3
Ze heette Bergþóra. Toen Erlendur en Sigurður Óli aanbelden had ze in de tussentijd iets comfortabelers aangetrokken. Na haar telefoongesprek met de politie had Onbenul snel afscheid genomen. Hij had gezegd dat hij geen zin had in die kwestie verwikkeld te raken en op zich kon ze dat wel begrijpen. Maar evengoed – wat een ridder, zeg. Liet haar gewoon barsten! Of ze wilde proberen hem erbuiten te houden, had hij gevraagd. Nou, ze vond het prima. De vondst van het lijk had haar weer helemaal in de nuchtere werkelijkheid teruggebracht en nu begon haar geweten te spreken. Ze moest er niet aan denken dat ze de politie of wie dan ook over die seks op het kerkhof zou moeten vertellen. Ze wilde dat ze dat uur uit haar leven kon wissen. Als haar metgezel nou op het werk zijn mond maar hield. Wat een nachtmerrie – wat had haar bezield? Op een kerkhof, nota bene. Was ze nou helemaal gek geworden?
Ze woonde in een klein, smaakvol appartement aan de Aflagrandi. De meubels had ze in antiekzaken bij elkaar gezocht; op de beukenhouten parketvloer lagen kleine perzen. In de kamer hingen reproducties. Marilyn Monroe van Andy Warhol. Ze vroeg Erlendur niet te roken en hij stopte het pakje weer in zijn zak. Dit is helemaal het droomappartement van jongeren die het gaan maken, dacht hij, en zijn gedachten gingen even naar zijn eigen appartement met het stijlloze, smakeloze allegaartje van meubels en ander huisraad.
Ze probeerde het eerst met een leugen, maar ze had geen gelegenheid gehad zich daar behoorlijk op te prepareren.
‘Er valt eigenlijk niet zoveel over te vertellen,’ begon ze toen Erlendur en Sigurður Óli tegenover haar waren gaan zitten. Ze probeerde haar verhaal zo gewoon mogelijk te laten klinken.
‘Tja, zulke dingen heb je nou eenmaal in deze buurt,’ zei Erlendur. ‘Je stuit hier natuurlijk regelmatig op lijken, hè?’
‘Nee, ik bedoel dat jullie weinig aan me hebben. Ik ben uit geweest, in het centrum, en rond drie uur liep ik op de Suðurgata, op weg naar huis. Toen zag ik dat een man de poort van het kerkhof uit rende. Hij liep de kant van de Skothúsvegur op. Toen ik dichterbij kwam keek ik over de stenen muur en daar zag ik dat meisje op het graf van Jón Sigurðsson liggen. Toen heb ik direct de politie gebeld.’
‘Eigenlijk heb je twee keer gebeld,’ zei Sigurður Óli. ‘Waarom was dat?’
‘Ik was een beetje in verwarring, denk ik. Mijn eerste reactie was: ik moet de politie bellen, maar ik wilde er eigenlijk ook niks mee te maken hebben. Ik wilde geen getuige zijn. Maar toen ben ik van gedachten veranderd.’
‘Hoe zag die man eruit, die je daar zag rennen?’ vroeg Erlendur.
‘Ik heb hem niet goed gezien, ik kan hem nauwelijks beschrijven. Hij had donkere kleren aan.’
‘Donkere kleren? En meer heb je niet gezien? Waar liep je precies op de Suðurgata toen je hem zag?’
‘Nog tamelijk aan het begin,’ antwoordde Bergþóra, en ze keek Erlendur aan. Liegen ging haar niet goed af. Het lukte haar ook deze keer niet: ze was moe, ze wilde van de zaak af, ze wilde slapen. Maar ze had ook iets te verbergen, ze was te gespannen. En die Erlendur had het al gemerkt, ze wist het.
‘Dus je hebt hem niet zo goed kunnen zien,’ zei Sigurður Óli. Hij wilde een goede indruk maken op deze knappe jonge vrouw. Dat hield hem meer bezig dan het uitpluizen van al die details. Bloedmooi is ze, dacht hij – en hij vond zichzelf ook niet lelijk. Er schoot hem een uitdrukking te binnen die hij pas geleden voor het eerst had gehoord en die hij toen smakeloos had gevonden. Een kennis had eindeloos zitten zwetsen over alle vrouwen die hij versierd had. Die hij gepaald had. Zo noemde hij dat.
‘Ik kon hem niet goed zien; hij rende ook zo hard. Hij was eigenlijk direct weer verdwenen. En ik heb ook niet speciaal op hem gelet. Ik had dat lichaam toen nog niet ontdekt.’
‘Ben je er zeker van dat het een man was?’ vroeg Erlendur.
‘Ja, dat wel.’
‘Voor iemand die zoiets heeft meegemaakt ben je opvallend kalm. Ben je niet ontzettend geschrokken toen je daar midden in de nacht alleen op weg was en dat lijk zag liggen?’ vroeg Erlendur. Behoedzaam probeerde hij zijn doel te bereiken. ‘En nog wel op dat oude kerkhof. Er wordt altijd verteld dat het er spookt.’
