8

Elínborg haalde de foto uit haar tasje en liet hem aan de jongen zien. De technische recherche had een opname gemaakt van de tatoeage die het meisje op haar bil had laten aanbrengen. De tatoeage was zo sterk uitvergroot dat hij de hele foto vulde. Het was nog vroeg op de maandagmorgen en Elínborg deed met Þorkell de ronde langs alle tatoeëerders die ze hadden kunnen achterhalen. Bij dít adres waren ze eigenlijk alleen maar op een gerucht afgegaan. De jongen werkte in de garage naast het huis van zijn ouders in de Háaleiti-wijk en was nog maar net twintig jaar. De muren van de garage hingen vol posters van hardrockbands en uit enorme speakers dreunde heavy metal op een gekmakend geluidsvolume. Twee of drie dikke leren outfits, het soort jacks en broeken dat elke serieuze motorgek draagt, lagen verspreid door de ruimte. Overal zwierven bierblikjes en brandewijnflessen rond. Voor de garage stond een zware motor. Absolute topklasse of een gevalletje van dertien in een dozijn? Elínborg wist het evenmin als Þorkell. Die stakkers van ouders hebben de jongen maar bij de ouwe troep in de garage gezet, dacht Elínborg, en ik kan het ze niet kwalijk nemen. Ze had een zoon van dezelfde leeftijd. Die woonde niet in de garage. Hij sliep op een kamer naast die van zijn ouders en luisterde naar Roger Whittaker.

‘Deze ken ik niet,’ zei de jongen. Toen ze hem vertelden dat ze hem moesten spreken was zijn belangstelling dadelijk gewekt. Hij was boomlang en zijn zwarte, krullende haar hing tot op zijn rug. Overal waar je keek zag je bonte tatoeages op zijn huid.

‘Nee, deze ken ik niet. Hij is niet mooi ook. Geen fijn werk, grof, lelijk, vervelend. Daar zit nou helemaal niks artistieks aan. Die jongen zal nog veel moeten leren. En wat stelt het eigenlijk voor? Er is helemaal geen vorm in te ontdekken, het is net een pannenkoek. Nee, die vent bakt er niks van.’

‘Het is een J...’ begon Þorkell, maar de jongen viel hem in de rede.

‘Ja zeg, ik kan wel lezen. Omdat ik nou toevallig motorrijder ben, ben ik nog niet achterlijk. Verrekte vooroordelen bij dat autovolk ook altijd.’

‘Rustig, rustig,’ zei Elínborg. ‘Dus je weet niet wie deze tattoo heeft gezet?’

‘Het stikt van de beunhazen en ze rotzooien maar een eind weg. Amateurs. Die hebben geen spullen zoals deze hier,’ zei hij en hij wees op de gereedschappen en potjes met inkt die overal om hem heen stonden. Elínborg en Þorkell hadden geen idee waar dat alles voor diende.

‘Dus volgens jou was het geen vakman, niet zoals jijzelf bijvoorbeeld?’ vroeg Þorkell, die zijn best deed de jongen weer in een goed humeur te brengen.

‘Er loopt een hele massa klungels rond in dit vak,’ was het enige antwoord dat hij kreeg.

Ze gingen door naar de volgende kunstenaar. Dit kon wel eens een heel vervelend dagje worden, vreesden ze.

 

‘Er is iemand die contact met ons zoekt,’ zei Erlendur tegen Sigurður Óli. Ze zaten in Erlendurs kantoor en praatten, ondertussen van hun koffie slurpend, over het telefoongesprek van de avond tevoren.

‘Over welk vakantiehuis zou hij het hebben?’ zei Sigurður Óli.

‘“Ze was bij hem in zijn vakantiehuis, dat stuk ongedierte,” zei hij. “Ze hebben haar kapotgemaakt.” Wat kan hij daarmee bedoelen?’

‘Kon je iets aan zijn stem horen? Een bepaald accent of zo?’

‘Nee, niks van dien aard. Het leek me een tamelijk jonge stem, dat wel. Ik kreeg de indruk dat hij iets wist, maar dat hij het niet over zijn lippen kon krijgen. Wat zou hem dan toch tegenhouden?’

‘We horen echt nog wel van hem, dat geloof ik vast.’

‘We zien wel,’ zei Erlendur. Na het bewuste telefoongesprek liet hij een opname maken van alle binnenkomende gesprekken en van elke beller het nummer registreren.

