Het patroon van monarchieen en gelijksoortige stelsels bevat een boodschap die waardevol is voor alle politieke vormen. Mijn herinneringen verzekeren me dat regeringen van elke soort met deze boodschap hun voordeel kunnen doen. Regeringen kunnen alleen nut hebben voor onderdanen zolang aangeboren neigingen tot tirannie onderdrukt worden. Naast hun voornaamste eigenschappen bezitten monarchieen nog een aantal goede kwaliteiten. Ze kunnen de omvang en de parasitische aard van het bestuursapparaat binnen de perken houden. Ze kunnen zo nodig razendsnelle beslissingen nemen. Ze voldoen aan een oude, menselijke behoefte aan een ouderlijke (tribale/feodale) gezagsverhouding waarin iedereen zijn plaats kent. Het is waardevol om je plaats te kennen, ook al is die plaats maar tijdelijk. Het is een kwelling om tegen je wil op een bepaalde plaats gehouden te worden. Daarom leer ik jullie alles over tirannie, op de best mogelijke manier - door jullie een voorbeeld te geven. Al lezen jullie deze woorden ook eeuwen later, mijn tirannie zal nog niet vergeten zijn. Daar zorgt mijn Gouden Weg voor. Nu jullie mijn boodschap kennen, verwacht ik dat jullie ontzettend voorzichtig zullen zijn met het overdragen van macht aan een of andere regering.
De Gestolen Verslagen
Leto bereidde zich zorgvuldig en geduldig voor op zijn persoonlijke onderhoud met Siona, hun eerste ontmoeting sinds haar verbanning op jeugdige leeftijd naar de Vissprekers scholen in de Festivalstad. Hij vertelde Moneo dat hij haar wilde ontmoeten in de Kleine Citadel, een uitkijktoren die hij midden in de Sarier had laten bouwen. De plaats waar hij stond was zo gekozen dat je er zowel over oude als nieuwe dingen kon uitkijken en ook nog over wat daar tussenin lag. De Kleine Citadel was niet over een weg te bereiken. Bezoekers kwamen altijd per 'thopter. Leto kwam er op een of andere geheimzinnige manier.
Toen Leto nog maar pas aan de macht was, had hij met hulp van een Ixiaanse graafmachine eigenhandig een geheime tunnel gegraven die onder de Sarier door naar zijn toren liep. Hij had al het werk zelf gedaan. In die tijd zwierven er nog enkele wilde zandwormen door de woestijn. Hij had zijn tunnel bekleed met een dikke laag verglaasd gesteente en aan de buitenkant had hij talloze bellen vol worm-verjagend water ingebouwd. De tunnel was berekend op zijn maximale toekomstige omvang en hij was bruikbaar voor een Keizerwagen, die in die tijd nog slechts een verschijning uit zijn visioenen was.
Op de dag die hij voor Siona had uitgetrokken, daalde Leto al ver voor zonsopgang af naar het gewelf waar hij zijn lijfwacht meedeelde dat hij door niemand gestoord wilde worden. Hij snelde op zijn wagen een van de donkere spaken van het gewelf in en opende daar een geheime deur om nog geen uur later bij de Kleine Citadel weer op te duiken.
Een van de dingen waarvan hij erg genoot was in zijn eentje het zand op te gaan. Zonder wagen. Dan verplaatste hij zich gewoon met zijn eigen pre-wormlijf. Het zand voelde verrukkelijk aan tegen zijn lichaam. Van het gloeiend hete spoor dat hij in het ochtendgloren door de duinen trok, stegen in zijn kielzog grote stoomwolken omhoog zodat hij wel in beweging moest blijven. Pas toen hij zo'n vijf kilometer verder een betrekkelijk droog stuk zand vond, kwam hij tot stilstand. Met zijn lijf net uit de lange torenschaduw, die zich in oostelijke richting over het zand uitstrekte, lag hij daar te midden van onaangenaam vochtige dauw-resten.
Uit de verte zag de drieduizend meter hoge toren eruit als een onmogelijke naald die in de hemel priemde. Uitsluitend de bezielde mengeling van Leto's bevelen en Ixiaanse verbeeldingskracht maakte zo'n bouwsel denkbaar. Met zijn middellijn van honderdvijftig meter stond de toren op een fundering die net zo diep in het zand stak als de toren zelf in de lucht. De toverkracht van piastaai en vederlichte legeringen maakte hem soepel in de wind en bestand tegen vretende zandstormen.
Leto vond het verblijf daar zo aangenaam dat hij zichzelf op rantsoen had gezet door een lange lijst van persoonlijke voorwaarden op te stellen waaraan voldaan moest zijn voor hij erheen mocht. Alles bij elkaar kwamen die voorwaarden neer op 'Uiterste Noodzaak'.