‘Ik geloof niet in spoken, en in deze tijd van het jaar kun je nauwelijks van nacht spreken,’ zei ze glimlachend. ‘Ja, natuurlijk ben ik geschrokken en daar ben ik nog niet helemaal overheen ook. Zo vaak heb ik in mijn leven geen lijk gezien. Het is ontzettend triest als je zo’n meisje ziet: overleden en zomaar ergens buiten achtergelaten. Hebben jullie enig idee hoe ze gestorven is?’
‘In dit stadium vinden we het beter er zo min mogelijk over te zeggen,’ zei Sigurður Óli.
‘Maar ze is toch vermoord?’
‘Droeg je dat mantelpakje toen je haar vond?’ vroeg Erlendur, die haar vraag onbeantwoord liet. Hij keek naar een stoel bij de eettafel. Toen ze was binnengekomen had ze haastig haar kleren over die stoel gehangen, maar ze was vergeten die op te bergen. ‘Ben je gevallen toen je dat pakje droeg? Volgens mij is het nogal vuil.’
‘Ja, dat klopt, ik ben gevallen.’
‘Toch geen wonden opgelopen?’
‘Nee hoor.’
‘Maar zijn dat geen groene vlekken? Ben je dan in het gras gevallen? Op Austurvöllur soms?’
‘Nee, op... oké,’ zuchtte ze. ‘Hij had me gevraagd hem erbuiten te houden, maar het zal me ook een zorg zijn wat hij wou. Heeft me verdomme gewoon laten zitten! We zijn met z’n tweeën op het kerkhof geweest. Hij heeft een computerzaak, samen met mij en nog een stel anderen. Hij had me voor een etentje in Borg uitgenodigd, en we waren op weg naar huis. Toen kwam ik ineens op het idee dat we een stuk konden afsnijden als we het kerkhof zouden oversteken. Daar zijn we gestopt en toen zijn we in het gras gaan liggen. We hebben een beetje gevrijd, maar toen hoorde ik iets en zijn we ermee opgehouden.’
‘Vind je dat lekker, vrijen op een kerkhof?’ vroeg Erlendur.
‘Vind jij het lekker om zulke vragen te stellen?’ antwoordde ze.
‘We proberen een beeld te...’
‘Wat moet ik dan zeggen? Dat ik het lekker vind om het op een kerkhof te doen? Oké. Ik vind het lekker om het in de vrije natuur te doen, en kerkhoven zijn een soort natuur. Nóú goed? Dat willen jullie toch horen? Maar het heeft niks met de doden daar te maken. Ben ik zo duidelijk genoeg? Ik wou het maar even gezegd hebben.’
‘En is Don Juan ertussenuit gegaan toen jullie dat lijk zagen?’ Erlendur was totaal niet gechoqueerd. Zijn dochter had hem over haar leven in de goot nogal wat ergere verhalen verteld dan dat leuke kerkhofavontuurtje van die twee ict-yuppen.
Heeft haar op het kerkhof gepaald, dacht Sigurður Óli. Zijn gedachten dwaalden weg van het verhoor toen hij zich dat voorstelde. Hij was vrijgezel en het was al een tijd geleden dat een vrouw het bed met hem had gedeeld.
‘Don Juan heeft die man niet gezien,’ zei ze. ‘De man die ik de poort uit heb zien rennen, bedoel ik.’ Ze stond op. Ze vond het niet prettig daar voor die twee mannen te zitten en te vertellen wat ze had gedaan. De oudste gaapte haar aan en de jongste leek plotseling heel ver weg. Geen lelijke vent trouwens, dacht ze, al kijkt hij nogal schaapachtig op het ogenblik.
‘Dus je was op het kerkhof en je zag van tamelijk veraf die duistere figuur de poort uit rennen. En dat was nog voordat je het lijk zag. Heb je ook iets bijzonders aan hem gezien dat ons zou kunnen helpen? Zijn leeftijd? De kleur van zijn haar? Zijn kleding? Zonet zei je dat hij de kant van de Skothúsvegur op ging. Maar was hij dan niet met de auto gekomen? Hij had een meisje op zijn rug, naakt nog wel. Het is de vraag of hij op die manier een behoorlijk eind heeft kunnen lopen. Je had dus een auto moeten zien. Als je liegt moet je het wel goed doen.’
‘Ik heb niet gezien welke kant hij op ging toen hij van het kerkhof kwam. Dat van de Skothúsvegur klopt niet. Ik zei maar wat. Maar een auto heb ik niet gezien en niet gehoord ook. Er was heel weinig verkeer toen we de Suðurgata op liepen.’
‘Nog één ding,’ zei Erlendur glimlachend. ‘Je bent heel behulpzaam geweest. Alles wat je tegen ons zegt is vertrouwelijk; niemand zal daar verder kennis van nemen, daar kun je gerust op zijn. We hebben geen enkele belangstelling voor je privéleven. Maar weet je ook of hij je gezien heeft?’
‘Wie?’
‘Die figuur die het kerkhof af rende.’
‘God, nee toch, hè?’