In de wieg van ons verleden lag ik op mijn rug in een onderaardse gang die zo laag was dat ik me er schuivend moest voortbewegen omdat er niet genoeg ruimte was om te kruipen. En bij het flakkerende licht van een harstoorts tekende ik daar de schepsels van de jacht en de zielen van mijn volk. Wat is het toch verhelderend om door een afgeronde kringloop heen terug te kijken op die oerstrijd om het belang van de ziel uit te beelden. Die kreet 'Hier ben ik!' doet de tijd tot op zijn grondvesten schudden. Met een hoofd vol wijze lessen van grote kunstenaars uit later tijden, tuur ik naar handafdrukken en naar soepele spieren die met houtskool en plantaardige kleurstoffen op de rotswand zijn getekend. Wat zijn wij toch veel meer dan louter mechanische voorvallen! En mijn onbeschofte ik vraagt:
'Waarom willen ze toch die grot niet uit?'
De Gestolen Verslagen
Laat in de middag kreeg Idaho het verzoek om bij Moneo te komen in diens werkkamer. Idaho had de hele dag op de schommel-bank in zijn kamer zitten nadenken. Al zijn gedachten bleven maar ronddraaien rond het gemak waarmee Moneo hem die ochtend in de gang op de grond had laten tuimelen. 'Jij bent gewoon een verouderd model.'
Met elke nieuwe gedachte voelde Idaho zich kleiner worden. Hij voelde zijn wil om te leven afnemen, en zijn uitgewoede boosheid had slechts as achtergelaten.
Ik ben de drager van een -portie bruikbaar sperma en meer niet, dacht hij.
Dat was een gedachte die of de dood, of genotzucht uitlokte. Hij had het gevoel of hij aan een doorn van het lot geprikt zat en alsof er van alle kanten irriterende krachten in hem staken.
De jonge boodschapper in haar keurige blauwe uniform was de zoveelste irritatie. Na zijn zachte antwoord op haar kloppen stapte ze naar binnen en bleef ze in de boogvormige alkoof staan aarzelen tot ze zijn stemming had gepeild.
Wat is zoiets toch gauw bekend, dacht hij.
Hij zag haar in de halfronde deuropening staan, de belichaming van de Visspreker bij uitstek - iets weelderiger gevormd dan sommige anderen, maar geenszins meer opvallend vrouwelijk. Het blauwe uniform hield haar bevallige heupen en haar stevige borsten niet verborgen. Hij keek naar haar schelmse gezicht onder een bos blond haar - aan haar kapsel te zien was ze een leerling.
'Moneo stuurt me om te vragen hoe het met u is,' zei ze. 'Hij vraagt of u bij hem wilt komen in zijn werkkamer.'
Idaho had die werkkamer al een paar keer gezien, maar hij herinnerde hem zich nog steeds het best van de eerste keer. Toen hij destijds de kamer binnenstapte wist hij meteen dat Moneo hier het grootste deel van zijn tijd doorbracht. Midden tussen grijze kussens stond op korte, stevige poten een lage tafel van donkerbruin hout met fijne, goudkleurige vlammen, van ongeveer een bij twee meter. Die tafel was Idaho opgevallen als een zeldzaam en kostbaar stuk dat gekozen was om alle aandacht naar zich toe te trekken. Die tafel en de kussens - die dezelfde grijze kleur hadden als vloer, wanden en plafond - waren het enige meubilair.
Als je de macht van de man die er werkte in aanmerking nam, was de kamer maar klein, amper vijf bij vier meter, maar hij had wel een hoog plafond. Het licht viel binnen door twee slanke vensters die zich tegenover elkaar in de smalste wanden bevonden. Uit de ramen keek je van een behoorlijke hoogte omlaag, uit het ene naar het noordwestelijke randgebied van de Sarier en het groen van het aangrenzende Verboden Woud, en het andere bood uitzicht op het golvende duinlandschap in het zuidwesten.