Toen hij daar zo lag, kon hij enkele ogenblikken lang de last van de Gouden Weg van zich af laten vallen. Moneo, die beste, betrouwbare Moneo, zou ervoor zorgen dat Siona prompt bij het vallen van de duisternis arriveerde. Leto had een hele dag om zich te ontspannen en na te denken, om rond te dollen en net te doen of hij zich nergens om bekommerde, om de voedende, rauwe aardmaterie op te slokken in een zwelgpartij waaraan hij zich in Onn of in de Citadel nooit kon overgeven. Daar moest hij zich beperken tot stiekeme tochtjes door nauwe gangen waar hij uitsluitend door zorgvuldig gebruik van zijn voorzienigheid de talrijke waterinsluitsels kon vermijden. Maar hier kon hij over en door het zand snellen, hier kon hij zich voeden en aansterken.
Toen hij zich van louter dierlijk genot in allerlei bochten kronkelde, knarste het zand onder zijn rollende lijf. Hij voelde de wormhelft van zijn persoonlijkheid weer op krachten komen, een prikkelende ervaring, waardoor hij zich over zijn hele lichaam kerngezond begon te voelen.
De zon stond inmiddels een flink eindje boven de horizon zodat er langs de zijkant van de toren een gouden streep liep. De lucht smaakte bitter van fijn stof en hij rook de geur van stekelplanten in de verte die op de sporen ochtenddauw reageerden. Aanvankelijk heel kalm, maar daarna steeds sneller begon hij zich in een wijde boog rond de toren te verplaatsen, en onderwijl dacht hij na over Siona.
Het kon geen uitstel meer velen. Ze moest op de proef gesteld worden. Moneo wist dit net zo goed als Leto.
Die zelfde ochtend nog had Moneo gezegd: 'Heer, er woedt een verschrikkelijk geweld in haar.'
'Ze heeft een beginnende adrenalineverslaving,' had Leto gezegd. 'Het wordt tijd dat ze gaat afkicken.'
'Af - wat Heer?'
'Dat is een oude uitdrukking. Het betekent dat ze een volledige onthouding moet doormaken. Ze moet een schokkende noodzaak ervaren.'
'Oh... ik begrijp het.'
Dit keer, besefte Leto, begreep Moneo het inderdaad. Moneo had zijn eigen afkickperiode doorgemaakt.
'Jonge mensen zijn over het algemeen niet in staat om harde beslissingen te nemen, tenzij die beslissingen verband houden met direct geweld en de daardoor veroorzaakte plotselinge toevloed van adrenaline,' had Leto uitgelegd.
Verdiept in zijn herinneringen was Moneo bedachtzaam blijven zwijgen tot hij uiteindelijk zei: 'Het is een groot gevaar.'
'Dat is het geweld dat jij in Siona ziet. Zelfs oude mensen klampen zich er soms aan vast, maar jonge mensen zwelgen erin.'
Terwijl hij in het toenemende daglicht rondjes om zijn toren draaide en het zand steeds prettiger ging aanvoelen naarmate het droger werd, dacht Leto na over dat gesprek. Een windvlaag blies de afgevoerde zuurstof en een geur van geschroeid vuursteen van achteren naar zijn menselijke neus. Hij ademde diep, en tilde zijn vermenigvuldigde bewustzijn naar een nieuwe hoogte.
Deze voorbereiding had meer dan een doel. Hij bekeek de komende ontmoeting ongeveer op dezelfde manier als een stierenvechter in de oudheid de eerste ontmoeting met een gehoornde tegenstander had bekeken. Siona bezat haar eigen versie van horens, hoewel Moneo erop zou toezien dat ze geen tastbare wapens zou meebrengen naar deze ontmoeting. Maar Leto moest er zeker van zijn dat hij al Siona's sterke en zwakke punten kende. En hij zou haar waar mogelijk extra gevoelig voor bepaalde dingen moeten maken. Hij moest haar op de proef voorbereiden door haar geestelijke spieren te verlammen met een aantal goed geplaatste weerhaken.
Toen zijn wormhelft kort na het middaguur volledig verzadigd was, keerde hij terug naar de toren. Hij kroop weer op zijn wagen, schakelde over op suspensie en vloog helemaal naar de top van de toren waar op zijn bevel een grote deur openschoof. Daar bleef hij verder de hele dag in de torenkamer liggen denken en plannen maken.
Bij het invallen van de schemering kondigde een fluisterend geruis van ornithopter-vleugels in de lucht Moneo's komst aan. Trouwe Moneo.
