Fjällbacka 1928

Liefdevol kleedde hij de jongens aan en kamde hun haar. Het was zondag en hij zou met hen in de zon gaan wandelen. Het was moeilijk om hen in de kleren te krijgen, ze sprongen op en neer omdat ze zo blij waren dat ze met hun vader op stap zouden gaan, maar uiteindelijk waren ze aangekleed en klaar om te vertrekken. Agnes antwoordde niet toen de jongens haar gedag riepen, en het sneed hem door de ziel toen hij de dorstende, teleurgestelde blik in hun ogen zag toen ze naar hun moeder keken. Hoewel zij het niet begreep, verlangden ze naar haar. Ze wilden haar geur in hun neusgaten ruiken en haar armen om zich heen voelen. Dat ze het wel begreep maar hun dit met opzet ontzegde, was een mogelijkheid waar hij niet eens aan wilde denken, al was die gedachte de laatste tijd toch steeds vaker bij hem opgekomen. Nu de jongens alweer vier waren, kon hij alleen maar vaststellen dat de manier waarop ze zich tegenover hen gedroeg iets onnatuurlijks had. In het begin had hij gedacht dat het aan de zware bevalling lag, maar de jaren verstreken en ze leek zich nog steeds niet verbonden te voelen met haar zonen.

Zelf voelde hij zich de koning te rijk toen hij, met in elke hand een kleine kindervuist in een stevige greep, de heuvel afliep. De jongens waren nog steeds zo klein dat ze liever huppelden dan liepen, en soms moest hij hollen om hen bij te houden, hoewel zijn benen zoveel langer waren dan die van hen. De mensen glimlachten en namen hun hoed af toen ze door de hoofdstraat huppelden. Hij wist dat ze een fraaie aanblik vormden – hij, lang en groot in zijn zondagse kleren, en de jongens met hun identieke blonde haardossen die precies dezelfde kleur hadden als de zijne en zo keurig gekleed als zonen van een steenhouwer maar konden zijn. Ze hadden zelfs zijn bruine ogen gekregen. Anders kreeg vaak te horen dat ze zo op hem leken, en elke keer zwol hij van trots. Soms slaakte hij een zucht van dankbaarheid omdat ze niets van Agnes leken te hebben, noch wat uiterlijk noch wat gedrag betrof. Hij had in de loop van de jaren een hardheid bij haar gezien en hoopte van ganser harte dat de kinderen die niet hadden geërfd.

Toen hij de winkel van de kruidenier passeerde, versnelde hij zijn pas en keek een andere kant op. Hij moest er weliswaar soms heen om dingen te kopen die ze nodig hadden, maar omdat hij had gehoord wat de mensen zeiden, probeerde hij die bezoeken zoveel mogelijk te beperken. Als hij had gedacht dat er geen waarheid school in de kletspraatjes, zou hij zeker met opgeheven hoofd de winkel zijn binnengestapt, maar het ergste was dat hij er geen moment aan twijfelde. En als hij wel had getwijfeld, zouden de superieure glimlach en brutale stem van de kruidenier hem wel hebben overtuigd. Soms vroeg hij zich af hoeveel hij allemaal moest doorstaan, en als de jongens er niet waren geweest had hij zijn boeltje allang gepakt. Maar vanwege de jongens moest hij een andere uitweg zien te vinden dan Agnes te verlaten, en hij dacht dat hij die nu had gevonden. Anders had een plan en er was een jaar van hard werken voor nodig geweest om het uit te voeren, maar nu was hij er bijna. Als de laatste stukjes op hun plaats vielen, zou hij zijn gezin een nieuw begin kunnen geven, een kans om alles ten goede te keren, en misschien zou hij Agnes vaker kunnen geven waarnaar ze verlangde, zodat de groeiende zwartheid in haar borst verdween. Hij zag al voor zich hoe het nieuwe leven eruit kon zien. Hij, Agnes en de jongens, verenigd in een leven dat zoveel meer te bieden had dan het leven hier.

Hij kneep extra hard in de handen van de jongens en glimlachte toen ze vragend hun hoofd achterover bogen om hem aan te kijken.

