Strömstad 1923

Het werd een merkwaardige herfst. Hij was nog nooit eerder zo uitgeput geweest, maar ook nog nooit zo energiek. Het was alsof zij hem levensmoed ingoot, en soms vroeg Anders zich af hoe zijn lichaam überhaupt had kunnen functioneren voordat zij in zijn leven was verschenen.

Na die eerste avond, toen ze de stoute schoenen had aangetrokken en naar hem toe was gekomen, was zijn hele bestaan veranderd. De zon begon pas te schijnen als Agnes verscheen en doofde als ze afscheid van elkaar namen. De eerste maand hadden ze voorzichtig toenadering gezocht. Zij was zo verlegen, zo discreet dat het hem nog steeds verwonderde dat ze die eerste stap had durven zetten. Het was zo ongebruikelijk voor haar om opdringerig te zijn dat hij helemaal warm vanbinnen werd bij de gedachte dat ze voor hem zo van haar principes was afgeweken.

Aanvankelijk had hij geaarzeld, dat wilde hij best toegeven. Hij had in de verte problemen gezien en alleen geweten hoe onmogelijk alles was, maar het gevoel in hem was zo sterk dat hij zichzelf er op de een of andere manier van wist te overtuigen dat alles uiteindelijk wel goed zou komen. En zij was ook zo vol vertrouwen. Als ze met haar hoofd tegen zijn schouder leunde en haar tengere hand in de zijne liet rusten, had hij het gevoel dat hij bergen voor haar kon verzetten.

Er waren slechts weinig momenten waarop ze elkaar konden zien. Hij kwam pas ’s avonds laat thuis van de groeve en moest ’s ochtends weer vroeg opstaan om naar zijn werk te gaan. Maar zij wist altijd raad, en daar was hij haar dankbaar voor. In de bescherming van de duisternis maakten ze vele lange wandelingen langs de rand van het dorp, en ondanks de gure herfstkou vonden ze altijd wel een droog plekje waar ze elkaar konden kussen. Toen hun handen zich eindelijk onder elkaars kleren durfden te begeven, was het al ver in november. Hij wist dat ze toen een kruispunt hadden bereikt.

Voorzichtig had hij de toekomst ter sprake gebracht. Hij wilde niet dat zij een ongelukje had, daarvoor hield hij te veel van haar, maar tegelijk was het alsof zijn lichaam erom schreeuwde de weg te kiezen die naar een vereniging zou leiden. Toen hij over zijn kwelling probeerde te praten, bracht zij hem met een kus tot zwijgen.

‘Daar praten we niet over,’ zei ze en ze gaf hem nog een kus. ‘Morgenavond, als ik naar jou kom, kom je niet naar buiten, maar dan laat je me binnen.’

‘Maar wat als de weduwe…’ zei hij voordat ze hem weer onderbrak met een kus.

‘Sst,’ zei ze. ‘We zijn stil als twee muizen.’ Ze streelde zijn wang en ging verder: ‘Twee muizen die van elkaar houden.’

‘Maar wat als…’ ging hij verder, ongerust en tegelijk opgewonden.

‘Je moet niet zoveel denken,’ zei ze met een glimlach. ‘We leven nu, morgen kunnen we wel dood zijn.’

‘Bah, zo moet je niet praten,’ zei hij terwijl hij haar stevig vasthield. Ze had gelijk. Hij dacht te veel.

 

 

Image

 

 

‘We kunnen het maar beter meteen achter de rug hebben.’ Patrik zuchtte.

‘Ik begrijp niet wat het voor zin heeft,’ mopperde Ernst. ‘Lilian en Kaj hebben al jaren ruzie, maar ik kan me niet voorstellen dat hij die kleine daarom om zeep heeft geholpen.’

Patrik bleef abrupt staan. ‘Het klinkt alsof je ze kent. Ik kreeg die indruk ook al toen we Lilian zopas begroetten.’

‘Ik ken alleen Kaj,’ zei Ernst nukkig. ‘We kaarten weleens met een paar andere mannen.’

Op Patriks voorhoofd verscheen een bezorgde rimpel. ‘Moet ik me daar zorgen om maken? Als ik eerlijk ben, weet ik niet of je onder die omstandigheden wel aan het onderzoek moet deelnemen.’