Leto liet een landingslip uit zijn torenkamer naar buiten schuiven. De 'thopter kwam met holle vleugels aanglijden. Hij landde zachtjes op de lip. Leto staarde naar buiten in de opkomende duisternis. Siona stapte uit en rende naar binnen, geschrokken van de gapende afgrond. Ze droeg een witte mantel over een zwart uniform zonder onderscheidingstekens. Eenmaal in de toren bleef ze staan; ze keek vlug even achterom, maar meteen daarna richtte ze al haar aandacht op Leto's omvangrijke lijf dat bijna in het midden van de torenkamer op de wagen lag te wachten. De 'thopter steeg op en verdween suizend in het donker. Leto liet de lip uitgeschoven en de deur open.
'De andere kant van de toren heeft een balkon,' zei hij. 'Daar gaan we heen.'
'Waarom?'
Siona's stem was een en al achterdocht.
'Ze hebben me verteld dat het daar koel is,' zei Leto. 'En ik voel inderdaad de koelte op mijn gezicht als ik het daar in de wind hou.'
Haar nieuwsgierigheid dreef daar dichter naar hem toe.
Leto liet de deur achter haar dichtschuiven.
'Je hebt op dat balkon 's nachts een geweldig uitzicht,' zei Leto.
'Waarom zijn we hier?'
'Omdat niemand ons hier kan afluisteren.'
Leto keerde zijn wagen en reed hem zwijgend het balkon op. De zwakke indirecte verlichting in de torenkamer liet haar zien wat hij deed. Hij hoorde haar achter zich aan komen.
Het halfronde balkon, rondom voorzien van een borsthoge, opengewerkte leuning, omsloot de hele zuidoostkant van de toren. Siona liep naar de leuning en liet haar blik over het open landschap dwalen.
Leto voelde haar afwachtende, ontvankelijke stemming. Er ging hier iets gezegd worden dat alleen voor haar oren bestemd was. Wat het ook was, ze zou luisteren en reageren vanuit haar eigen bron van beweegredenen. Leto keek over haar hoofd naar de rand van de Sarier waar hij, bij het licht van de Eerste Maan die net boven de horizon verscheen, nog juist de door mensen opgeworpen rotsmuur kon onderscheiden als een lage, vlakke lijn. Zijn versterkte gezichtsvermogen herkende de beweging in de verte als een konvooi uit de richting van Onn, een vaag lichtschijnsel uit de bespannen wagens die over de hoofdweg naar het dorp Tabur trokken.
Uit zijn geheugen kon hij een beeld oproepen van het dorp dat verscholen lag tussen de planten die in de vochtige strook aan de binnenkant van de rotswand groeiden. Zijn Museum Vrijmans kweekten daar dadelpalmen, hoge grassoorten en zelfs tuinbouw gewassen. Het was heel anders dan vroeger toen elke bewoonde plek, zelfs een piepklein dal met een paar lage planten, gevoed door een enkel spaarbekken met windval, er weelderig uit kon zien vergeleken bij de open zandvlakten. In vergelijking met Vest Tabr was het dorp Tabur een waterrijk paradijs. Iedereen in het huidige dorp wist dat vlak achter de rotsmuur van de Sarier, de rivier de Idaho naar het zuiden stroomde in een lange rechte lijn, die nu in het maanlicht zilver zou oplichten. Museum Vrijmans konden niet langs de steile binnenkant van de rotswand omhoog klimmen, maar ze wisten dat het water er was. De aarde wist het ook. Als een inwoner van Tabur zijn oor tegen de grond legde, sprak de aarde tegen hem met de stem van de stroomversnellingen in de verte.
Er zouden nu nachtvogels langs de oever zwalken, bedacht Leto, wezens die op andere werelden in het zonlicht zouden leven. De wonderen van de evolutie hadden hen aan Duin aangepast en dankzij de Sarier leefden ze nu nog. Leto had de vogels zwijgende schaduwen over het water zien trekken, en als ze zich bukten om te drinken kwamen er rimpels in het water die door de rivier werden afgevoerd. Zelfs op deze afstand voelde Leto de macht van dat verre water, een krachtig iets uit zijn verleden dat zich steeds verder van hem verwijderde, zoals de stroom wegglipte naar de streken van boerderijen en bossen in het zuiden. Het water zocht zijn weg door glooiende heuvels, langs de randen van een weelderige plantengroei die alle woestijnen van Duin had verdrongen, met uitzondering van deze laatste plek, deze Sarier, dit reservaat van het verleden.
Leto herinnerde zich nog de grommende opmars van de Ixiaanse machines waarmee deze waterloop aan het landschap was opgedrongen. Het leek nog maar zo kort geleden, iets meer dan drieduizend jaar.