‘Vader, mogen we een toffee?’ vroeg Johan, hopend dat zijn vader welwillend tegenover een dergelijk verzoek zou staan nu hij in zo’n goede bui was. Hij kreeg gelijk, na even te hebben nagedacht knikte Anders bevestigend en de jongens jubelden en sprongen vol verwachting op en neer. Toffees kopen betekende weliswaar een bezoek aan de kruidenier, maar dat was het waard. Binnenkort was dat verleden tijd.

 

 

Image

 

 

Gösta zat stilletjes op zijn kamer. De stemming op het bureau was op zijn zachtst gezegd bedrukt geweest nadat Ernsts blunder aan het licht was gekomen. Hij schudde zijn hoofd. Zijn collega had in de loop van de jaren weliswaar het een en ander uitgehaald, maar deze keer was hij echt te ver gegaan. Zo voerde een politieman zijn werk niet uit. En voor de eerste keer dacht Gösta dat Ernst inderdaad kon worden ontslagen vanwege zijn fout. Zelfs Mellberg zou hem nu niet langer de hand boven het hoofd kunnen houden.

Mistroostig keek hij door het raam naar buiten. Dit jaargetijde haatte hij het meest. Het was zelfs erger dan de winter. De zomer zat hem nog vers in het geheugen en hij kon nog steeds van vrijwel elke golfronde die hij had gelopen de scores opnoemen. Tegen de winter kwam er meestal een barmhartige vergetelheid opzetten, en dan vroeg hij zich soms af of hij werkelijk die perfecte slagen had gemaakt, of dat het allemaal slechts een heerlijke droom was.

Het gerinkel van de telefoon verstoorde zijn dagdromen.

‘Met Gösta Flygare.’

‘Dag Gösta, met Annika. Ik heb Pedersen aan de lijn, hij wil Patrik spreken, maar ik kan hem momenteel niet te pakken krijgen. Kun jij met hem praten?’

‘Ja natuurlijk, verbind hem maar door.’ Hij wachtte een paar tellen en hoorde een paar klikgeluiden op de lijn. Toen kwam de stem van de patholoog-anatoom.

‘Hallo?’

‘Ja, ik ben er. Met Gösta Flygare.’

‘Ja, ik hoorde dat Patrik er niet is. Maar jij werkt toch ook aan het onderzoek naar de moord op dat meisje?’

‘Ja, dat doen we min of meer allemaal.’

‘Goed, dan geef ik je de informatie die we hebben binnengekregen, maar het is belangrijk dat alles aan Hedström wordt doorgegeven.’

Gösta vroeg zich even af of Pedersen over Ernsts misser had gehoord, maar realiseerde zich toen dat dat onmogelijk was. Hij wilde waarschijnlijk alleen maar benadrukken dat degene die verantwoordelijk was voor het onderzoek alle informatie kreeg. En Gösta was niet van plan Lundgrens fout te herhalen, dat was een ding dat zeker was. Hedström zou zelfs te horen krijgen wanneer de arts zijn keel had geschraapt.

‘Ik zal aantekeningen maken en jullie sturen zoals gebruikelijk alles toch ook per fax?’

‘Ja, dat spreekt vanzelf,’ zei Pedersen. ‘De analyse van de as is al klaar. Ik bedoel de as in de maag en longen van het meisje.’

‘Ja, ik ken de details,’ zei Gösta. Hij kon een zekere irritatie in zijn antwoord niet verhullen. Dacht Pedersen soms dat hij slechts een loopjongen op het bureau was?

Als hij de irritatie al hoorde, sloeg Pedersen er geen acht op. Hij ging rustig verder: ‘Ja, we hebben een paar interessante dingen ontdekt. In de eerste plaats is de as niet vers. De inhoud zou, in elk geval gedeeltelijk, gekenmerkt kunnen worden als’ – hij aarzelde – ‘vrij oud.’

‘Vrij oud,’ zei Gösta, nog steeds een beetje pissig. Maar hij kon niet ontkennen dat hij ook nieuwsgierig was geworden. ‘Wat betekent “vrij oud”? Hebben we het over het stenen tijdperk of de swinging sixties?’