‘Gelul,’ zei Ernst chagrijnig. ‘Als je niet aan een zaak kunt werken vanwege wraking, kan niemand hier enig onderzoek doen. Iedereen kent iedereen, dat weet je net zo goed als ik. En ik kan privé en werk goed van elkaar scheiden.’

Patrik was niet helemaal tevreden met het antwoord, maar hij wist dat Ernst gedeeltelijk gelijk had. Het dorp was zo klein dat iedereen elkaar op de een of andere manier kende, dus op grond daarvan kon je iemand niet van een onderzoek afhalen. Dan moest het al om een veel nauwere verwantschap of zo gaan. Maar het was wel jammer. Een fractie van een seconde had hij zijn vrijheid geroken en een kans gezien om Lundgren kwijt te raken.

Naast elkaar liepen ze naar de voordeur van de buren. Achter het raam naast de deur bewoog een gordijn, maar het viel zo snel weer op zijn plek dat hij niet kon zien wie erachter stond.

Patrik bestudeerde het huis, de pronkvilla, zoals Lilian het had genoemd. Hij zag het op zich elke dag wanneer hij van en naar zijn huis reed, maar hij had het nooit nader bekeken. Het was niet bepaald mooi, dat moest hij toegeven. Het was een modern bouwsel, met veel glas en vreemde hoeken. Je kon zien dat een architect de vrije hand had gehad en Patrik moest bekennen dat Lilian ten dele gelijk had. Het huis was gebouwd om in een glossy woonmagazine te worden geshowd, maar paste net zo slecht tussen de oude bebouwing als een tiener op een bejaardensoos. Wie zei dat geld en smaak hand in hand gingen? De stadsarchitect moest bovendien blind zijn geweest op de dag dat hij de bouwvergunning had verleend.

Hij wendde zich tot Ernst. ‘Wat doet Ernst voor werk? Omdat hij overdag thuis is, bedoel ik? Lilian zei dat hij directeur was?’

‘Hij heeft zijn bedrijf verkocht en is met vervroegd pensioen gegaan,’ zei Ernst, nog steeds verbolgen omdat zijn professionaliteit in twijfel was getrokken. ‘Maar hij traint als vrijwilliger het voetbalteam. Hij is trouwens verdomd goed. Hij had in zijn jonge jaren een profcontract zullen krijgen, maar kreeg toen een ongeluk waardoor dat niet meer mogelijk was. En ik herhaal het nog een keer, dit is verspilde moeite. Kaj Wiberg is echt een goede kerel, en wie iets anders zegt, liegt. Dit is gewoonweg belachelijk.’

Patrik negeerde het commentaar en liep het trapje bij de voordeur op.

Ze belden aan en wachtten. Algauw hoorden ze voetstappen en de deur werd opengedaan door een man, van wie Patrik aannam dat het Kaj was. Zijn gezicht lichtte op toen hij Ernst zag.

‘Hé Lundgren, alles kits? We zouden vandaag toch niet kaarten?’

Zijn brede glimlach verdween snel toen hij zag dat geen van beide mannen teruglachte. Hij sloeg zijn ogen ten hemel. ‘Wat heeft dat mens nu weer verzonnen?’ Hij ging hen voor naar de grote open woonkamer, ging moeizaam in een fauteuil zitten en gebaarde dat de anderen op de bank konden plaatsnemen.

‘Ja, het is niet dat ik het niet betreur wat hun is overkomen, dat is zonder meer een tragedie, maar dat ze het lef heeft zelfs onder deze omstandigheden ruzie met ons te zoeken, zegt volgens mij een heleboel over het type mens met wie te maken hebben.’

Patrik negeerde het commentaar en bestudeerde de man tegenover zich. Zijn uiterlijk leek op dat van een windhond. Hij was van gemiddelde lengte en had dun, grijzend haar dat in een kort, vrij nietszeggend kapsel was geknipt. De hele persoon was eigenlijk vrij nietszeggend, het soort man dat getuigen onmogelijk zouden kunnen beschrijven als hij een bank zou hebben beroofd.

‘We gaan bij alle buren langs die iets gezien kunnen hebben. Het heeft niets met jullie onderlinge ruzie te maken.’ Al voordat ze hadden aangebeld, had Patrik besloten om niet te zeggen dat Lilian Kaj had aangewezen.

‘Oké,’ zei Kaj op een toon die licht teleurgesteld klonk. Een duidelijke aanwijzing dat de burenruzie een constant en gewenst gegeven in zijn leven was.