‘Ik heb er gisteravond heel informeel eens wat onderzoek naar gedaan,’ zei Erlendur, ‘en ik heb gemerkt dat die striptenten hier in Reykjavík vrij vaak meisjes naar hun klanten sturen. Die kunnen overal zitten, tot in het binnenland toe. In vakantiehuisjes. In vissershutten.’

‘Wisten ze bij die tenten iets van dat meisje van ons?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Nee, nergens.’

Maandagmiddag was er bij de politie nog steeds niet naar het meisje gevraagd. Er was niemand die haar als vermist had opgegeven. Erg verbaasd was Erlendur daar niet over: hij werd erdoor gesterkt in zijn vermoeden dat ze van huis was weggelopen, al een tijd lang door Reykjavík had gezworven en op straat had geleefd. De officiële klinieken, de opvanghuizen en afkickcentra misten niemand van hun klanten. Er werd geen enkel meisje vermist van wie de naam met een J begon. Wat de gestolen Saab betrof, men was er nog niet aan toegekomen nauwkeurig de lijsten te onderzoeken van degenen die tussen het tijdstip van de diefstal en het terugvinden van de auto per vliegtuig het land hadden verlaten. Dat waren ongeveer honderd personen, mannen, vrouwen en kinderen. De klus zou, met de mankracht waarover de recherche beschikte, enorm veel tijd kosten, meende Sigurður Óli.

‘De rijksrecherche,’ verbeterde Erlendur. ‘Je moet er nou eindelijk eens aan denken dat we een nieuwe naam hebben. Je bent onderzoeksambtenaar bij de rijksrecherche, hoor. Ben je nog opgeschoten met die getuige van ons?’

‘Dat heeft niks nieuws opgeleverd, maar ze zal contact met me opnemen als haar nog iets te binnen schiet.’

‘Jullie mogen elkaar nogal, hè? Je was duidelijk uit je gewone doen, daar bij haar thuis gistermorgen, ik zag het. Had die kerkhofgeschiedenis je zo te pakken?’

Erlendur maakte zich wel eens zorgen over Sigurður Óli’s privéomstandigheden en bemoeide zich daar soms mee. Zijn opmerkingen waren zonder uitzondering negatief en vielen bij zijn collega altijd slecht. Erlendur, die zelf vele jaren geleden de ellende van een slecht huwelijk had gekend, ergerde zich er vaak aan dat Sigurður Óli nog geen gezin gesticht had. Dat had iets tegenstrijdigs. Zelf was hij er totaal niet in geslaagd een succesvol familieleven op te bouwen en hij wist bovendien wat het was om alleen te wonen.

‘Ik uit mijn gewone doen? Onzin!’

‘Vind je dat nou normaal? Meisjes die hun vriendjes naar het kerkhof meenemen om af te koelen? Beetje typisch, waar of niet?’

‘Afkoelen! Heet dat zo, bij jullie in het oosten?’ Erlendur had weliswaar bijna heel zijn leven in Reykjavík gewoond, maar was in Eskifjörður in de Oostfjorden geboren. Zijn geboorteplaats kwam op het politiebureau zelden ter sprake, eigenlijk alleen maar als er geintjes over hem werden gemaakt. Meestal gebeurde dat achter zijn rug. ‘Afkoelen!’ ging Sigurður Óli verder. ‘Kom hier, schat, ik wil afkoelen. Het is weekend, tijd om af te koelen! Volgens mij had je haar beloofd dat we er verder niet over zouden praten. Dat we zouden doen of we er nooit van gehoord hadden.’

‘Zit ik soms iets heel moois te verpesten?’

‘Iets anders. Onze getuige wordt nogal eens in de nieuwsberichten genoemd. Ik vind dat we zo min mogelijk informatie los moeten laten. Ze was bang dat ze in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan, en dat zou voor degene die daar op het kerkhof aan de gang was...’

Op dat moment ging de telefoon, en toen Erlendur opnam werd hij plotseling bloedrood. Hij staarde als wezenloos voor zich uit en wuifde ten slotte naar Sigurður Óli dat hij weg moest gaan. Sigurður Óli wist niet wat er aan de hand was, maar hij liep de gang op en sloot de deur achter zich.

Aan de telefoon was Erlendurs ex-vrouw. Bijna twintig jaar had hij haar niet gezien of gesproken. Toen was hij bij haar weggegaan, had haar met twee jonge kinderen achtergelaten. Later, toen hij het telefoongesprek nog eens overdacht, was hij niet eens verbaasd geweest dat hij haar stem ogenblikkelijk had herkend, alsof hij de dag tevoren nog met haar gepraat had. Hij wist dat ze hem tot in het diepst van haar ziel haatte. Diep begraven herinneringen kwamen weer bij hem boven.