‘Tja, dat is nou net het probleem. Volgens het Gerechtelijk Laboratorium is het enorm moeilijk vast te stellen. De beste schatting die ze me wilden geven, was dat de as ergens tussen de vijftig en honderd jaar oud is.’

‘Honderd jaar oude as?’ zei Gösta verbluft.

‘Ja, of vijftig. Of ergens daar tussenin. En dat was niet het enige opmerkelijke. Er zaten ook fijne steendeeltjes in de as. Nader bepaald graniet.’

‘Graniet? Waar komt de as dan vandaan? Want het is natuurlijk geen blok verbrand graniet.’

‘Nee, zoals bekend kan steen niet branden. Het graniet moet vanaf het begin al in fijne deeltjes zijn geweest. Ze zijn nog bezig het materiaal zelf te analyseren en kunnen er op dit moment niet veel meer over zeggen. Maar…’

Gösta kon horen dat er iets belangrijks kwam. ‘Ja?’ zei hij sommerend.

‘Wat ze op dit moment wel kunnen zeggen, is dat het op een mengsel lijkt. Ze hebben houtresten gevonden die vermengd waren met…’ – hij stopte even maar ging toen verder – ‘biologische resten.’

‘Biologische resten? Zeg je wat ik denk dat je zegt? Is de as van een mens afkomstig?’

‘Tja, dat zullen verdere analyses moeten uitwijzen. Ze kunnen nog niet zeggen of het menselijke of dierlijke resten zijn. En het is ook niet zeker of dat kan worden vastgesteld, maar het Gerechtelijk Laboratorium probeert meer te weten te komen. En de as is dus vermengd met iets anders: hout en, zoals ik al zei, graniet.’

‘Krijg nou wat,’ zei Gösta. ‘En iemand heeft deze oude as dus bewaard?’

‘Ja, of ergens gevonden.’

‘Ja, dat is waar, dat kan natuurlijk ook.’

‘Jullie hebben dus wat om in te graven,’ zei Pedersen droog. ‘Hopelijk weten we over een paar dagen meer, bijvoorbeeld of de as menselijke resten bevat. Maar voorlopig kunnen jullie wel voort.’

‘Ja, dat lijkt me wel,’ zei Gösta en hij zag de gezichten van zijn collega’s al voor zich als hij hun vertelde wat hij had gehoord. De informatie was explosief. Maar het was de vraag wat ze ermee konden.

Aarzelend legde hij de hoorn op de haak en liep naar het faxapparaat. Wat hem vooral dwarszat waren de granietdeeltjes waar Pedersen het over had gehad. Die zouden hem iets moeten zeggen.

Maar de gedachte gleed weg.

Asta hijgde toen ze overeind kwam. De oude houten vloer was gelegd toen het huis werd gebouwd en kon alleen met groene zeep worden schoongemaakt. Naarmate ze ouder werd, begon ze het steeds moeilijker te vinden om op haar knieën te liggen schrobben. Maar haar oude lichaam zou het nog wel even volhouden.

Ze keek om zich heen. Veertig jaar woonde ze hier nu. Zij en Arne. Voor die tijd had hij hier met zijn ouders gewoond en de eerste jaren van hun huwelijk waren haar schoonouders bij hen blijven wonen, tot ze vrij onverwacht overleden, een paar maanden na elkaar. Ze schaamde zich dat ze er zo over dacht, maar dat waren zware jaren geweest. Arnes vader was streng geweest als een generaal en zijn moeder had niet veel voor hem ondergedaan. Arne had er nooit met haar over gepraat, maar door bepaalde opmerkingen begreep ze dat hij als kind veel slaag had gehad. Misschien was dat de reden dat hij zo hard was geweest tegen Niclas. Wie zelf met de zweep wordt grootgebracht, doet waarschijnlijk hetzelfde met zijn eigen kinderen. Al was het in het geval van Niclas de riem geweest. De grote bruine riem die altijd aan de binnenkant van de voorraadkast hing en die werd gebruikt als Niclas iets had gedaan wat zijn vader niet aanstond. Maar wie was zij om de manier waarop Arne hun zoon had grootgebracht in twijfel te trekken? Ze had het hartverscheurend gevonden als ze haar zoon gesmoorde kreten van pijn hoorde slaken, en natuurlijk had ze zijn tranen met tedere hand weggeveegd als de kwelling voorbij was, maar Arne had het toch altijd het beste geweten.