‘Waarom doen jullie dat?’ ging hij verder. ‘Het is natuurlijk tragisch dat het meisje is verdronken, maar daar hoeft de politie toch niet zoveel tijd in te steken. Jullie hebben zeker niet veel te doen,’ grinnikte hij. Toen hij aan Patriks gezicht zag dat die de situatie allerminst grappig vond, trok hij zijn gezicht weer snel in de plooi. Vervolgens begon het langzaam bij hem te dagen.

‘Klopt dat niet? De mensen zeggen dat het meisje is verdronken, maar jullie weten hoe ze kletsen. Als de politie in de buurt vragen gaat stellen, kan dat alleen maar betekenen dat er iets anders aan de hand is. Heb ik gelijk of heb ik gelijk?’ zei hij opgewonden.

Patrik keek hem met afkeer aan. Wat was er toch mis met de mensheid? Hoe kon je de dood van een klein meisje in vredesnaam als iets spannends beschouwen? Hadden de mensen geen gewoon, eerbaar fatsoen meer? Hij zette zich ertoe neutraal te kijken toen hij Kaj antwoord gaf.

‘Ja, gedeeltelijk klopt dat inderdaad. Ik kan niet op de details ingaan, maar er is gebleken dat Sara Klinga is vermoord en daarom is het van het grootste belang dat we weten wat ze die dag heeft gedaan.’

‘Vermoord,’ zei Kaj. ‘Shit, wat verschrikkelijk.’ Hij trok een medelevend gezicht, maar Patrik voelde, meer dan dat hij het zag, dat die deelneming niet erg diep ging.

Hij bedwong de impuls om Kaj een draai om zijn oren te geven, zo afschuwwekkend vond hij de valse empathie van de man. Verbeten zei hij: ‘Zoals ik zei, ik kan niet nader op de details ingaan, maar als je Sara maandagochtend hebt gezien, is het belangrijk voor ons om te weten waar en wanneer. Graag zo precies mogelijk.’

Kaj fronste zijn voorhoofd en dacht na. ‘Eens kijken. Maandag. Ja, ik heb haar ’s ochtends gezien, maar ik weet niet precies hoe laat. Ze kwam naar buiten en stuiterde weg. Dat kind liep nooit gewoon, ze sprong altijd als een stuiterbal op en neer.’

‘Heb je gezien in welke richting ze liep?’ vroeg Ernst, die voor het eerst tijdens het bezoek zijn mond opendeed. Kaj keek hem geamuseerd aan, kennelijk vond hij het grappig zijn kaartmaatje in zijn professionele rol te zien.

‘Nee, ik heb alleen gezien dat ze de oprit afliep. Ze draaide zich om en zwaaide naar iemand voordat ze verder stuiterde, maar ik heb niet gezien welke kant ze op ging.’

‘En je kunt niet zeggen wanneer dat was?’ vroeg Patrik.

‘Alleen dat het om een uur of negen moet zijn geweest. Preciezer dan dat weet ik het helaas niet.’

Patrik aarzelde even voordat hij verder ging. ‘Ik heb begrepen dat Lilian Florin en jij niet op vriendschappelijke voet met elkaar staan.’

Kaj snoof luid. ‘Nee, zo kun je het rustig stellen. Met die heks kan waarschijnlijk niemand “op vriendschappelijke voet” staan.’

‘Is er een speciale reden voor die…’ – Patrik zocht naar het juiste woord – ‘animositeit?’

‘Niet omdat er een speciale reden nodig is om ruzie te krijgen met Lilian Florin, maar ik heb die toevallig wel, en een goede ook. Het begon al meteen toen we dit perceel kochten en ons huis wilden bouwen. Ze had van alles aan te merken op de tekeningen en deed wat ze kon om de bouw te stoppen. Ze startte een regelrechte protestactie, dat kan ik jullie wel zeggen.’ Hij grinnikte. ‘Een protestactie in Fjällbacka. Je krijgt meteen last van bibberende knieën.’ Kaj sperde zijn ogen en deed alsof hij bang was, voordat hij in lachen uitbarstte. Vervolgens vermande hij zich en ging verder: ‘Natuurlijk slaagden we erin dat oproertje neer te slaan, hoewel het ons veel tijd en geld kostte. En sindsdien zeurt ze maar door. Jullie weten zelf hoe extreem ze is. Sinds we hier wonen, maakt ze ons leven tot een hel.’ Hij leunde achterover en sloeg zijn benen over elkaar.