‘Neem me niet kwalijk als ik je stoor,’ zei ze, en ze gaf elk woord een geweldige hoeveelheid minachting mee, ‘maar je zoon, die het aan jou te danken heeft dat hij zo’n mislukkeling is, ligt hier bij mij voor dood op de vloer. Hij heeft net alles ondergekotst en de meubels kort en klein geslagen. Ik kom van mijn werk en ik zie dat meneer heeft ingebroken, want een sleutel krijgt hij echt niet van me. Hij heeft alle alcohol die ik in huis had opgedronken, in zijn broek gepist en alles in huis aan barrels geslagen, waarom weet ik niet. En nou is het afgelopen! Ik heb mijn hele leven die pestkinderen achter hun kont gezeten. Ik heb het helemaal gehad met ze!’

Ze was steeds luider gaan praten, ze krijste ten slotte.

‘En nou neem jij hem, nou neem jij dat stuk verdriet, voor ik hem vermoord! Jij hebt onze kinderen kapotgemaakt, en mijn leven erbij, rotzak! Vuile rotzak!’ riep ze, helemaal buiten zichzelf.

Toen smeet ze de hoorn op de haak.

Erlendur bleef een tijd zitten, de hoorn nog aan zijn oor. Twintig jaren hadden geen verandering gebracht in de haat die ze voor hem voelde. Altijd zou ze hem de schuld blijven geven dat het zo met de kinderen was gelopen; dat had ze hem gezegd. De kiestoon zong door zijn hoofd, alsof die alles wilde uitwissen wat hij had gehoord. Ten slotte legde hij de hoorn op het toestel, stond rustig op, trok zijn jas aan en zette zijn hoed op. Het leek alsof hij in trance verkeerde. Hij was zijn kantoor al uit toen hij zich realiseerde dat hij niet wist waar ze woonde. Hij zocht haar naam op: Halldóra Guðmundsdóttir. Opnieuw was hij de deur uit toen hij voor de tweede keer omkeerde en het telefoonnummer intoetste van de directeur van de kliniek in Vogar. Beroepshalve was hij bij die kliniek een goede bekende geworden. Erlendur mocht met zijn zoon langskomen wanneer hij maar wilde.

Vanuit Kópavogur reed hij naar de Hlíðar-wijk. Halldóra bewoonde een klein appartement in een flatgebouw; toen Erlendur er aankwam was ze niet thuis. Ze had toen ze hem belde een lange periode van stilzwijgen doorbroken, maar wilde hem kennelijk tot geen enkele prijs ontmoeten.

Ooit was er echte vriendschap tussen hen geweest. Ze hadden elkaar ontmoet in Glaumbær, indertijd een populaire dansgelegenheid, en er daarna een aantal keren gedanst. Ze konden het goed met elkaar vinden. Hij was toen pas bij de politie begonnen en ze vond het wel spannend een politieman als vriendje te hebben. Ze zochten elkaar algauw ook buiten de officiële uren van Glaumbær op, ze stelde hem aan haar ouders voor en eerder dan ze gedacht hadden waren ze getrouwd en was er een kind op komst. Toen ze samenwoonden en het dagelijks leven begon, veranderden ze beiden. Zij speelde meer dan hij kon verdragen de baas over hem; hij deed nooit wat ze van hem verlangde. Hij begon zich voor haar af te sluiten, werd opvliegend en moeilijk in de omgang. Toen Eva Lind twee jaar was en Sindri Snær op komst, zag hij in dat hij met deze vrouw nooit blijvend zou kunnen samenleven. Trouwens ook niet met een andere, als daar sprake van zou zijn. Hij had zich vergist. Had het nooit zover moeten laten komen. Hij overtuigde zichzelf ervan dat hij ongeschikt was om aan het hoofd van een gezin te staan. Als hij pogingen deed dit met Halldóra te bespreken leverde het elke keer een niet te stoppen huilbui op. In haar keurige familie was er sinds mensenheugenis niet gescheiden. Wat moest ze beginnen? Wat zouden ze er thuis niet van denken? Problemen had je overal en daar kon je aan werken. ‘Laten we het de tijd geven en kijken hoe het zich ontwikkelt,’ zei ze steeds maar weer.