Moeizaam klom ze op een keukenstoel om de gordijnen los te maken. Je kon nog niet zien dat ze vuil waren, maar Arne zei altijd: ‘Als iets vuil is geworden, had het allang moeten zijn gewassen.’ Ze stopte midden in de beweging, met haar handen boven haar hoofd, net op het moment dat ze de gordijnstang van de muur wilde halen. Had ze die verschrikkelijke dag niet precies hetzelfde gedaan? Ja, daar was ze vrij zeker van. Ze was bezig geweest schone gordijnen op te hangen toen ze vanuit de tuin luide stemmen had gehoord. Ze was weliswaar gewend Arnes vertoornde stem te horen, maar het ongewone was dat ook Niclas zijn stem had verheven. Omdat ze dat zo onbegrijpelijk vond en niet wist wat voor gevolgen het zou kunnen hebben, was ze snel van de stoel gesprongen en naar de tuin gehold. Ze hadden tegenover elkaar gestaan. Als twee kemphanen. De stemmen die in huis luid hadden geklonken, weerkaatsten nu pijnlijk tegen haar trommelvlies. Niet in staat zichzelf tegen te houden, was ze naar voren gerend en had ze Arnes arm vastgepakt.

‘Wat is er aan de hand?’ Ze had zelf gehoord hoe wanhopig haar stem klonk. En zodra ze Arnes arm had vastgepakt, wist ze dat het verkeerd was dat te doen. Hij was verstomd en had zich naar haar omgedraaid met een blik die volstrekt gevoelloos was. Toen hief hij zijn hand en gaf haar een oorvijg. De stilte die volgde, was onheilspellend geweest. Ze hadden volstrekt roerloos gestaan. Als een driekoppig stenen standbeeld. Toen had ze als in slow motion gezien dat Niclas zijn arm terugtrok, en een vuist maakte naar zijn vaders gezicht. Het geluid van de vuist die Arne in het gezicht trof, had abrupt een eind gemaakt aan de vreemde stilte en alles weer in beweging gezet. Arne sloeg ongelovig een hand voor zijn gezicht en keek zijn zoon verbluft aan. Toen zag ze hoe de arm opnieuw werd teruggetrokken en weer naar Arne uithaalde. Daarna was het alsof die niet meer kon ophouden. Niclas bewoog als een robot, zijn arm ging naar achteren, zijn arm ging naar voren, naar achteren, naar voren. Arne incasseerde de klappen en leek niet te begrijpen wat er gebeurde. Ten slotte hielden zijn benen hem niet meer en viel hij op zijn knieën. Niclas’ ademhaling was zwaar en geforceerd. Hij keek naar zijn vader, die voor hem op zijn knieën lag terwijl het bloed uit zijn ene neusgat stroomde. Toen draaide hij zich om en rende weg.

Na die dag mocht ze Niclas’ naam niet meer noemen. Hij was zeventien geweest.

Asta klom voorzichtig van de stoel met de gordijnen in haar armen. Ze had de laatste tijd zoveel verontrustende gedachten gehad, dat het waarschijnlijk geen toeval was dat de herinneringen aan die dag zich nu opdrongen. De dood van het meisje had zoveel gevoelens losgemaakt, zoveel dingen die ze in de loop van de jaren geprobeerd had te vergeten. Geleidelijk aan was ze gaan inzien hoeveel ze had verloren door Arnes koppige onwrikbaarheid; er waren gevoelens ontwaakt die haar het leven alleen maar moeilijker zouden maken. Al toen ze haar zoon in de huisartsenpraktijk bezocht, was ze gaan twijfelen aan dingen die ze in de loop van de jaren als vanzelfsprekend had beschouwd. Misschien wist Arne toch niet alles. Misschien was Arne niet degene die noodzakelijkerwijs moest beslissen hoe alles zou gaan, zelfs niet voor haar. Misschien kon ze zelf besluiten nemen over haar leven. Die gedachten verontrustten haar en ze duwde ze voorlopig weg. Nu moest ze gordijnen wassen.