Tegenstelling.
De tafel had aan deze eerste indruk een interessante nadruk gegeven. Het blad had eruit gezien alsof het speciaal was ingedeeld om het begrip warboel te demonstreren. Over het hele tafelblad verspreid lagen dunne vellen kristalpapier, zodat er nog maar hier en daar een stukje gevlamd hout zichtbaar was. Sommige vellen waren dicht bedrukt met kleine lettertjes. Idaho herkende woorden uit het Galach en nog vier andere talen, waaronder de zeldzame transitotaai van Perth. Op bepaalde vellen papier waren getekende plattegronden te zien en andere waren volgekrabbeld met zwarte halen pen se el schrift in de forse stijl van de Bene Gesserit. Maar het interessantst van alles waren toch vier witte rollen van ongeveer een meter lang geweest - drie-D printvellen van een verboden computer. Hij had vermoed dat de terminal achter een van de wandpanelen schuil ging.
De jonge vrouw die Moneo's boodschap had overgebracht, schraapte haar keel om Idaho uit zijn overpeinzingen wakker te schudden. 'Welk antwoord zal ik aan Moneo overbrengen?' vroeg ze.
Idaho keek naar haar gezicht. 'Zou je het leuk vinden om door mij zwanger gemaakt te worden?' vroeg hij.
'Commandant!' Ze was duidelijk geschokt, niet zozeer door wat hij voorstelde, maar meer door de onverhoedse manier waarop hij ermee aankwam.
'Ach ja,' zei Idaho. 'Moneo. Wat zullen we tegen Moneo zeggen?'
'Hij wacht op uw antwoord, commandant.' 'Heeft het eigenlijk nog enige zin om te antwoorden?' vroeg Idaho.
'Moneo droeg me op om u te vertellen dat hij iets met u en Vrouwe Hwi samen wil bespreken.'
Idaho voelde zijn belangstelling ontwaken. 'Is Hwi nu bij hem?'
'Hij heeft haar laten ontbieden, commandant.' De boodschapper schraapte nogmaals haar keel. 'Zal ik de commandant misschien later op de avond hier komen opzoeken?'
'Nee. Evengoed bedankt hoor. Ik ben van gedachten veranderd.'
Hij vond dat ze haar teleurstelling goed wist te verbergen, maar haar stem klonk erg vormelijk: 'Zal ik tegen Moneo zeggen dat u komt?'
'Doe dat.' Hij stuurde haar met een handgebaar weg.
Na haar vertrek overwoog hij om gewoon geen gehoor te geven aan het verzoek. Maar hij begon steeds nieuwsgieriger te worden. Moneo wilde met hem praten waar Hwi bij was? Waarom? Dacht hij soms dat Idaho dan zou komen aansnellen? Idaho slikte. Als hij aan Hwi dacht, schoot zijn lege gemoed vol. De betekenis daarvan viel niet te ontkennen. Een of andere verschrikkelijke kracht bond hem aan Hwi.
Hij stond op en merkte dat zijn spieren stijf waren geworden van het lange nietsdoen. Hij werd gedreven door zijn nieuwsgierigheid en die bindende kracht. Hij liep de gang in, negeerde de nieuwsgierige blikken van de gardisten die hij onderweg tegenkwam en liet zich door die krachtige, innerlijke dwang naar Moneo's werkkamer drijven.
Hwi was er al toen Idaho het vertrek binnenstapte. Ze zat tegenover Moneo aan de rommelige tafel, met haar in rode muilen gestoken voeten opzij tegen het grijze kussen waarop ze zat. Idaho zag alleen dat ze een lange bruine jurk met een groene gevlochten ceintuur droeg en toen draaide ze zich om en kon hij naar niets anders meer kijken dan naar haar gezicht. Haar mond vormde zijn naam zonder hem uit te spreken.
Zelfs zij heeft het gehoord, dacht hij.