‘Jullie hadden het huis niet kunnen verkopen en ergens anders gaan wonen?’ vroeg Patrik voorzichtig, maar toen schoten Kajs ogen vuur.

‘Verhuizen? Nooit van mijn leven! Die voldoening zou ik haar nooit gunnen! Dan zou zij waarschijnlijk… Als er iemand is die ergens anders moet gaan wonen, is zij het. Nu is het wachten alleen nog op de uitspraak van de rechter.’

‘De rechter?’ vroeg Patrik.

‘Ze hebben zonder eerst naar de voorschriften te kijken, een balkon aan hun huis gebouwd. En dat steekt twee centimeter uit boven mijn tuin, dus dat is tegen de regels. Ze zullen het wel moeten slopen zodra de rechter uitspraak doet. En dat kan elk moment zijn. Ik verheug me nu al op Lilians gezicht,’ zei Kaj genietend.

‘Denk je niet dat ze op dit moment andere zorgen hebben dan een balkon?’ Patrik kon het niet nalaten die vraag te stellen.

Kajs gezicht werd duister. ‘Ja, ja, ik leef met hun tragedie mee, maar recht is recht. Vrouwe Justitia houdt geen rekening met dat soort dingen,’ voegde hij eraan toe, terwijl hij met zijn ogen bij Ernst om steun zocht. Ernst knikte waarderend en Patrik vroeg zich nogmaals af of Ernst wel geschikt was om mee te werken aan dit onderzoek. Patrik had al voldoende reden om zich zorgen te maken voordat was gebleken dat Ernst bevriend was met een van de ondervraagden.

Ze hadden zich opgesplitst om het buurtonderzoek effectiever te kunnen doen. Ernst liep mopperend door de gure wind. Zijn lange lichaam leek een bijzonder goede windvanger en omdat hij zo slungelig was, slingerde hij af en toe heen en weer en moest hij zijn best doen om zijn evenwicht niet te verliezen. Opnieuw had hij moeten toegeven aan een snotneus die maar amper half zo oud was als hij. Ernst vond het één groot raadsel. Hoe kon het dat zijn lange ervaring en vaardigheid voortdurend over het hoofd werden gezien? Een complot was de enige verklaring die hij kon verzinnen. Het motief was hem niet helemaal duidelijk en hij wist ook niet goed wie erachter zat, maar daar maakte hij zich geen zorgen over. Waarschijnlijk werd hij als een bedreiging gezien, dacht hij, juist vanwege de kwaliteiten die hij bezat.

Hij vond buurtonderzoeken oersaai en verlangde naar de warmte. De mensen hadden ook niets zinnigs te melden. Niemand had het meisje die ochtend gezien en niemand wist veel meer te zeggen dan dat het verschrikkelijk was. En dat moest Ernst toegeven. Gelukkig was hijzelf nooit zo stom geweest kinderen te nemen. Hij had zich ook met succes verre weten te houden van vrouwen, dacht hij, totaal het feit verdringend dat vrouwen nooit veel belangstelling voor hem hadden getoond.

Hij keek met een schuin oog naar Hedström, die bij de huizen aan de rechterkant van de woning van de Florins langsging. Soms jeukten Ernsts vingers om hem een flinke oorvijg te geven. Hij had Hedströms blik wel gezien toen die hem vanochtend had moeten meenemen; het had Ernst zelfs een kort moment van voldoening geschonken. Ze waren normaal gesproken onafscheidelijk, Hedström en Molin, en weigerden altijd om naar oudere collega’s zoals Gösta en hemzelf te luisteren. Ja, Gösta was wellicht geen uitmuntend agent, dat moest Ernst toegeven, maar zijn vele jaren bij de politie verdienden respect. En het was ook niet gek dat je geen zin meer had om al je energie in je werk te steken wanneer je onder dit soort omstandigheden moest werken. Nu hij erover nadacht, realiseerde hij zich dat het waarschijnlijk door de jonge agenten kwam dat hij vaak niet zo’n zin had om te werken en wanneer het maar kon stiekem een pauze inlaste. Die gedachte sloeg aan. Natuurlijk lag het niet aan hemzelf. Niet dat hij er ooit een slecht geweten over had gehad, maar hij was blij dat hij de oorzaak van het probleem nu had kunnen benoemen. De kern van de zaak, zeg maar. Het was de fout van die snotneuzen. Opeens voelde het leven een stuk lichter. Hij klopte aan bij het volgende huis.