Patrik klopte met een autoritaire beweging aan. Hij moest nu al zijn best doen om zijn gezicht neutraal te houden. Maar vanbinnen voelde hij hoe de weerzin opwelde en hem een nare smaak in zijn mond bezorgde. Dit was het laagste van het laagste. De meest weerzinwekkende soort mens die hij zich kon voorstellen. De enige troost was dat ze het niet makkelijk kregen als ze eenmaal achter slot en grendel zaten, maar dat was iets wat hij nooit hardop zou zeggen. Pedofielen stonden helemaal onderaan op de ranglijst en werden als zodanig behandeld. Terecht.

Hij hoorde voetstappen naderen en deed een pas naar achteren. Martin bewoog gespannen naast hem en achter hen stonden een paar collega’s uit Uddevalla. Onder hen waren mensen die over onschatbare expertise op dit gebied beschikten, de computerdeskundigen.

De deur ging open en Kajs magere gestalte werd zichtbaar. Hij was zoals altijd correct gekleed en Patrik vroeg zich af of hij geen makkelijke kleren had. Zelf trok hij altijd een versleten joggingbroek en een wijde trui aan als hij thuiskwam.

‘Wat is er nu weer?’ Kaj stak zijn hoofd door de deur en fronste zijn wenkbrauwen toen hij de twee politiewagens zag die op zijn oprit stonden. ‘Is het echt nodig dat iedereen ziet dat jullie hier zijn? Dat mens van hiernaast zit zich nu vast te verkneuteren. Als jullie iets willen vragen, hadden jullie toch gewoon kunnen bellen, of één agent kunnen sturen in plaats van deze troepenmacht!’

Patrik keek hem peinzend aan en vroeg zich af of Kaj zich echt zo zeker voelde. Wekten de agenten in uniform voor zijn deur geen gedachten aan een ontmaskering op, of speelde hij gewoon goed toneel? Nou ja, het zou weldra blijken.

‘We hebben toestemming voor een huiszoeking. En je wordt ook verzocht mee te gaan naar het bureau voor een gesprek.’ Patriks stem was uiterst formeel en onthulde niets van zijn emoties.

‘Een huiszoeking, wat is dat verdomme? Heeft dat stomme wijf weer iets bedacht? Ik zal verdomme…’ Kaj stapte naar buiten en leek naar Florins huis te willen gaan. Patrik hield afwerend zijn hand omhoog en Martin ging zo staan dat hij de weg voor Kaj blokkeerde.

‘Dit heeft niets met Lilian Florin te maken. We beschikken over informatie die jou in verband brengt met kinderporno.’

Kaj verstijfde. Patrik dacht niet langer dat Kaj zo-even toneel had gespeeld. De man had echt niet aan deze mogelijkheid gedacht. Stotterend probeerde hij zijn zelfbeheersing terug te krijgen.

‘Wat… wel… wat zeg je in godsnaam?’ Maar de uitroep klonk zwak en door de schok waren zijn schouders ingezakt.

‘Zoals ik al zei hebben we toestemming voor een huiszoeking, en als je zo vriendelijk wilt zijn in een van de auto’s te stappen, dan kunnen we dit gesprek in alle rust op het bureau voortzetten.’

Door de galsmaak in zijn mond moest Patrik voortdurend slikken. Het liefst had hij Kaj door elkaar willen schudden en hem willen vragen naar het hoe en waarom, wat hem aantrok in kinderen, in jongens, dat hij niet in een volwassen relatie kon krijgen. Maar de vragen kwamen later. Nu ging het erom bewijzen veilig te stellen.

Kaj leek volledig lamgeslagen en zonder te antwoorden of een jas mee te nemen, liep hij mee het trapje af en ging volgzaam op de achterbank van een van de auto’s zitten.

