40
Het viel de buurtbewoners op dat er ’s morgens vroeg rook omhoog kringelde uit de schoorsteen van het enige gebouw dat nog was overgebleven van slachterij Slátturfélag Suðurlands aan de Skúlagata. Ze wisten niet dat de rokerij weer in gebruik genomen was en dat men zelfs alweer was begonnen met roken. Maar ja, waarom ook niet? Niemand die het echt vreemd vond, de oude vertrouwde geur van gerookt lamsvlees die over de hele buurt hing.
Behalve die ene mevrouw in de Veghúsastígur, die op de tweede verdieping van een huis van drie etages woonde. Ze kon het niet: rustig ergens naar kijken zonder zich ermee te bemoeien. Haar keukenraam zag uit op het noorden, op de eilanden, op de Kjalarnes en de Esja. Ze keek veel tv, tot diep in de nacht; ze kwam dan ook nooit voor het middaguur uit haar bed. Dan zette ze koffie, maakte twee geroosterde boterhammen met kaas klaar en ging zitten om de krant te lezen.
Terwijl de koffie in de glazen kan van het nieuwe koffiezetapparaat druppelde – een kerstgeschenk van haar dochter – en de koffiegeur de keuken vulde, genoot ze als zo vaak van het uitzicht. Toen ontdekte ze de blauwe rook die uit de hoge schoorsteen van de rokerij kringelde. Dat vond ze heel vreemd. Haar hele leven had ze in deze buurt gewoond, ze kende iedereen die er was komen wonen of er vertrokken was, en hield in de gaten wie er door de straat kwamen. Ze wist dat er op het oude terrein allang geen slachterij meer stond, dat het bedrijf zijn werkzaamheden, waaronder het roken van vlees, verplaatst had naar Hvolsvöllur. Dus moest er daarbinnen wel iets in brand zijn gestoken, meende ze.
Ze ontdekte nog iets anders. Al heel lang had ze zich afgevraagd waarom destijds alleen die rokerij de dans ontsprongen was, terwijl alle andere bedrijfsgebouwen waren neergehaald met enorme kogels die tegen de dikke muren zwaaiden, met graafmachines die de stukken beton opschepten, en met vrachtwagens die zeventig jaar geschiedenis van de slachterij wegreden. Maar nu zag ze dat ze eindelijk ook aan de rokerij zouden beginnen. Er stond al een grote kraanwagen klaar; aan de giek hing een van die angstwekkend zware stalen kogels, die gebruikt werden om gebouwen in elkaar te beuken. Direct erachter stond een graafmachine en er vlakbij een vrachtwagen.
Maar als er nu eens iemand brand had gesticht in dat gebouw? Was dat niet gevaarlijk? Zonder aarzelen pakte ze de telefoon en belde de politie. Dat was niets bijzonders voor haar. Ze belde heel vaak om te klagen over toestanden in de buurt, herrie midden in de nacht, onbekenden die door de gemeenschappelijke tuin liepen – dat laatste zelfs op klaarlichte dag. Nee, bij de politie was ze kind aan huis.
‘Ja, er is brand gesticht in de oude rokerij aan de Skúlagata,’ zei ze zodra de telefoon werd opgenomen. ‘Ik zou er maar gauw naartoe gaan. Ze zijn ook al begonnen met slopen.’
Voor de rokerij stonden de vrachtwagenchauffeur, de kraandrijver en de graafmachinist te overleggen. Ook zij hadden gezien dat er rook uit de schoorsteen van de rokerij kwam, en dat terwijl ze opdracht hadden het gebouw te slopen en het puin af te voeren. Ze hadden geprobeerd naar binnen te gaan, maar de deuren waren hermetisch gesloten. In geen maanden of jaren waren er mensen geweest. Vervolgens hadden ze pogingen gedaan door het raam naar binnen te kijken. Vergeefse moeite, er zat geen glas in maar multiplex. Uiteindelijk besloten ze toch maar te beginnen.