Maar hij was niet van zijn visie af te brengen, en midden in een furieuze ruzie, kort na de doop van het jongetje, ging Erlendur weg om nooit meer terug te komen. Elke maand stuurde hij geld naar Halldóra. Voor haar was de scheiding onverteerbaar, en ze was Erlendur nadat hij het huis had verlaten dodelijk gaan haten. Ze voedde hun beide kinderen op in het geloof dat hun vader een slecht mens was, die van haar en zijn jonge kinderen was weggelopen. Dat laatste was natuurlijk ook zo. Erlendur was tot het inzicht gekomen dat pogingen hun huwelijk op te lappen gedoemd waren te mislukken. Dus was het maar het beste er direct een punt achter te zetten, wat de gevolgen ook zouden zijn.

Ze vergaf het hem nooit dat hij weggegaan was. Ze weigerde hem elk contact met de kinderen; zolang ze bij haar in huis woonden mocht hij zelfs niet in hun buurt komen. Hij had naar de rechter kunnen stappen om een omgangsregeling af te dwingen, maar hij liet Halldóra begaan. De kinderen bleven onbekenden voor hem, totdat ze vanaf hun zestiende jaar zelf naar hem op zoek gingen. Dat deden ze grotendeels uit nieuwsgierigheid, al zochten ze later ook steun bij hem. Erlendur noch Halldóra was ooit hertrouwd.

Hij had zich er vaak het hoofd over gebroken hoe het kwam dat het met beide kinderen zo mis kon gaan. Voor een groot deel gaf hij zichzelf daarvan de schuld. Als hij niet zo onaangepast was geweest, niet alleen aan zichzelf had gedacht, zou hij zonder twijfel zijn huwelijk hebben kunnen redden. Dan had hij zich bij de feiten neergelegd en voor zijn gezin hebben gezorgd. Als hij van Halldóra wilde scheiden had hij dat ook veel later kunnen doen, als de kinderen op eigen benen stonden. Dat offer had hij niet willen brengen. Erlendur had de zin er niet van ingezien een slecht huwelijk in stand te houden. Maar hij geloofde niet dat Halldóra in staat was geweest haar werk te combineren met de zorg voor de kinderen. Ze had een moeilijk leven achter de rug. De haat die ze koesterde, eerst tegen Erlendur en later tegen het leven zelf, moest haar kinderen besmet hebben. Ze hadden voor zichzelf moeten zorgen, ze hadden het in hun kwetsbaarste tijd zonder steun moeten doen. Of was het misschien iets in hun genen? Voorbeelden genoeg, in beide families, van lui die niet de kracht hadden van de drank af te blijven. Of was het misschien... Of misschien... Of misschien...

De buitendeur van de flat stond open toen hij er aankwam. Hij ging naar de eerste verdieping en zag dat Halldóra’s appartement één grote chaos was. Er was niemand in huis en Erlendur ging ervan uit dat Halldóra naar haar buren was gegaan. Hij zou intussen hun laveloze zoon moeten zien weg te krijgen. Je kon zonder overdrijving zeggen dat Sindri Snær als een dolle stier door het appartement was gegaan. Hij lag in de kamer op zijn buik. De lage tafel bij de bank had hij omgekeerd. Een echt mooie bordenkast met glazen deuren had hij aan stukken geslagen. Door het hele huis verspreid lagen spullen, sommige kapot, sommige nog heel. Sindri Snær wasemde een kwalijke lucht van braaksel uit.

Erlendur probeerde zijn zoon wakker te maken, maar dat bleek zinloos. Hij tilde hem dus op, zwaaide hem over zijn schouder en droeg hem zo naar buiten. Hij legde hem op de achterbank van de auto. Erlendur was stevig gebouwd en het kostte hem niet de minste moeite zijn magere zoon de flat uit te dragen en in de auto te leggen. Toen hij zich weer oprichtte en toevallig naar boven keek, zag hij achter het raam van het appartement boven dat van Halldóra heel even haar gezicht verschijnen. Dat meende hij althans. Hij had zijn vroegere vrouw al bijna twintig jaar niet meer gezien en het duurde even voor het tot hem doordrong dat het gezicht achter het raam hetzelfde was als al die jaren geleden, terwijl het toch zo anders was geworden. Beeldde hij zich maar in dat ze het was? Waarschijnlijk niet: hij zag alleen maar koude haat naar buiten staren.

Erlendur liet zijn zoon achter in de handen van de mensen van de kliniek in Vogur. Ze kenden Sindri Snær goed. Het scheen het gewone beeld te zijn: hij had zich een coma gedronken. Ze beloofden goed voor hem te zorgen. Als Erlendur wilde kon hij de jongen over een paar dagen bezoeken. Nee, het zat er niet in dat ze hem voor verdere behandeling naar een kliniek in het binnenland zouden sturen. Dat hadden ze al twee keer gedaan, zonder veel succes. ‘Het is een dure behandeling, weet je, en die knul heeft nog niet laten zien dat hij greep op zijn verslaving wil krijgen.’