Frida kamde zorgvuldig het haar van haar pop. Het was belangrijk dat ze mooi was, want ze ging naar een feestje. De tafel was al gedekt met koekjes en koffie. Piepkleine plastic kopjes met mooie rode bordjes. Natuurlijk waren het geen echte koekjes, maar poppen konden toch geen echte koekjes eten, dus eigenlijk gaf dat niets.

Sara had het stom gevonden om met poppen te spelen. Ze zei dat ze daar te groot voor waren. Poppen waren voor baby’s, had Sara gezegd, maar Frida speelde net zoveel met haar poppen als ze zelf wilde. Sara was soms best lastig. Ze wilde altijd de baas zijn. Ze moest altijd haar zin hebben, anders ging ze mokken of maakte ze dingen kapot. Mama werd altijd hartstikke boos op Sara als ze Frida’s spullen kapotmaakte. Dan moest Sara naar huis en als mama dan met Sara’s mama belde, klonk haar stem heel boos. Maar als Sara aardig was, vond Frida haar hartstikke lief en dus wilde ze toch met haar spelen. Als ze weer zo aardig was.

Frida begreep niet goed wat er met Sara was gebeurd. Mama had uitgelegd dat ze dood was, dat ze in zee was verdronken, maar waar was ze nu dan? In de hemel, had mama gezegd, maar Frida had een hele tijd naar de hemel staan kijken zonder Sara te zien. Ze wist zeker dat als Sara in de hemel was geweest, ze naar haar zou hebben gezwaaid. Omdat ze dat niet had gedaan, kon ze daar dus ook niet zijn. De vraag was waar ze dan wel was. Ze kon toch niet zomaar verdwijnen? En wat als mama zomaar opeens verdween? Frida werd helemaal bang. Als ara kon verdwijnen, kon mama dat dan ook? Ze drukte de pop dicht tegen zich aan en probeerde het enge gevoel te verdringen.

Ze dacht ook nog over iets anders na. Mama had gezegd dat de meneren die over Sara hadden verteld, van de politie waren. Frida wist dat je de politie alles moest vertellen. Je mocht nooit tegen hen liegen. Maar ze had Sara beloofd dat ze niets over die gemene meneer zou zeggen. Moest je een belofte ook houden als iemand weg was? Als Sara weg was, kwam ze er niet achter dat Frida over die meneer had verteld. Maar wat als ze terugkwam en ontdekte dat Frida het geheim had verklapt? Dan werd ze vast bozer dan ooit tevoren en dan maakte ze misschien alles in Frida’s kamer wel kapot, zelfs de pop. Frida besloot dat het ondanks alles het beste was om niets over die gemene meneer te vertellen.

‘Zeg Flygare, heb je een momentje?’ Patrik had voorzichtig op Gösta’s deur geklopt, maar zag nog net dat zijn collega snel een golfspelletje op zijn computer afsloot.

‘Ja, een momentje heb ik wel,’ zei Gösta stuurs, zich er pijnlijk van bewust dat Patrik zijn niet al te nobele bezigheid onder werktijd had gezien.

‘Gaat het over dat meisje?’ ging hij op vriendelijker toon verder. ‘Annika zei dat het geen ongeluk was. Flink klote,’ zei hij en hij schudde zijn hoofd.

‘Ja, Ernst en ik hebben net met haar familie gepraat,’ zei Patrik en hij ging op de bezoekersstoel zitten. ‘We hebben ze verteld dat het nu een moordonderzoek is. Ook hebben we gevraagd waar ze op het tijdstip van haar verdwijning waren en of ze iemand kenden die Sara kwaad zou willen doen.’

Gösta keek Patrik vragend aan. ‘Denk je dat iemand van de familie haar heeft omgebracht?’

‘Op dit moment denk ik niets. Maar hoe dan ook is het belangrijk ze zo snel mogelijk uit het onderzoek te kunnen elimineren. We moeten tegelijk controleren of er in de buurt seksdelinquenten wonen en zo.’

‘Maar het meisje was niet misbruikt, begreep ik van Annika,’ zei Gösta.

‘Niet voor zover de patholoog-anatoom kon zien, maar een klein meisje dat is vermoord…’ Patrik maakte zijn zin niet af, maar Gösta begreep wat hij bedoelde. In de media hadden te veel verhalen over misbruikte kinderen gestaan om die mogelijkheid uit te sluiten.