Patrik draaide zich om naar de collega’s uit Uddevalla. ‘We nemen hem mee en beginnen met het verhoor. Jullie doen wat jullie hier moeten doen, en bel ons als jullie iets vinden wat nuttig voor ons kan zijn. Ik weet dat ik het niet hoef te benadrukken, maar ik zeg het toch: neem alle computers mee en vergeet niet dat het huiszoekingsbevel ook voor het huisje in de tuin geldt. Ik weet dat daar in elk geval een computer staat.’

De collega’s knikten en liepen met een resoluut gezicht naar binnen.

Lilian was op weg naar huis langzaam en genietend de politiewagens gepasseerd. Het was alsof haar dromen in vervulling waren gegaan. Politiewagens en politieagenten in actie voor het huis van de buurman, die met een moedeloos gezicht in een van de politiewagens moest stappen. Een gevoel van vreugde steeg in haar op. Na al deze problematische jaren met Kaj en zijn gezin was hij eindelijk ingehaald door zijn karma. Zelf had ze natuurlijk nooit anders dan correct gehandeld. Kon zij het helpen dat ze wilde dat de dingen juist en goed verliepen? Kon zij het helpen dat hij dingen had gedaan die afweken van goede buurschap, en waarmee zij vervolgens werd geconfronteerd? En dan durfden de mensen nog te beweren dat zij twistziek was. Ja, ze had best gehoord wat er in het dorp werd gezegd. Maar zij zwoer alle verantwoordelijkheid voor de ruzies af. Als hij hun niet zoveel last had bezorgd en allerlei stommiteiten had uitgehaald, zou zij geen ruzie hebben gemaakt. In normale situaties was er niemand die zo zachtmoedig en goed was als zij. En ze voelde zich absoluut niet schuldig omdat zij de politie op die vreemde zoon van hem had gewezen. Iedereen wist toch dat mensen met een gaatje in het hoofd vroeg of laat problemen veroorzaakten? Misschien had ze een beetje overdreven toen ze de politie had verteld dat Morgan een gluurder was, maar dat was alleen om problemen in de toekomst te voorkomen, niets anders. Dat soort lui kon van alles uitspoken als ze hun gang mochten gaan, en dat ze een overdreven libido bezaten, was algemeen bekend.

Maar nu zouden de mensen zien hoe het echt zat. De politie zwermde niet om haar huis. Ze bleef bij haar voordeur staan en sloeg het schouwspel met gekruiste armen en een glimlach vol leedvermaak gade.

Toen de politiewagen met Kaj was weggereden, ging ze tegen haar zin naar binnen. Ze overwoog even om als bezorgde burger te gaan vragen wat er aan de hand was, maar de agenten waren ondertussen het huis al ingegaan, en aanbellen ging haar toch iets te ver.

Terwijl ze haar schoenen uitdeed en haar jas ophing, vroeg ze zich af of Monica wist wat er allemaal gaande was. Ze kon misschien even naar de bibliotheek bellen om haar op de hoogte te brengen, als een goede buur natuurlijk. Maar Stigs stem van de bovenverdieping onderbrak haar gedachten voordat ze een besluit had kunnen nemen.

‘Lilian, ben jij het?’

Ze liep de trap op. Hij klonk vandaag zwak. ‘Ja, lieverd, ik ben het.’

‘Waar ben je geweest?’