Vreemd genoeg gaf die gedachte hem nieuwe kracht. De gedachten van die dag begonnen in zijn hoofd nieuwe vormen aan te nemen.
'Ga zitten alsjeblieft, Duncan,' zei Moneo. Hij wees naar een kussen naast Hwi. Zijn stem had een eigenaardige, aarzelende klank, en buiten Leto kenden maar heel weinig mensen hem zo. Hij bleef strak omlaag kijken naar het rommelige blad van zijn tafel. Het late middaglicht viel door een gouden presse-papier in de vorm van een fantasieboompje met juwelen als fruit en het geheel gevat in een bergje van vlamsteen, en tekende een spinnenweb van schaduwlijnen op de warboel.
Idaho nam plaats op het aangewezen kussen en zag dat Hwi hem bleef gadeslaan tot hij zat. Daarna keek ze naar Moneo en als hij het goed zag, keek ze boos. Moneo's gebruikelijke effen witte uniform was open aan de boord zodat zijn gerimpelde hals met de losse huidplooien zichtbaar was. Idaho staarde de man recht in zijn ogen. Hij had zich voorgenomen om af te wachten en Moneo zo te dwingen het gesprek te openen.
Moneo staarde terug en zag dat Idaho nog steeds hetzelfde zwarte uniform droeg dat hij bij hun ruzie van die ochtend al aanhad. Er zaten zelfs nog een paar vuile vegen op de voorkant, een aandenken van de gangvloer waarop Moneo hem had doen belanden. Maar Idaho droeg niet langer het antieke Atreides-mes. Dat zat Moneo dwars.
'Wat: ik vanmorgen deed was onvergeeflijk,' zei Moneo. 'Daarom zal ik je niet vragen om me te vergeven. Ik vraag alleen of je wilt proberen om het te begrijpen.'
Hwi leek totaal niet verbaasd over deze eerste woorden, merkte Idaho. Dat onthulde heel wat over het onderwerp van hun gesprek van voor Idaho's komst.
Toen Idaho bleef zwijgen zei Moneo: 'Ik had het recht niet om jou het gevoel te geven dat je onbekwaam bent.'
Idaho bespeurde bij zichzelf een vreemde reactie op Moneo's woorden en gedrag. Hij had nog steeds het gevoel dat hij werd overtroefd en overtroffen, dat hij te ver van zijn eigen tijd af was, maar hij geloofde niet langer dat Moneo met hem speelde. Er was op een of andere manier van de hofmeier niets anders overgebleven dan een korrelige kern van eerlijkheid. Dat besef plaatste Leto's heelal, het dodelijke erotische karakter van de Vissprekers, Hwi's onmiskenbare oprechtheid - alles in een nieuw verband, een vorm die Idaho meende te begrijpen. Het was net of zij drieen in deze kamer de laatste echte mensen van het hele heelal waren. Vanuit een wrang gevoel van zelfverachting zei hij: 'Jij had alle recht om je te verdedigen toen ik je aanviel. Het doet me genoegen dat je zo bekwaam optrad.'
Idaho draaide zijn hoofd in Hwi's richting maar voor hij nog iets had kunnen zeggen, zei Moneo: 'Je hoeft niet voor me te pleiten. Ze is zo ontstemd over mij dat ze zich vast niet laat vermurwen.'
Idaho schudde zijn hoofd. 'Weet iedereen hier al wat ik ga zeggen voor ik het heb gezegd en wat ik ga voelen voor ik het zelf voel?'
'Dat ligt aan een van je bewonderenswaardige eigenschappen,' zei Moneo. 'Jij verbergt je gevoelens niet. Wij...' hij haalde zijn schouders op, 'zijn daar noodzakelijkerwijs wat omzichtiger mee.'
Idaho keek Hwi aan. 'Doet hij het woord voor je?'
Ze legde haar hand in die van Idaho. 'Ik spreek voor mezelf.'