Siona bewoog en keek hem over haar schouder aan, maar Leto bleef zwijgend over haar hoofd staren. Boven de horizon hing een bleekoranje gloed, de weerspiegeling van een stad tegen verre wolken. Uit de richting en de afstand leidde Leto af dat het de stad Muurpoort moest zijn, van zijn vroegere, grimmige locatie in het koude, schuin invallende licht van het noorden overgeplaatst naar het warmere klimaat van het verre zuiden. De gloed van de stad was net een raam naar zijn verleden. Hij voelde het schijnsel diep in zijn borst dringen, dwars door het dikke, geschubde membraan heen dat zijn mensenhuid had vervangen.
Ik ben kwetsbaar, dacht hij.
Toch wist hij dat hij in dit oord heer en meester was. En de planeet was zijn heer en meester.
Ik ben er een onlosmakelijk onderdeel van.
Hij verslond rechtstreeks de rauwe grond en alleen het water werd door hem versmaad. Zijn mensenmond en -longen konden nog juist genoeg ademen om hem een restje menselijkheid te laten behouden... en om te kunnen praten.
Leto zei tegen Siona's rug: 'Ik praat graag en ik zie met angst en beven de dag tegemoet dat ik niet langer gesprekken zal kunnen voeren.'
Een beetje schoorvoetend draaide ze zich om en in het maanlicht staarde ze hem aan met een duidelijke afkeer op haar gezicht.
'Ik geef toe dat ik in de ogen van veel mensen een monster ben,' zei hij.
'Waarom ben ik hier?'
Meteen ter zake! Ze wilde niet afdwalen. De meeste Atreides waren precies zo geweest, bedacht hij. Hij hoopte die karaktertrek in hun nageslacht te kunnen behouden. Het was een blijk van een sterk innerlijk besef van eigen identiteit.
'Ik moet erachter komen hoe de tijd je heeft veranderd,' zei hij.
'Waarom moet je dat?'
Nu klinkt haar stem toch een beetje angstig, dacht hij. Ze denkt dat ik naar dat povere opstandje zal gaan vissen en naar de namen van haar kameraden die het er levend afgebracht hebben.
Toen hij bleef zwijgen zei ze: 'Ben je van plan mij te vermoorden, zoals je ook mijn vrienden hebt vermoord?'
Ze heeft van het gevecht bij de ambassade gehoord. Rn z& neemt aan dat ik op de hoogte ben van haar recente opstandige bezigheden. Moneo heeft haar verdomme de les gelezen! Ach ja... misschien had ik in zijn omstandigheden hetzelfde wel gedaan.
'Ben je echt een god?' wilde ze weten. 'Ik begrijp niet waarom mijn vader dat gelooft.'
Ze heeft haar twijfels, dacht hij. Ik heb nog een beetje speelruimte.
'Definities kunnen nogal verschillen,' zei hij. 'Voor Moneo ben ik een god... en dat is een waarheid.' 'Vroeger was je een mens.'
De gedachtesprongen van haar verstand waren toch wel vermakelijk. Ze had die trefzekere, speurende nieuwsgierigheid die zo kenmerkend was voor de Atreides.
'Jij bent nieuwsgierig naar mij,' zei hij. 'Dat is omgekeerd ook het geval; ik ben nieuwsgierig naar jou.'
'Waarom denk je dat ik nieuwsgierig ben?'
'Als kind hield je me altijd heel nauwgezet in de gaten. En vanavond zie ik die zelfde blik in je ogen.'
'Ja, ik heb me afgevraagd hoe het zou zijn om jou te zijn.'
Hij keek haar een ogenblik onderzoekend aan. Het maanlicht tekende schaduwen onder haar ogen zodat hij ze niet kon zien. Hij kon zich verbeelden dat haar ogen, net als die van hem zelf, volledig blauw waren, het blauw van de specieverslaving. Als je dat erbij verzon, vertoonde Siona een eigenaardige gelijkenis met zijn lang geleden gestorven Ghani. Dat zat hem vooral in de vorm van haar gezicht en de plaatsing van haar ogen. Bijna had hij dit aan Siona verteld, maar het leek hem ineens toch beter om dat niet te doen.
'Eet je gewoon mensenvoedsel?' vroeg Siona.
'Nog heel lang nadat ik de zandforelhuid aannam heb ik gewone maaghonger gevoeld,' zei hij. 'Af en toe probeerde ik dan iets te eten. Meestal gooide mijn maag het er weer uit. De trilharen van de zandforel hadden zich door vrijwel al mijn menselijk weefsel verspreid. Eten werd erg lastig. Tegenwoordig gebruik ik alleen nog droog materiaal dat soms een beetje specie bevat.'