Hij keek haar zielig aan toen ze in zijn slaapkamer kwam. Wat was hij nu een klein zwak wezen. Toen ze besefte hoe afhankelijk hij was van haar zorg, welde een gevoel van tederheid in haar op. Het was verwarmend te weten dat je zo nodig was. Net als toen Charlotte klein was. Het had haar een enorm machtsgevoel gegeven verantwoordelijk te zijn voor zo’n hulpeloos leven. Eigenlijk had ze die periode het fijnst gevonden. Toen Charlotte ouder werd, was haar dochter haar steeds meer ontglipt. Als ze het had gekund, zou ze de tijd hebben stopgezet en hebben verhinderd dat Charlotte groot werd. Maar hoe meer ze probeerde haar aan zich te binden, des te meer had Charlotte zich teruggetrokken. Geheel onverdiend had Charlottes vader alle liefde en respect van hun dochter gekregen waarvan Lilian vond dat zij daar recht op had. Zij was tenslotte Charlottes moeder. Een vader moest toch lager aangeschreven staan dan een moeder. Zij was degene die haar had gebaard en in de eerste jaren had zij in alle behoeften van haar dochter voorzien. Daarna had Lennart het overgenomen. Hij had de vruchten geoogst van al haar werk. Hij had van Charlotte papa’s meisje gemaakt. En toen Charlotte uit huis ging en zij nog maar met z’n tweeën waren, was hij erover begonnen dat hij haar wilde verlaten, alsof alleen Charlotte al die jaren belangrijk was geweest. De herinnering maakte haar boos en ze dwong zich ertoe naar Stig te glimlachen. Hij had haar tenminste nodig. Niclas ook tot op zekere hoogte, al begreep hij dat zelf niet. Charlotte besefte absoluut niet hoe goed ze het had. In plaats daarvan zeurde ze dat hij niet meehielp, dat hij niet zijn steentje bijdroeg als het om de kinderen ging. Ze was een ondankbaar kreng. Maar Lilian was ook teleurgesteld geraakt in Niclas. Thuiskomen en tegen haar briesen en zeggen dat ze zouden verhuizen. Maar ze wist wel waar die grillen vandaan kwamen. Ze had alleen niet gedacht dat hij zo makkelijk te beïnvloeden was.

‘Wat zie jij er grimmig uit,’ zei Stig en hij strekte zijn hand naar haar uit. Ze deed net of ze het niet zag en streek in plaats daarvan zorgvuldig de sprei glad.

Stig koos altijd Charlottes kant, daarom kon ze hem niet vertellen wat ze zojuist had gedacht. Ze zei: ‘Het is een drukte van belang bij de buurman. Het wemelt er van de agenten en politiewagens. Ja, het is niet leuk dat dat soort volk zo dichtbij woont, dat kan ik je wel vertellen.’

Stig kwam met een heftige beweging overeind. Zijn gezicht vertrok van pijn bij die beweging en hij greep naar zijn buik. Maar zijn gezicht drukte hoop uit: ‘Het moet om Sara gaan. Denk je dat ze iets te weten zijn gekomen over Sara?’

Lilian knikte heftig. ‘Ja, dat zou me niets verbazen. Waarom zouden al die agenten er anders zijn?’

‘Het zou een zegen zijn voor Charlotte en Niclas als hier een eind aan kwam.’

‘Ja, en je weet hoezeer het mij heeft gekweld, Stig, misschien kan ik nu eindelijk weer rust krijgen in mijn ziel.’

Nu liet ze Stig haar hand strelen en zijn stem was even liefdevol als gebruikelijk toen hij zei: ‘Ja, natuurlijk, lieveling. Jij met je goede hart, het moet een vreselijke tijd voor je zijn geweest.’ Hij draaide haar hand om en kuste haar palm.

Ze liet hem even zijn gang gaan, maar trok toen haar hand terug. Strak zei ze: ‘Ja, het is fijn om voor de verandering eens te horen dat iemand zich om mij bekommert. Laten we nu maar hopen dat we gelijk hebben en dat ze Kaj inderdaad vanwege Sara hebben opgehaald.’

‘Wat zou het volgens jou anders kunnen zijn?’ Stig klonk onthutst.

‘Tja, ik weet het niet. Ik dacht eigenlijk niet na. Maar als er iemand is die weet waartoe hij in staat is, ben ik het wel…’

‘Wanneer is de begrafenis?’ onderbrak Stig haar.

Lilian stond op. ‘We wachten nog steeds op bericht wanneer we het lichaam terugkrijgen. Waarschijnlijk in de loop van de volgende week.’

‘Bah, gebruik dat woord niet, “ het lichaam”. We hebben het over Sara.’

‘Zij is toevallig wel mijn kleinkind, niet het jouwe,’ snauwde Lilian.

‘Ik hield ook van haar, dat weet je,’ zei Stig mild.

‘Ja, ik weet het, lieverd, neem me niet kwalijk. Maar ik vind het allemaal zo moeilijk, en niemand lijkt dat te begrijpen.’ Ze veegde een traan weg en zag het berouw in Stigs gezicht.

‘Nee, jij moet het míj niet kwalijk nemen. Het was dom van me. Kun je me vergeven, lieverd?’