Moneo rekte zijn hals om naar de ineengeslagen handen te kijken en Het zich vervolgens weer op zijn kussen zakken. Hij zuchtte. 'Doen jullie dat nou toch niet.'
Idaho greep haar hand wat steviger beet en voelde haar op dezelfde manier reageren.
'Voor een van jullie het vraagt,' zei Moneo, 'mijn dochter en de God-Keizer zijn nog niet teruggekeerd van de proef.'
Idaho voelde hoeveel inspanning het Moneo had gekost om dat zo kalm te zeggen. Hwi hoorde het ook.
'Is het waar wat de Vissprekers zeggen?' vroeg ze. 'Dat Siona sterft als ze de proef niet doorstaat?'
Moneo bleef zwijgen maar zijn gezicht leek wel van steen.
'Is het zoiets als de proef van de Bene Gesserit?' vroeg Idaho. 'Muad'Dib zei dat de Zusters een proef doen die moet uitwijzen of je wel een mens bent.'
Hwi's hand begon te beven. Idaho voelde het en keek haar aan. 'Hebben ze jou die proef ook laten afleggen?'
'Nee,' zei Hwi, 'maar ik hoorde de jongeren erover praten. Ze zeggen dat je hevige pijn moet doorstaan zonder je zelfbesef te verliezen.'
Idaho keek weer naar Moneo en hij zag dat naast het linkeroog van de hofmeier een spiertje begon te trekken.
'Moneo,' hijgde Idaho toen het hem ineens vol schrik duidelijk werd.
'Hij heeft jou ook op de proef gesteld!'
'Ik wil liever niet over proeven praten,' zei Moneo. 'We zijn hier bijeen om te beslissen wat er met jullie tweeen moet gebeuren.'
'Moeten we dat niet zelf uitmaken?' vroeg Idaho. Hij voelde Hwi's hand glibberig worden van het zweet. 'Dat maakt de God-Keizer uit,' zei Moneo. 'Ook als Siona de proef niet doorstaat?'
'Dan helemaal!'
'Wat voor proef heeft hij jou laten afleggen?' vroeg Idaho. 'Hij gaf me een klein beetje een indruk van hoe het is om de God-Keizer te zijn.' 'En?'
'Ik zag zoveel als ik kan zien.'
Hwi's hand balde zich in die van Idaho tot een krampachtige vuist.
'Dan is het dus waar dat jij vroeger een rebel was,' zei Idaho.
'Ik begon met liefde en gebed,' zei Moneo. 'En ik verviel tot woede en opstandigheid. Toen veranderde ik in wat je nu voor je ziet. Ik ken mijn plicht en die vervul ik.'
'Wat heeft hij je aangedaan?' wilde Idaho weten.
'Hij citeerde het gebed dat ik als kind altijd opzei: "Aan God in al zijn heerlijkheid geef ik mijn leven in pand".' Moneo's stem klonk peinzend.
Het viel Idaho op dat Hwi doodstil, strak naar Moneo's gezicht zat te staren. Waar dacht ze aan?
'Ik gaf toe dat ik dat vroeger had gebeden,' zei Moneo. 'En de God-Keizer vroeg me wat ik zou geven als mijn leven niet genoeg was. Hij schreeuwde tegen me: "Wat stelt je leven voor als je de grootste gave achterhoudt?'"
Hwi knikte, maar Idaho begreep er niets van.
'Ik kon horen dat hij de waarheid sprak,' zei Moneo.
'Ben jij een Waarheidszegger?' vroeg Hwi.
'In de macht der wanhoop wel,' zei Moneo. 'Maar dan ook uitsluitend in dat geval. Ik zweer je dat zijn woorden oprecht waren.'
'Sommige Atreides hadden het vermogen van de Stem,' mompelde Idaho.
Moneo schudde zijn hoofd. 'Nee, het was de waarheid. Hij zei tegen me: "Als ik tranen kon plengen, zou ik huilen nu ik zo naar je kijk. Beschouw die wens maar als de daad!" '
Hwi schoof met zo'n ruk naar voren dat ze bijna tegen de tafel stootte. 'Kan hij niet huilen?'