'Jij... eet melange?'
'Soms.'
'Maar je voelt geen menselijke honger meer?'
'Dat heb ik niet gezegd.'
Ze staarde hem afwachtend aan.
Leto bewonderde de manier waarop ze gebruik maakte van onuitgesproken vragen. Ze was pienter en ze had in haar korte leven veel geleerd.
'De maaghonger was een naar gevoel, een pijn die ik niet kon verlichten,' zei hij. 'Dan ging ik maar rennen; ik rende als een krankzinnig dier door de duinen.'
'Je... rende?'
'In die tijd waren mijn benen langer in verhouding tot mijn lijf. Ik kon me heel makkelijk bewegen. Maar de hongerige pijn ben ik nooit helemaal kwijtgeraakt. Ik denk dat het honger naar mijn verloren menselijkheid is.'
Hij zag de twijfels in haar opkomen, het begin van een schoorvoetend meeleven.
'Heb je die... pijn nog steeds?'
'Het is nu niet meer dan een vaag knagend gevoel. Dat is een van de tekenen dat het laatste stadium van mijn gedaanteverandering is aangebroken. Over een paar honderd jaar zit ik weer onder het zand.'
Hij zag dat ze haar vuisten balde. 'Waarom?' wilde ze weten. 'Waarom heb je dit gedaan?'
'De verandering is niet alleen maar akelig. Vandaag was bij voorbeeld een heel aangename dag. Ik voel me heel prettig.'
'Er zijn veranderingen die wij niet kunnen zien,' zei ze. 'Ik weet dat die er moeten zijn.' Haar handen ontspanden zich weer.
'Mijn gezicht en mijn gehoor zijn heel scherp geworden, maar mijn tastzin niet. Behalve met de huid van mijn gezicht, voel ik niets meer op de manier van vroeger. Dat mis ik.'
Weer bespeurde hij het schoorvoetende meeleven, het streven naar inleving en begrip. Ze wilde het weten\
'Als je zo lang leeft,' zei ze, 'hoe ervaar je dan het verstrijken van de tijd? Gaat die steeds sneller met het verstrijken van de jaren?'
'Dat is iets eigenaardigs, Siona. Soms vliegt de tijd en soms kruipt hij voorbij.'
Onder het gesprek had Leto de indirecte verlichting van zijn torenkamer steeds meer gedempt en was hij met zijn wagen steeds dichter naar Siona toe gekropen. Nu deed hij het licht helemaal uit zodat alleen de maan nog scheen. De voorkant van zijn wagen stond op het balkon zodat zijn gezicht nog maar een meter of twee bij Siona vandaan was.
'Mijn vader vertelde me,' zei ze, 'dat jouw tijd steeds langzamer gaat naarmate je ouder wordt. Heb jij hem dat verteld?'
Ze wil weten hoe geloofwaardig ik ben, dacht hij. Dan is ze dus geen Waarheidszegger.
'Alle dingen zijn betrekkelijk, maar vergeleken bij het menselijk tijdsbesef is dat inderdaad juist.'
'Hoe komt dat?'
'Dat heeft te maken met wat er van me zal worden. Uiteindelijk zal de tijd voor mij stilstaan en zal ik bevriezen als een parel in een klomp ijs. Mijn nieuwe lichamen zullen zich verspreiden, elk met in zijn binnenste een pareltje verstopt.'
Ze wendde haar hoofd af en draaide zich om. Ze staarde over de woestijn en zei zonder hem aan te kijken: 'Als ik hier zo in het donker met je praat, kan ik bijna vergeten wat je bent.'
'Daarom heb ik dit tijdstip ook gekozen voor onze ontmoeting.'
'Maar waarom deze plaats?'
'Omdat het de laatste plek is waar ik me thuis kan voelen.'
Siona draaide zich om en keek hem, tegen de omheining van het balkon geleund, aan. 'Ik wil je zien.'
Hij deed al het licht in de torenkamer aan, met inbegrip van de felwitte gloeibollen langs de daklijst aan de rand van het balkon. Toen het licht aanging schoof er uit een sleuf in de wand een doorzichtig scherm van Ixiaanse makelij, dat achter Siona's rug het balkon afsloot. Ze voelde het achter haar rug voorbij schuiven en keek even verbaasd, maar toen knikte ze alsof ze het begreep. Zij dacht dat het een bescherming tegen aanslagen was. Dat was het niet. Het scherm hield gewoon de vochtige nachtinsecten buiten.