‘Maar,’ ging Patrik verder, ‘tot mijn verbazing kreeg ik wel een concreet antwoord toen ik vroeg of ze iemand kenden die hun kwaad wilde doen.’

Gösta stak zijn hand omhoog. ‘Laat me raden. Lilian gooide Kaj voor de wolven.’

Patrik glimlachte bij die woordkeuze. ‘Ja, zo zou je het kunnen zeggen. Er lijken geen warme gevoelens tussen die twee te bestaan. We zijn bij Kaj langsgegaan en hebben informeel met hem gesproken, en je kunt rustig stellen dat daar veel oud zeer onder de oppervlakte zit.’

Gösta snoof. ‘Ik zou het niet onder de oppervlakte noemen. Dit drama speelt al tien jaar, en plein public. Als buitenstaander ben je het al vrij snel zat.’

‘Ja, toen ik Annika ernaar vroeg, begreep ik dat jij de aangiften die ze in de loop van de jaren tegen elkaar hebben gedaan, hebt afgehandeld. Zou je mij er wat over kunnen vertellen?’

Zonder meteen te antwoorden draaide Gösta zich om en pakte een ordner van de boekenplank achter zijn bureau. Hij bladerde snel heen en weer en vond wat hij zocht. ‘Ik heb hier alleen de dingen van de laatste paar jaar, de rest bevindt zich beneden in het archief zoals je begrijpt.’

Patrik knikte.

Gösta bladerde nog wat verder en las vluchtig een aantal van de papieren door. ‘Je mag de ordner wel meenemen. Je hebt hier allerlei fraais. Aangiften van beide kanten over van alles en nog wat.’

‘Waarover bijvoorbeeld?’

‘Erfvredebreuk – Kaj heeft kennelijk een keer hun perceel overgestoken. Bedreiging met moord – Lilian heeft Kaj blijkbaar verteld dat hij moest oppassen als zijn leven hem lief was.’ Gösta bladerde verder. ‘Dan zijn er nog diverse aangiften die Kajs zoon betreffen, Morgan. Lilian beweerde dat hij haar bespioneerde en, ik citeer, “zulke lui hebben overdreven seksuele driften, heb ik gehoord, dus hij is vast van plan me te verkrachten”, einde citaat. En dit is maar een losse greep.’

Patrik schudde verwonderd zijn hoofd. ‘Hebben ze niets beters te doen?’

‘Kennelijk niet,’ zei Gösta droog. ‘En om de een of andere reden blijven ze zich steeds maar tot mij richten met al hun ellende. Maar ik geef dit voorlopig graag aan jou,’ zei Gösta en hij reikte Patrik de ordner aan, die hem met enige terughoudendheid aannam.

‘Maar,’ voegde Gösta eraan toe, ‘hoewel Kaj en Lilian alle twee verdomd grote ruziemakers zijn, kan ik maar moeilijk geloven dat Kaj zo ver zou zijn gegaan dat hij dat meisje heeft omgebracht.’

‘Je hebt ongetwijfeld gelijk,’ zei Patrik en hij stond met de ordner onder zijn arm op, ‘maar, zoals gezegd, nu zijn naam naar boven is gekomen, moet ik de mogelijkheid in elk geval onderzoeken.’

Gösta aarzelde. ‘Zeg het gerust als je meer hulp nodig hebt. Mellberg kan het niet serieus hebben bedoeld toen hij zei dat Ernst en jij dit met z’n tweeën moesten afhandelen, het is ondanks alles een moordonderzoek. Dus als ik ergens mee van dienst kan zijn…’

‘Dank je. Dat waardeer ik. En ik geloof dat je gelijk hebt. Mellberg wilde me waarschijnlijk alleen een beetje dwarszitten; zelfs hij kan niet hebben bedoeld dat Martin en jij niet mogen helpen. Ik wil dan ook iedereen briefen, waarschijnlijk morgen een keer. Als Mellberg daar iets op tegen heeft, moet hij dat maar zeggen. Maar zoals gezegd, dat denk ik niet.’

Patrik bedankte Gösta met een knikje voordat hij diens werkkamer verliet en links afsloeg naar die van hemzelf. Toen hij zich in zijn bureaustoel had geïnstalleerd, sloeg hij de ordner open en begon te lezen. Het werd een reis langs de kleinzieligheid van de mens.