'Zandwormen,' fluisterde Idaho.
'Wat?' Hwi keek hem vragend aan.
'Vrijmans doodden zandwormen met water,' zei Idaho. 'Uit het verdrinkingsproces bereidden ze de specie-essence voor hun godsdienstige orgieen.'
'Maar Heer Leto is nog niet helemaal een zandworm,' zei Moneo.
Hwi schoof weer naar achteren op haar kussen en keek naar Moneo.
Idaho tuitte bedachtzaam zijn lippen. Had Leto dan soms de Vrijmanse remming tegen tranen? Wat hadden de Vrijmans altijd een ontzag gehad voor zo'n verspilling van vocht! Water schenken aan de doden.
Moneo begon tegen Idaho te praten. 'Ik had gehoopt met je tot een afspraak te kunnen komen. Heer Leto heeft zich uitgesproken. Hwi en jij moeten uit elkaar gaan en jullie mogen elkaar nooit meer zien.'
Hwi trok haar hand uit die van Idaho terug. 'We weten het.'
Vol gelaten verbittering zei Idaho: 'We kennen zijn macht.'
'Maar jullie begrijpen hem niet,' zei Moneo.
'Ik wil niets liever dan dat,' zei Hwi. Ze legde Idaho met een hand op zijn arm het zwijgen op. 'Nee Duncan. Hier is geen plaats voor onze persoonlijke verlangens.'
'Misschien zou je tot hem moeten bidden,' zei Idaho.
Heftig draaide ze haar hoofd naar hem toe. Ze staarde hem aan, en ze bleef staren tot Idaho zijn ogen neersloeg. Toen ze eindelijk iets zei, had haar stem een zangerige klank die Idaho daar nooit eerder in had gehoord. 'Mijn oom Malky zei altijd dat Heer Leto nooit een bede verhoorde. Hij zei dat Heer Leto het gebed beschouwde als een poging tot afdwingen, een vorm van geweld tegenover de uitverkoren god, de onsterfelijke voorschrijven wat hem te doen staat: Geef me een wonder, God, anders geloof ik niet meer in je!'
'Het gebed als aanmatiging,' zei Moneo. 'Voorspraak op afroep.'
'Hoe kan hij een god zijn?' wilde Idaho weten. 'Hij geeft zelf toe dat hij niet onsterfelijk is.'
'Ik zal herhalen wat Heer Leto daar zelf over gezegd heeft,' zei Moneo. ' "Ik ben alles wat er van God gezien moet worden. Ik ben het wonder geworden woord. Ik ben al mijn voorouders. Is dat wonder niet groot genoeg? Wat zouden jullie meer kunnen verlangen? Vraag jezelf eens af of er ergens een groter wonder te vinden is?"'
'Lege woorden,' hoonde Idaho.
'Ik hoonde hem ook,' zei Moneo. 'Ik smeet hem zijn eigen woorden uit de Mondelinge Overlevering voor de voeten: "Geef aan God in al zijn heerlijkheid!"' Hwi's adem stokte.
'Hij lachte me uit,' zei Moneo. 'Hij lachte en vroeg hoe ik iets kon geven dat al aan God toebehoorde?' 'Was je kwaad?' vroeg Hwi.
'Nou en of. Dat zag hij en hij zei dat hij me zou vertellen hoe ik aan die heerlijkheid kon bijdragen. Hij zei: "Je kunt ervan uitgaan dat jij precies zo'n groot wonder bent als ik."' Moneo wendde zijn hoofd af en keek uit het raam aan zijn linkerhand. 'Helaas had mijn woede me doof gemaakt en was ik volkomen onvoorbereid.'
'Ohhh, hij is zo sluw,' zei Idaho.