Siona stond naar Leto te staren. Haar blik dwaalde over zijn lijf, bleef even hangen bij de stompjes die eens zijn benen waren, verplaatste zich toen naar zijn armen en handen en ten slotte naar zijn gezicht.
'Jouw goedgekeurde geschiedschrijving vertelt ons dat alle Atreides van jou en je zuster Ghanima afstammen,' zei ze. 'De Mondelinge Overlevering geeft een afwijkend verhaal.'
'De Mondelinge Overlevering heeft gelijk. Harq al-Ada was jullie voorvader. Ghani en ik waren alleen voor de vorm getrouwd, een maatregel om de macht te consolideren.'
'Net als je huwelijk met die Ixiaanse vrouw?'
'Dat is iets anders.'
'Zullen jullie kinderen krijgen?'
'Ik heb nooit kinderen kunnen krijgen. Voor dat mogelijk werd had ik al voor de gedaanteverandering gekozen.'
'Je was dus een kind en daarna was je...' ze wees, 'dit?'
'Daar zat niets tussen.'
'Hoe weet een kind wat hij moet kiezen?'
'Ik was een van de oudste kinderen die dit heelal ooit heeft meegemaakt. Ghani was het andere.'
'Dat verhaal over je voorouderlijke herinneringen!'
'Een waar verhaal. We zijn hier allemaal. Zo luidt de Mondelinge Overlevering toch ook.'
Ze draaide zich met een ruk om en bleef stokstijf met haar rug naar hem toe staan. Weer voelde Leto zich enorm geboeid door dit in-menselijke gebaar: afwijzing gekoppeld aan kwetsbaarheid. Even later keerde ze zich weer om en tuurde ze nauwlettend naar zijn gezicht in de plooien van de huif.
'Je hebt een echt Atreides-gezicht,' zei ze.
'Ik ben er net zo eerlijk aan gekomen als jij.'
'Je bent al zo oud... waarom heb je geen rimpels?'
'Mijn menselijke deel veroudert in geen enkel opzicht op een normale manier.'
'Is dat de reden dat je jezelf dit hebt aangedaan?'
'Om van het leven te kunnen genieten? Nee.'
'Ik begrijp niet hoe iemand zo'n keus zou kunnen doen,' mompelde ze. En toen iets luider: 'Nooit liefde te kennen...'
'Doe niet zo stom!' zei hij. 'Jij hebt het niet over liefde, jij hebt het over seks.'
Ze haalde haar schouders op.
'Denk jij dat het opgeven van seks het ergste was? Nee hoor, mijn grootste verlies was iets heel anders.'
'Wat dan?' Ze vroeg het met tegenzin omdat het verraadde hoe diep ze door hem geroerd werd.
'Ik kan me niet tussen mijn medemensen bewegen zonder aandacht te trekken. Ik ben niet langer een van jullie. Ik ben alleen. Liefde? Een heleboel mensen hebben me lief, maar mijn gestalte houdt ons uit elkaar. We zijn van elkaar gescheiden, Siona door een kloof die geen enkel ander mens durft te overbruggen.'
'Zelfs je Ixiaanse vrouw niet?'
'Ja, zij zou het doen als ze het kon, maar zij kan het niet. Ze is geen Atreides.'
'Je bedoelt dat ik... het wel zou kunnen?' Ze hield haar wijsvingers tegen haar borst.
'Als er genoeg zandforel te vinden was. Jammer genoeg zit alle zandforel in het omhulsel van mijn lijf. Maar als ik zou sterven...'
Sprakeloos van afschuw bij het idee schudde ze haar hoofd.
'De Mondelinge Overlevering vertelt het accuraat,' zei hij. 'En we moeten nooit vergeten dat jij de Mondelinge Overlevering gelooft.'
Ze bleef haar hoofd schudden.
'Er is niets geheims aan,' zei hij. 'De eerste ogenblikken van de verandering zijn de hachelijke momenten. Je bewustzijn moet zich naar binnen richten, maar tegelijk naar buiten; het moet een zijn met de oneindigheid. Ik zou je genoeg melange kunnen geven om dit klaar te spelen. Met voldoende specie kan je die eerste afschuwelijke ogenblikken overleven... en alle andere ogenblikken daarna.'
Ze bleef hem strak aankijken, maar ze begon onbedwingbaar te beven.
'Je weet dat ik je de waarheid vertel, he?' Ze knikte, slaakte een diepe, beverige zucht en zei toen: 'Waarom heb je het gedaan?'
'Het alternatief was nog veel gruwelijker.' 'Welk alternatief?'
'Misschien ga je het op de duur begrijpen. Moneo wel.'
'Je vervloekte Gouden Weg!'
'Helemaal niet vervloekt. Behoorlijk heilig.'