 

De vijfde tatoeëerder die Elínborg en Þorkell die dag bezochten herinnerde zich het meisje. De dag liep al ten einde en ze waren allebei moe. Het verveelde hen bij die irritante, glad pratende kerels langs te gaan. Die hadden er geen enkel belang bij de politie in een moordzaak te helpen. Maar Elínborg en Þorkell hadden niet opgegeven. Langzaam maar zeker werkten ze zich door de tattooshops in Reykjavík heen. Þorkell was het meer dan zat, maar Elínborg maakte een eind aan zijn gefoeter: er was werk te doen.

Deze vijfde man zat op een industrieterrrein dicht bij de Ártúnsbrekka. Binnen leek het wel een garage. Alles was zwart en smerig. Elínborgs aandacht werd in het bijzonder gewekt door een aantal niets verhullende foto’s van naakte vrouwen. Ze moest Þorkell een por geven. Die ging even helemaal op in al die pracht aan de muren.

‘Is dit het meisje dat dood was?’ vroeg de tatoeëerder, een dikke man van ongeveer dertig jaar. Hij droeg een leren broek en een mouwloos spijkerjack, waaruit zijn blote armen staken. Hij had zijn haar in een paardenstaart gebonden; een sikje van dezelfde kleur hing aan zijn kin. Verder droeg hij een kunstgebit dat hij wel gestolen kon hebben: het was zichtbaar te groot en klapperde in zijn mond. Op ieder bloot plekje van zijn huid zat een tatoeage. Alle clichés over motorrijders in levenden lijve bij elkaar, dacht Elínborg. Waarom moeten die kerels toch altijd zo kinderlijk blijven? En wat is dat voor een rare manier van praten: ‘Is dit het meisje dat dood was?’ Waar zou die knul vandaan komen?

‘Heb jij deze tatoeage gezet?’ vroeg ze en ze haalde de foto weer voor de dag.

De Hells Angel herkende direct zijn eigen stijl en probeerde zich weer voor de geest te halen wie hem had oppgedragen die J te zetten. Toen herinnerde zich ook het lichaamsdeel waarop hij zijn werkstuk had aangebracht.

Piece of cake, zo’n letter,’ klapperde hij. ‘Ze is hier een jaar geleden geweest. Ze wou een tattoo en ze zei dat ik die letter moet maken. Is daar iets mis mee?’

‘Moest maken,’ verbeterde Elínborg.

‘Ze was niet van Reykjavík, ze was van buiten. Ze zat hier bij me en ze was zo stoned als een garnaal.’

‘Heb je in Denemarken gewoond?’ vroeg Elínborg.

‘Nee, ik ben nooit in Denemarken geweest.’

‘Weet je wat die J betekent?’ vroeg Þorkell.

‘Geen enkel idee. Ze was binnen en ze vroeg of ik die J wou doen.’

‘Kwam binnen,’ zei Elínborg – ze kon het niet laten.

‘Weet je de naam van het meisje nog?’ vroeg Þorkell.

‘Zei ze niet. En ik kende niks van haar. Had haar nooit eerder gezien en zag haar ook niet meer terug. Als ik thuis was, dan mocht ze komen wanneer ze wou, zei ik tegen haar. Grapje. Ik zag haar nooit meer. Ze zat onder de drugs.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Gewoon. Dat kan je gelijk zien.’

‘Had ze iemand bij zich?’ vroeg Elínborg.

‘Nee, maar ze zat te kletsen over een vent, weet je wel. Ze zei eigenlijk niet veel. Steeds hetzelfde, maar ze was apestoned en als je stoned bent praat je erge onzin.’

‘Wat zei ze?’ vroeg Elínborg. Ze deed geen verdere pogingen zijn taalgebruik te verbeteren.

‘O, alleen maar onzin. Ze was helemaal van de wereld. En het was ook al zo lang geleden. Soms weet ik niet eens meer hoe ik zelf heet.’

‘Ja, dat kan ik me indenken,’ zei Elínborg.

‘Weet je welke vent dat was over wie ze praatte?’

Nope,’ zei de tatoeëerder.

‘Heb je haar later nog gezien? Weet je waar ze woonde? Of weet je nog iets anders van haar?’

‘Nope.’