'Sluw?' Moneo keek hem aan. 'Dat denk ik niet, niet op de manier die jij bedoelt. Volgens mij is Heer Leto in die zin niet per se sluwer dan ik.'
'Onvoorbereid op wat?' vroeg Hwi.
'Op het risico,' zei Moneo.
'Maar in je woede riskeerde je toch een heleboel,' zei ze.
'Niet zoveel als hij. Ik zie aan je ogen dat je dit begrijpt, Hwi. Vind je zijn lichaam erg stuitend?'
Idaho liet gefrustreerd zijn tanden knarsen. 'Ik walg van hem!'
'Liefste, zulke dingen moet je niet zeggen,' zei Hwi.
'En jij moet hem geen liefste noemen,' zei Moneo.
'Jij zou liever zien dat ze leerde houden van iets dat kwalijker en lomper is dan enige Baron Harkonnen in zijn stoutste dromen ooit wenste te zijn,' zei Idaho.
Moneo zoog zijn lippen naar binnen, tuitte ze en zei toen: 'Heer Leto heeft me verteld over die kwaadaardige oude kerel uit jouw tijd, Duncan. Volgens mij heb jij je vijand nooit begrepen.'
'Hij was een vette, monsterlijke...'
'Hij was een sensatiezoeker,' zei Moneo. 'Het vet was aanvankelijk een bijverschijnsel en later werd het misschien een ervaring op zichzelf, omdat het mensen aanstoot gaf en hij genoot van aanstoot geven.'
'De Baron heeft niet meer dan een paar planeten opgevreten,' zei Idaho. 'Leto verslindt het hele heelal.' 'Liefste, alsjeblieft!' protesteerde Hwi.
'Laat hem maar razen,' zei Moneo. 'Toen ik nog jong en onwetend was, zoals mijn Siona en deze arme dwaas, zei ik net zulke dingen.'
'Heb je daarom je dochter haar dood tegemoet laten gaan?' vroeg Idaho.
'Liefste, dat is wreed,' zei Hwi.
'Duncan, een van jouw hardnekkigste fouten is dat je altijd de hysterie zoekt,' zei Moneo. 'Ik waarschuw je dat hysterie een uitstekende voedingsbodem is voor onwetendheid. Jouw genen dragen kloekheid, en mogelijk ben je in staat een aantal Vissprekers te bezielen, maar je bent een slecht leider.'
'Probeer maar niet om me kwaad te krijgen,' zei Idaho. 'Ik weet wel beter dan jou aan te vallen, maar drijf me niet te ver.'
Hwi probeerde Idaho's hand te pakken, maar hij trok hem weg.
'Ik ken mijn plaats,' zei Idaho. 'Ik ben een nuttig volgeling. Ik kan het Atreides-vaandel hooghouden. Ik draag het groen met zwart op mijn rug!'
'Onwaardigen handhaven hun macht door hysterie aan te kweken,' zei Moneo. 'De kunst van de Atreides is de kunst van het regeren zonder hysterie, de kunst om verantwoordelijkheid te dragen voor het hanteren van macht.'
Idaho schoof achteruit en sprong overeind. 'Wanneer heeft jouw vervloekte God-Keizer ooit ergens verantwoordelijkheid voor gedragen?'
Moneo keek naar zijn rommelige tafelblad en sprak zonder op te kijken. 'Hij is verantwoordelijk voor wat hij zichzelf heeft aangedaan.' Toen pas keek Moneo op en zijn ogen stonden kil. 'Jij hebt het lef niet Duncan, om aan te horen waarom hij zichzelf dat heeft aangedaan!'
'Jij dan wel?' vroeg Idaho.
'Toen ik ontzettend woedend was,' zei Moneo, 'en hij zichzelf door mijn ogen zag, zei hij: "Hoe durf jij aanstoot aan mij te nemen?" Toen...' Moneo slikte moeizaam, '...toen dwong hij me om in die hel te kijken... die hij gezien had.' De tranen sprongen Moneo in zijn ogen en rolden over zijn wangen. 'En ik kon alleen maar blij zijn dat ik zijn beslissing niet had hoeven nemen... dat ik genoegen mocht nemen met de plaats van een volgeling.'