'Jij denkt zeker dat ik een halvegare idioot ben die niet kan...'
'Ik denk dat je onervaren bent, maar dat je een enorme bekwaamheid bezit waarvan je de mogelijkheden niet eens vermoedt.'
Ze haalde driemaal diep adem en toen ze haar zelfbeheersing enigszins terughad, zei ze: 'Als je niet kunt paren met de Ixiaanse, wat...'
'Kind, waarom blijf je zo volharden in je misvatting? Het gaat niet om seks. Voor Hwi kon ik geen paar vormen. Ik had niemand die mijn gelijke was. In de hele kosmische leegte was ik de enige.'
'Is zij... je gelijke?'
'De Ixianen hebben haar opzettelijk zo gemaakt.' 'Haar gemaakt...?'
'Doe niet zo ontzettend achterlijk!' snauwde hij. 'Zij is de volmaakte goden-val. Zelfs het slachtoffer kan haar niet afwijzen.'
'Waarom vertel je mij deze dingen?' fluisterde ze.
'Jij hebt twee kopieen van mijn verslagen gestolen,' zei hij. 'Je hebt de Gildevertalingen gelezen en je weet al lang waarmee je mij moet vangen.'
'Wist je het?'
Hij zag aan haar houding dat haar moed terugkeerde nu ze besefte welke macht ze zelf had. 'Natuurlijk wist je het,' zei ze, in antwoord op haar eigen vraag.
'Het was mijn geheim,' zei hij. 'Je kan je niet voorstellen hoe vaak ik een geliefde vriend heb zien aftakelen... zoals je vader nu ook aan het aftakelen is.' 'Je houdt... van hem?'
'En ik hield ook van je moeder. Soms sterven ze snel; soms martelend traag. En iedere keer is het een kwelling voor me. Ik kan doen of ik keihard ben, en ik kan de noodzakelijke beslissingen nemen, zelfs beslissingen die een mensenleven kosten, maar ik kan niet aan het lijden ontkomen. Heel, heel erg lang - die verslagen die jij hebt gestolen melden dat naar waarheid - was dat de enige gevoelsbeleving die ik kende.'
Hij zag haar ogen vochtig glanzen, maar haar kin stak nog steeds vastberaden naar voren.
'Dat alles geeft je nog niet het recht om te regeren,' zei ze.
Leto onderdrukte een grijns. Eindelijk waren ze dan toch aangeland bij de wortel van Siona's opstandigheid.
Welk recht eigenlijk? Waar is de gerechtigheid in mijn heerschappij? Is het wel eerlijk tegenover de stuwende evolutie van de mensheid om hen met de sterke arm van de Vissprekers mijn regels op te dringen? Ik ken het revolutionaire jargon door en door, de leuzen en de holle frasen.
'In de macht die ik uitoefen herken je nergens je eigen opstandige hand,' zei hij.
Haar jeugd wilde niet toegeven.
'Ik heb jou nooit gekozen als regeerder,' zei ze.
'Maar je maakt me sterker.'
'Hoe dan?'
'Door me tegenstand te bieden. Ik scherp mijn klauwen aan mensen zoals jij.'
Ze keek onwillekeurig vlug even naar zijn handen. 'Beeldspraak,' zei hij.
'Eindelijk heb ik je dan toch weten te ergeren,' zei ze, niets anders horend dan de snijdende woede in zijn woorden en zijn stem.
'Je hebt me niet geergerd. Wij zijn familie van elkaar en binnen de familie kunnen we openhartig met elkaar spreken. De kwestie is dat ik van jou veel meer te vrezen heb dan jij van mij.'
Dit bracht haar van haar stuk, maar niet voor lang. Hij zag aan het verstrakken van haar schouders dat ze hem geloofde, maar daarna kwam de twijfel terug. Ze liet haar kin zakken en tuurde omhoog naar zijn gezicht.
'Wat zou de Grote Leto van mij te vrezen hebben ?'
'Je domme gewelddadigheid.'
'Beweer je dat je lichamelijk kwetsbaar bent?'
'Ik waarschuw je niet meer, Siona. Er zijn grenzen aan de woordspelletjes die ik meespeel. De Ixianen en jij weten allebei donders goed dat het de mensen zijn die ik liefheb die lichamelijk kwetsbaar zijn. Weldra zal het hele rijk het weten. Dit soort nieuws verspreidt zich altijd razendsnel.'
'En dan zullen ze allemaal vragen met welk recht jij over hen heerst?'