De kraandrijver startte zijn machine en liet de giek omhoogkomen. De andere twee wachtten nog. De kraandrijver liet de kogel een flinke zwaai maken en knalde hem tegen de westelijke muur van de rokerij, waarin de schuifdeuren zaten. De dikke muur gaf een beetje mee, maar scheurde niet. Vroeger konden ze nog eens bouwen, dacht de kraandrijver. Weer bonkte de kogel tegen dezelfde plek. Nu was de muur er niet langer tegen bestand. Boven de schuifdeuren viel een gat.
Toen Erlendur en Sigurður Óli bij Kalmann vertrokken was de ochtend al bijna om. Voor Erlendurs huis in Breiðholt zaten ze in de auto een tijdje te overleggen wat hun volgende stap zou zijn. De politieradio stond aan en ze hoorden mededelingen over botsingen, huiselijke ruzies en ten slotte ook over de rook uit de schoorsteen van de oude rokerij aan de Skúlagata. Er werd doorgegeven dat er in het leegstaande pand brand was gesticht en dat de brandweer onderweg was.
Erlendur hoorde de mededeling wel, maar bleef naar Sigurður Óli luisteren. Die beweerde dat Janus de laatste was geweest die Birta levend had gezien, tenminste als je Kalmanns woorden serieus mocht nemen. Maar ineens drong het tot Erlendur door dat er wel eens een verband kon zijn tussen dat bericht op de politieradio en iets wat hij eerder had gehoord. In een flits werd het hem duidelijk.
‘Waar had Janus volgens zijn moeder gewerkt nadat hij van school af was gegaan?’ vroeg hij aan Sigurður Óli.
‘Ik zou het niet meer weten,’ was het antwoord.
‘Was dat niet bij Slátturfélag Suðurlands, voordat het naar Hvolsvöllur verplaatst is? Daar heeft hij toch in de vleesrokerij gewerkt?’
‘Nou je het zegt, ja. Maar wat zou dat?’
‘Er komt rook uit de schoorsteen van die oude rokerij. Vind je dat niet heel raar?’
‘Hoezo?’
‘Nou, Janus moet toch ergens een dak boven zijn hoofd hebben gehad? Misschien heeft hij wel in die rokerij gezeten. Hij had trouwens een heel typisch luchtje bij zich toen ik hem in Sandskeið sprak. De lucht van bacon en gerookt lamsvlees.’
Toen Sigurður Óli even later met piepende banden de Skúlagata op draaide waren er al twee brandweerauto’s en een ambulance ter plaatse. Zo rukte men gewoonlijk uit wanneer de toestand als niet bijzonder gevaarlijk werd ingeschat. De kraanwagen had zijn werk met de stalen sloopkogel gestaakt. Bijna de hele westelijke muur met de schuifdeuren was al aan stukken geslagen en door de ontstane opening kon men nu naar binnen kijken, waar de rookoven stond met zijn drie stalen deuren. Een auto, die binnen achter de stalen deuren had gestaan, was zwaar beschadigd. Voordat Sigurður Óli had kunnen stoppen was Erlendur al uit de auto gesprongen en in de richting van de rokerij gerend. Al hollend zag hij van opzij dat de brandweerlui bezig waren slangen aan de brandweerkranen te koppelen. Hij kwam bij de brokstukken van de muur en glipte langs de auto naar binnen. Naar het geschreeuw van de brandweerlui luisterde hij niet. Het was levensgevaarlijk het pand binnen te gaan. Er vielen stukken beton uit de muur naar beneden en de ruimte hing vol rook.
Erlendur hield zijn zakdoek voor neus en mond en liep naar de oven. Hij duwde de eerste deur die hij bereikte open, maar daarbinnen was niets dan een donkere ruimte. Hij opende de middelste deur van de oven. Ineens was het laaiend heet en stond hij midden in een wolk rook die zijn ogen pijn deed en hem een niet te stuiten hoestbui bezorgde. Hij sprong de oven in en zag het onder zich in de la gloeien. Hij voelde de hitte tussen de spijlen van het rooster omhoog stromen en zijn voeten verwarmen. In de rook, helemaal binnen in de oven, zag hij Janus, vastgebonden op een rek. Erlendur begon om hulp te roepen, maar kon nauwelijks geluid uitbrengen.
