er nu eenmaal een blusser.
Het was mijn bedoeling om deze Duncan met Siona te kruisen, maar dat zal nu misschien onmogelijk worden.
Hal Hij zegt dat ik tegen de Tleilaxu moet 'optreden'. Waarom vraagt hij het niet gewoon rechtstreeks? 'Ben )e van plan om me te vervangen?'
Ik ben sterk in de verleiding om het hem te vertellen.
Weer stak Idaho zijn hand in de platte aktetas. Niets ontging Leto in zijn bespiegelende waakzaamheid.
Het laswapen of nog meer rapporten. - Meer rapporten dus.
De Duncan blijft op zijn hoede. Hij wil niet alleen de verzekering dat ik niet weet wat hij van plan is, maar ook meer 'bewijzen' dat ik zijn trouw niet waard ben. Hij blijft maar aarzelen. Dat heeft hij altijd al gedaan. Ik heb hem vaak genoeg verteld dat ik mijn voorkennis niet zal gebruiken om het moment te voorspellen waarop ik deze oer gestalte zal verlaten. Maar hij twijfelt. Hij was altijd al een twijfelaar.
Deze grotachtige ruimte slorpt zijn stem op en als mijn zintuigen niet zo gevoelig waren, zou de vochtige lucht hier de chemische bewijzen van zijn angst maskeren. Ik laat zijn stem uit mijn directe aandacht glijden. Wat is deze Duncan een vervelend mens geworden. Nu vertelt hij de geschiedenis, de geschiedenis van Siona's opstandelingenbeweging, om uiteindelijk ongetwijfeld zijn persoonlijke waarschuwingen over haar jongste uitspatting ten beste te geven.
'Het is geen gewone opstandige beweging,' zegt hij.
Dat maakt me weer alert! Idioot. Alle opstandige bewegingen zijn gewoon en oervervelend. Ze zijn allemaal gebaseerd op hetzelfde grondpatroon en de ene verschilt maar weinig van de andere. De kracht waarop ze drijven is adrenaline verslaving en het verlangen naar persoonlijke macht. Alle rebellen zijn stiekeme aristocraten. Daarom kan ik ze ook zo makkelijk bekeren.
Waarom luisteren de Duncans nooit goed als ik ze daarover vertel? Ik heb er nota bene ook met deze Duncan woorden over gehad. Dat was een van onze eerste 7neningsv er schillen en nog wel hier in het gewelf.
'De kunst van het regeren vereist dat je nooit het initiatief aan radicale elementen overlaat,' zei hij.
Wat een betweter. In elke generatie steken radicale elementen de kop op en dit moet je niet proberen te beletten. En dat bedoelt hij met 'het initiatief niet overlaten'. Hij wil ze verpletteren, onderdrukken, overheersen en voorkomen. Hij is er het levende bewijs van dat de geest van een militair en die van een politiefunctionaris maar heel weinig van elkaar verschillen.
Ik hield hem voor: 'Voor radicale elementen moet je pas bang worden als je gaat proberen ze te onderdrukken. Je moet duidelijk maken dat je het beste uit hun aanbod zult gebruiken.'
'Ze zijn gevaarlijk. Ze zijn gevaarlijk!'
Hij denkt dat iets meer waar wordt als hij het herhaalt.
Langzaam, stap voor stap, neem ik mijn methode met hem door en het lijkt er zelfs op dat hij luistert.
'Dit is hun zwakke punt, Duncan. Radicale elementen zien dingen altijd in termen die veel te eenvoudig zijn - zwart en wit, goed en kwaad, wij en zij- Door ingewikkelde zaken op die manier aan te pakken, maken ze de weg vrij voor wanorde. En de kunst van het regeren, zoals jij het noemt, is het beheersen van wanorde.'
'Geen mens kan elke verrassing goed aanpakken.'
'Verrassing? Wie heeft het over verrassing? Wanorde is geen verrassing. Wanorde heeft voorspelbare eigenschappen. Zo verdrijft hij bij voorbeeld de orde en versterkt de extreme krachten.'
'Maar dat is toch juist het doel van radicalen? Ze proberen toch de boel in de war te sturen om zelf de macht te kunnen grijpen?'
'Ze denken dat ze dat doen. In werkelijkheid kweken ze alleen maar nieuwe extremisten, nieuwe radicalen en houden ze het oude proces op gang.'
'Rn een radicaal die wel inziet hoe ingewikkeld het is en je op die manier aanvalt, hoe pak je die aan?'
'Dat is geen radicaal. Dat is een rivaal voor de leiderspost.' 'Maar hoe pak je die aan?'
'Je wint ze voor je zaak of je doodt ze. Op die manier is in de oertijd de strijd om de leiderspositie ook ontstaan.' 'Ja, maar wat doe je tegen een Messias?' 'Zoals mijn vader?'
Deze vraag staat de Duncan helemaal itiet aan. Hij weet dat ik op een heel speciale manier mijn vader ben. Hij weet dat ik als mijn vaders persoonlijkheid kan spreken, met zijn stem, dat de herinneringen nauwkeurig zijn, nimmer gewijzigd en onontkoombaar.
Met tegenzin zegt hij: 'Nu ja... zo je wilt.'