Haar stem was vol leedvermaak. Dat maakte Leto ineens heel kwaad. Hij kon zich maar met moeite beheersen. Dit was een aspect van menselijke gevoelsbeleving waarvan hij walgde. Leedvermaak! Het duurde even voor hij durfde te antwoorden, maar toen mikte hij ook dwars door haar verdedigingslinie op de kwetsbare kern die hij daarachter had bespeurd.
'Mijn eenzaamheid geeft me het recht om te heersen, Siona. Mijn eenzaamheid die deels vrijheid, deels slavernij is. Die zorgt ervoor dat ik door geen enkele groep mensen om te kopen ben. En mijn slavernij bepaalt dat ik jullie allemaal zal dienen zo goed als mijn voorname vermogens toestaan.'
'Maar de Ixianen hebben je te pakken genomen!' zei ze.
'Nee. Ze hebben me een geschenk gegeven dat me sterkt.'
'Het verzwakt je!'
'Dat ook,' gaf hij toe. 'Maar ik word nog steeds gehoorzaamd door zeer machtige krachten.'
'Ohhh ja.' Ze knikte. 'Dat begrijp ik.' 'je begrijpt er niets van.'
'Dan wil jij het me vast wel uitleggen,' tartte ze.
Hij sprak zo zacht dat ze haar hoofd heel dicht bij zijn mond moest houden. 'Er zijn nergens anderen van welke soort ook die op mij enig beroep kunnen doen - niet om te delen, niet voor een vergelijk, zelfs niet om het geringste begin van een andere regering. Ik ben de enige.'
'Zelfs die Ixiaanse vrouw kan niet...'
'Zij lijkt zoveel op me dat ze me niet op die manier zou verzwakken.'
'Maar toen er een aanslag werd gepleegd op de Ixiaanse ambassade...'
'Stommiteiten blijven me ergeren,' zei hij. Ze trok een lelijk gezicht.
Leto vond het in dat licht een leuk gebaar, volkomen spontaan.
Hij wist dat hij haar aan het denken had gezet. Hij was ervan overtuigd dat ze nooit eerder op de gedachte was gekomen dat je aan uniekheid bepaalde rechten zou kunnen ontlenen.
Tegen haar zwijgende, boze gezicht zei hij: 'Er heeft nog nooit een regeringsvorm bestaan die precies gelijk was aan die van mij. In onze hele geschiedenis niet. Ik heb alleen tegenover mezelf verantwoording af te leggen en ik eis de volle prijs voor het offer dat ik heb gebracht.'
'Offer!' zei ze honend, maar hij hoorde de twijfel in haar stem. 'Iedere tiran beweert iets dergelijks. Jij hebt alleen tegenover jezelf verantwoording af te leggen!'
'Wat me verantwoordelijk maakt voor elk levend ding. Ik waak over jullie in deze tijden.'
'In welke tijden?'
'De tijden die hadden kunnen zijn, en daarna niets meer.'
Hij zag haar besluiteloosheid. Ze vertrouwde haar instincten niet, haar ongeoefende voorspellende vermogens. Nu en dan kon ze ineens een sprong maken, zoals toen ze zijn verslagen had gestolen, maar de beweegreden die haar tot de sprong aanzette ging weer verloren in de daaraanvolgende openbaring.
'Mijn vader zegt dat jij heel sluw kunt praten.'
'En hij kan het weten. Maar er bestaat kennis die je alleen kunt opdoen door eraan deel te nemen. Die kan je op geen enkele manier verwerven door je afzijdig te houden en alleen maar toe te kijken en te praten.'
'Dit soort dingen bedoelde hij dus,' zei ze.
'Je hebt volkomen gelijk,' gaf hij toe. 'Het is erg onlogisch. Maar het is een lichtbron, een oog dat kan zien, maar zichzelf niet ziet.'
'Ik ben het praten beu,' zei ze.
'Net als ik.' En hij dacht: Ik heb genoeg gezien, genoeg gedaan. Ze staat wijd open voor haar twijfels. Wat zijn ze toch kwetsbaar in hun onwetendheid!
'Je hebt me nergens van weten te overtuigen,' zei ze.
'Dat was ook niet de bedoeling van deze ontmoeting.'
'Wat was de bedoeling dan wel?'
'Om te zien of jij gereed bent om op de proef gesteld te worden.'
'Proef...' Ze hield haar hoofd schuin naar rechts en staarde hem aan.
'Hou je maar niet van de domme,' zei hij. 'Moneo heeft het je verteld. En ik vertel je dat je zover bent!' Ze slikte moeizaam en zei: 'Wat ben...'
'Ik heb Moneo ontboden om je naar de Citadel terug te brengen,' zei hij. 'Als we elkaar terugzien zullen we eens kijken uit wat voor hout jij werkelijk gesneden bent.'