'Ik heb hem aangevoeld,' fluisterde Hwi.
'Dan weet jij het dus?' vroeg Moneo haar.
'Ik weet het zonder het gezien te hebben,' zei ze.
Met zachte stem zei Moneo: 'Ik bleef er bijna in. Ik...' Hij huiverde en keek vervolgens omhoog naar Idaho. 'Je mag niet -'
'Jullie kunnen allemaal verrekken!' grauwde Idaho. Hij draaide zich om en rende de kamer uit.
Met een smartelijk vertrokken gezicht wilde Hwi hem achterna gaan. 'Ohhh Duncan,' fluisterde ze.
'Zie je nu wel?' zei Moneo. 'Je had het mis. Noch jij, noch de Vissprekers hebben hem kunnen vermurwen. Maar jij Hwi, jij hebt alleen maar bijgedragen aan zijn vernietiging.'
Hwi keerde Moneo haar smartelijke gezicht toe. 'Ik zal hem niet meer ontmoeten,' zei ze.
Voor Idaho werd de gang naar zijn woonvertrekken een van de zwaarste momenten uit zijn herinnering. Hij probeerde zich in te denken dat zijn gezicht een star, plastalen masker was dat de beroering in zijn binnenste verborg. De wachtposten die hij onderweg tegenkwam kon hij geen van allen zijn pijn laten zien. Hij wist niet dat de meesten van hen zijn gemoed vrij nauwkeurig konden peilen en dat ze met hem meeleefden. Ze waren allemaal grondig voorgelicht over de Duncans en ze hadden geleerd hun stemmingen te herkennen.
In de gang vlak bij zijn kamers zag Idaho ineens Nayla die hem langzaam tegemoet liep. Er lag zo'n besluiteloze en verloren uitdrukking op haar gezicht dat hij even bleef staan en bijna werd losgerukt uit zijn innerlijke concentratie.
'Vriendin?' zei hij toen ze nog maar een paar passen bij hem vandaan was.
Ze keek op en er gleed een duidelijke blik van plotselinge herkenning over haar vierkante gezicht.
Wat een eigenaardig uitziende vrouw, dacht hij.
'Ik ben geen Vriendin meer,' zei ze en ze liep hem voorbij in de gang.
Idaho draaide zich om waar hij stond en staarde naar haar verdwijnende rug - die zware schouders, de niet te stuiten traagheid van die verschrikkelijke spieren.
Voor welk doel zou zij gejokt zijn? vroeg hij zich af.
Het was maar een voorbijgaande gedachte, voor zijn eigen zorgen hem nog erger dan tevoren begonnen te kwellen. Hij deed vlug de paar laatste passen naar zijn deur en stapte zijn kamers binnen.
Eenmaal binnen bleef Idaho een ogenblik met gebalde vuisten naast zijn zijden staan.
Ik heb met geen enkele tijd banden meer, dacht hij. En dat was vreemd genoeg geen bevrijdende gedachte. Maar hij wist tenminste dat wat hij zojuist had gedaan, Hwi van haar liefde voor hem zou bevrijden. Hij had zichzelf gekleineerd. Al gauw zou ze hem gaan beschouwen als een nietig, lastig stuk onbenul dat een speelbal was van zijn eigen gevoelsbeleving. Hij voelde zich al uit haar directe aandacht wegglijden. En die arme Moneo!
Idaho kon de vorm van de dingen die de hofmeier zo plooibaar hadden gemaakt, heel goed aanvoelen. Plicht en verantwoordelijkheid. Wat een veilig toevluchtsoord in een tijd van moeilijke beslissingen.
Ik ben ook zo geweest, dacht Idaho. Maar dat was 'm een ander leven, in een andere tijd.