'Duncan, ik ben ze allemaal en ik weet het. Er heeft nog nooit een waarlijk onzelfzuchtige rebel bestaan, alleen maar huichelaars - bewuste huichelaars of onbewuste huichelaars, het komt allemaal op hetzelfde neer.'
Dat veroorzaakt een kleine vulkaanuitbarsting in mijn voorouderlijk geheugen. Een aantal van hen hebben nooit de overtuiging losgelaten dat zij absoluut de enigen waren die de sleutel voor al 's mensen problemen in handen hadden. Tja, daarin zijn ze net mij. Ik voel met ze mee, ook al vertel ik ze erbij dat mislukking een afdoende bewijs is.
Toch moet ik hen buitensluiten. Het heeft geen zin om lang bij hen te blijven stilstaan. Ze zijn inmiddels niet veel meer dan schrijnende herinneringen... net als deze Duncan die hier voor me staat met zijn laswapen...Alle duivels! Hij heeft me overrompeld. Hij heeft het laswapen in zijn handen en het is op mijn gezicht gericht. 'Jij ook, Duncan? Heb zelfs jij me verraden?' Et tu, Brute?
Elke vezel van Leto's bewustzijn kwam tot leven. Hij voelde zijn lichaam zenuwachtig bewegen. Het worm-lijf had een eigen wil.
Honend zei Idaho: 'Hoe vaak moet ik je betalen met mijn trouw voor mijn schuld is afgelost, Leto?'
Leto herkende de vraag die erachter stak: 'Hoeveel Duncans zijn er geweest?' Dat wilden de Duncans altijd weten. Elke Duncan vroeg het en geen enkel antwoord stelde hen tevreden. Ze twijfelden.
Met zijn droevigste Muad'Dib-stem vroeg Leto: 'Doet mijn bewondering je dan geen genoegen, Duncan? Heb je je nooit afgevraagd wat jij toch wel voor bijzonders moest hebben dat ik je door de eeuwen heen steeds aan mijn zijde heb gewenst?'
'Je weet dat ik een stomme idioot ben!'
'Duncan!'
De stem van een boze Muad'Dib was altijd een probaat middel om Idaho van zijn stuk te brengen. Ondanks het feit dat Idaho wist dat Leto de Stem vaardiger had leren hanteren dan ooit enige Bene Gesserit, was het te verwachten dat hij deze ene stem zou gehoorzamen. Het laswapen beefde in zijn handen.
Dat was genoeg. Leto liet zich razendsnel van zijn wagen rollen. Idaho had hem nooit op die manier van de wagen zien komen, had zelfs niet vermoed dat het kon. Voor Leto waren er maar twee dingen noodzakelijk - een wezenlijk gevaar dat het worm-lijf kon voelen en het vrijlaten van dat lijf. De rest ging vanzelf en de snelheid ervan verbaasde zelfs Leto altijd weer.
Zijn voornaamste zorg was het laswapen. Dat kon hem lelijk verwonden, maar slechts weinig mensen begrepen hoe goed het pre-worm lichaam tegen hitte bestand was.
Al rollend ramde Leto Idaho en op het moment dat het laswapen vuurde, werd het opzij geslagen. Een van de onbruikbare vinnen die Leto's voeten en benen waren geweest, bombardeerde zijn bewustzijn met een schokkende gevoelsuitbarsting. Een ogenblik lang was er niets anders dan pijn. Maar het worm-lijf kon vrij handelen en reflexen deden de worm krampachtig op en neer springen. Leto hoorde botten kraken. Het laswapen kwam door een stuiptrekking van Idaho's hand aan de andere kant van het gewelf op de vloer terecht.
Leto rolde van Idaho af en bereidde zich voor op een nieuwe aanval, maar het was niet meer nodig. De gewonde vin stuurde nog steeds pijnsignalen en hij voelde dat de punt van de vin was weg geschroeid. De zandforelhuid had de wond al gedicht. De pijn was afgenomen tot een akelig kloppen.
Idaho bewoog. Hij was dodelijk gewond, daar kon geen twijfel over bestaan. Zijn borstkas was zichtbaar ingedrukt. Ademhalen deed hem duidelijk vreselijk pijn. Hij sloeg zijn ogen op om Leto aan te staren.
De hardnekkigheid van deze bezeten stervelingen! dacht Leto. 'Siona,' hijgde Idaho.
Toen zag Leto het leven uit hem wegebben.
Interessant, dacht Leto. Is het mogelijk dat deze Duncan en Siona... Nee! Deze Duncan heeft altijd oprecht smalend afgegeven op Siona's dwaze gedrag.
Leto klom weer op de Keizerwagen. Dat was op het kantje af geweest. De Duncan had het duidelijk op zijn hersens voorzien. Leto was zich er altijd van bewust dat zijn handen en voeten kwetsbaar waren, maar hij had nimmer aan iemand laten weten dat er geen rechtstreeks verband meer bestond tussen zijn gezicht en wat eens zijn hersens waren geweest. Het waren zelfs geen hersens van menselijke afmetingen meer, maar een verzameling zenuwknopen door zijn hele lichaam verspreid. Hij had dat alleen in zijn verslagen vermeld en verder wist niemand het.