Hij wist niet of hij Janus kon aanraken of dat hij op een dokter moest wachten. Hij zag dat Janus’ voeten vreselijk verbrand waren. De broekspijpen waren van zijn benen weggeschroeid en hij zag ernstige brandwonden. Inmiddels was Sigurður Óli bij hem gekomen.
‘Kunnen we dat rek niet uit de oven trekken, weg uit die hitte?’ zei Erlendur en hij keek omhoog naar Janus. Ze merkten dat hun schoenzolen begonnen te smelten.
‘Dan moeten we wel vlug zijn,’ zei Sigurður Óli.
Ze trokken aan het rek en lieten het heel langzaam naar buiten glijden. Janus bewoog zich niet en maakte geen geluid. Sigurður Óli holde naar buiten om te zien of er met de ambulance een arts was meegekomen. Dat was niet het geval. De ziekenbroeders liepen met hem mee toen hij de rokerij weer binnenging. Ze hadden zaklantaarns bij zich en richtten die op Janus. Wat ze zagen was verschrikkelijk.
Janus’ hoofd bloedde aan alle kanten, zijn ogen waren helemaal weggezonken in het gezicht, dat er daardoor bijna karikaturaal uitzag. Een van zijn armen lag in een vreemde positie naast zijn lijf, alsof die uit de kom geschoten was. Zijn hoofd hing machteloos naar beneden. De voddige resten van zijn kleren waren grotendeels van zijn lichaam weggebrand en er hadden zich over zijn hele lichaam brandwonden gevormd, het ergst aan zijn voeten. Hij was op het rek vastgebonden met een touw dat om zijn borstkas was geslagen.
De ziekenbroeders vroegen bij de centrale om versterking. De brandweermannen kwamen de een na de ander binnen, maar zagen nergens vuur. Twee van hen droegen slangen. Ze controleerden het hok, maar daar hing alleen rook, dikke rook.
Er kwamen meer ziekenbroeders en een arts die was gespecialiseerd in het behandelen van zware brandwonden. De broeders zetten hoge trappen overeind, klommen erop en sneden het touw door waarmee Janus vastgebonden lag. Twee anderen tilden hem met speciale handschoenen op; daarna werd hij op een brancard gelegd, in een gekoelde zak, vervaardigd voor zulke gevallen. De arts keek of hij nog tekenen van leven gaf.
Erlendur en Sigurður Óli volgden op enige afstand de handelingen van de ziekenbroeders en de brandweerlui. Er verschenen ook politiemensen en algauw stond de hele menigte rond de oven naar Janus te kijken.
De arts controleerde zijn hartslag. Hij legde de vinger op Janus’ hals. Luisterde scherper. De mensen stonden om hem heen. De rook was bezig uit de ruimte weg te trekken. Het heldere licht van de zomer, binnenvallend waar de muur was weggebroken, verlichtte de ruimte voor de rookoven.
‘Ik hoor nog wat!’ riep de arts. ‘Hij leeft nog. Hij moet hier weg. Vlug, vlug, vlug!’
Erlendur vloog naar de brancard waarop Janus lag, bewegingloos. Hij keek neer op zijn bloedige en gezwollen gezicht en zag dat zijn lippen bewogen. Hij boog zich naar hem toe, zo diep dat zijn oor bijna Janus’ lippen raakte. Hij maakte met zijn hand afwerende gebaren. In de rokerij heerste doodse stilte.
‘...ik...’
Het geluid van Janus’ lippen was nauwelijks te verstaan.
‘w-il...’
Erlendur hield zijn arm uitgestrekt.
‘st-er-ven...’
‘Naar buiten!’ riep de arts en hij duwde Erlendur opzij.
Er ging een schok door de menigte. Men vormde een pad, de rokerij uit. De arts zette Janus een zuurstofmasker op, twee ziekenbroeders tilden de brancard op en liepen ermee naar de ambulance.