‘Natuurlijk,’ zei Lilian grootmoedig. ‘Ik vind dat je nu even moet rusten en hier niet al te veel aan moet denken. Ik ga beneden theezetten en dan kom ik je straks een kopje brengen, dan kun je daarna misschien even slapen.’

‘Wat heb ik gedaan dat ik jou verdien?’ zei Stig en hij glimlachte naar zijn echtgenote.

Hij vond het niet makkelijk zich op zijn werk te concentreren. Niet dat hij dat aspect van zijn leven ooit veel prioriteit had gegeven, maar meestal kreeg hij toch iets gedaan. En de situatie die Ernst had veroorzaakt, zou het grootste deel van zijn gedachten in beslag hebben moeten nemen. Maar sinds afgelopen zaterdag was niets meer hetzelfde. De jongen zat thuis in zijn flat videogames te spelen. De nieuwe, die hij gisteren voor hem had gekocht. Hij, die altijd de hand op de knip had gehouden, had plotseling een onweerstaanbare behoefte gevoeld om te mogen geven. En omdat videogames kennelijk boven aan de verlanglijst stonden, werd het dat. Hij had een X-box en drie spellen gekocht, en hoewel hij versteld had gestaan van de prijs, had hij niet geaarzeld.

Want de jongen was nu van hem. Simon, zijn zoon. Als hij al twijfels had gehad, waren die verdwenen zodra hij de jongen uit de trein had zien stappen. Het was alsof hij zichzelf als kind zag. Dezelfde aangenaam ronde lichaamsbouw, dezelfde krachtige gelaatstrekken. Het had gevoelens in hem opgewekt die hem hadden verrast. Mellberg was nog steeds geschokt dat hij in staat was tot dergelijke diepe gevoelens. Hij, die er anders altijd een eer in stelde dat hij niemand nodig had. Ja, behalve misschien zijn moeder.

Zij had altijd gezegd dat het zo jammer was dat zulke voortreffelijke genen als de zijne niet werden doorgegeven. Op dat punt had ze zonder meer gelijk gehad. Daarom had hij zo graag gewild dat zijn moeder zijn zoon had kunnen ontmoeten. Om haar te laten zien dat ze gelijk had gehad. Je hoefde maar een blik op zijn zoon te werpen om te zien dat hij veel van zijn vaders eigenschappen had geërfd. De appel viel werkelijk niet ver van de boom. Dat de moeder van de jongen in haar brief had geschreven dat hij lui, ongemotiveerd en opstandig was en het heel slecht deed op school, ja, dat zei waarschijnlijk meer over haar opvoedkundige vaardigheden dan over de jongen. Als hij maar wat tijd mocht doorbrengen met zijn vader, een mannelijk voorbeeld, dan was het slechts een kwestie van tijd voordat hij een echte kerel werd.

Hij vond weliswaar dat Simon best ‘dankjewel’ had kunnen zeggen toen hij zijn cadeau kreeg, maar de arme jongen was waarschijnlijk zo verbaasd geweest dat hij überhaupt iets had gekregen dat hij niet had geweten wat hij moest zeggen. Gelukkig dat hij zelf zo’n goede mensenkenner was. Het zou niet productief zijn om op dit moment iets af te dwingen, zoveel wist hij wel over opvoeden. Hij had weliswaar geen praktische ervaring op dat gebied, dat moest hij toegeven, maar zo moeilijk kon het toch niet zijn? Hij moest gewoon zijn gezonde verstand gebruiken. De jongen was dan wel een tiener en er werd beweerd dat dat lastig was, maar volgens hem moest je gewoon boerentaal met de boeren praten en Latijn met de geleerden. En als er iemand was die met iedereen op het juiste niveau kon praten, dan was hij het wel, en hij was ervan overtuigd dat er helemaal geen problemen zouden ontstaan.

Stemmen in de gang verrieden dat Patrik en Martin terug waren. Hopelijk hadden ze die pedofiele klootzak bij zich. Dit was een verhoor waaraan hij voor de verandering van plan was deel te nemen. Tegen dat soort lui moest hard worden opgetreden.