2
De telefoon rinkelde.
Erlendur Sveinsson, rechercheur, gescheiden, alleenstaand, ongeveer vijftig jaar oud, was altijd buitengewoon geïrriteerd als ze hem ’s nacht wekten. Vooral wanneer hij moeilijk in slaap had kunnen komen, zoals deze nacht. Die verrekte middernachtzon hield hem maar wakker. Er viel nauwelijks iets tegen te doen, leek het wel. Erlendur had geprobeerd zijn slaapkamer met dikke gordijnen te verduisteren, maar het licht slaagde erin langs de kieren binnen te komen. Zijn jongste aanschaf was een maskertje. Het kopen was een nogal pijnlijke onderneming geweest. In films had hij zulke luxedingetjes wel eens bij chique oude dames gezien; zo was hij ook op het idee gekomen. Maar hoe kwam je eraan? Hij had erover gesproken met zijn collega Elínborg, een vrouw van middelbare leeftijd.
‘Wát?’ vroeg ze. ‘Een masker?’
‘Zo een om voor je voor je ogen te doen,’ zei Erlendur zachtjes.
‘Je bedoelt, waar dames op stand mee slapen in films?’ vroeg ze. Ze genoot: Erlendur was zichtbaar slecht op zijn gemak.
‘Het is die verdomde middernachtzon,’ zei hij.
Ze had de verleiding niet kunnen weerstaan en hem naar een lingeriezaak op de Laugavegur gestuurd. De verkoopster, een wat oudere vrouw met strenge gelaatstrekken, was zo vrij te vragen wat hij met dat masker wilde. Daar was in haar zaak nooit vraag naar geweest.
‘Hoe bedoel je, een masker voor je ogen?’ vroeg ze zo luid dat het in de hele winkel te horen was. ‘Zoals oude dames in films er een dragen?’
Toen hij op het bureau terugkwam was Elínborg verdwenen, maar ze had een boodschap op zijn tafel achtergelaten, en onder het velletje papier lag een masker. Ook hierin had Elínborg de verleiding niet kunnen weerstaan: het was gemaakt van zacht, lichtroze satijn, met een heel fijn borduurwerkje aan de randen.
En dat waardeloze lor was nog erger dan die verdomde middernachtzon. Erlendur had de gordijnen zorgvuldig dichtgetrokken, was in bed gaan liggen en had het masker opgezet. Het elastiek hinderde hem al direct. Het was veel te kort voor zijn grote hoofd, zodat het masker tegen zijn gezicht petste – met de achterkant naar voren. Toen hij het goed had opgezet piepte het licht er bij zijn nogal hoge neusbrug toch nog onderdoor. Een hele tijd worstelde hij met dit probleem; uiteindelijk werd hij doezelig en viel, gelukkig maar, in slaap.
Hij had voor zijn gevoel nog geen minuut geslapen toen de telefoon begon te rinkelen. Het was Sigurður Óli, zijn collega.
‘Er is een lijk gevonden op het kerkhof aan de Suðurgata,’ zei hij. Ook hij had wakker gelegen. Hij was de collega met wie Erlendur het nauwst samenwerkte. De meeste anderen bij de rijksrecherche pasten er wel voor op Erlendur ’s nachts te bellen.
‘Ja, waar wou je anders een lijk vinden?’ zei Erlendur nijdig. Hij begreep niet waarom hij geen licht zag – hij had zijn ogen toch open? Hij tastte om zich heen, voelde uiteindelijk het masker en schoof het van zijn gezicht af. Hij keek op de klok. Het was hem gelukt een uur te slapen.
‘Dit lijk is niet begraven, weet je. Het is een meisje. En raad eens waar ze ligt?’
‘Op het kerkhof. Dat zei je toch?’
‘Op het graf van Jón Sigurðsson. De eer, het zwaard enzovoort.’
‘President Jón?’
‘Ja, dat heb ik begrepen: ze is op het graf van president Jón gelegd. Ze is naakt en de vrouw die haar heeft gevonden zegt dat ze kort daarvoor een man de poort uit heeft zien rennen.’
‘En waarom bij president Jón?’
‘Goeie vraag.’
‘Heet ze soms Ingibjörg?’
‘Wie, die getuige?’
‘Nee, dat meisje.’
‘We weten niet wie het is. Hoe kom je bij Ingibjörg?’
‘Jij weet ook helemaal niks,’ zei Erlendur kwaad. ‘De vrouw van Jón Sigurðsson heette Ingibjörg. Ben je al bij dat graf?’
‘Nee. Moet ik je komen ophalen?’
‘Geef me vijf minuten.’
‘Hoe gaat het met je masker?’
‘Zeg, hou je bek.’
Erlendur woonde in een klein appartement in het oudste gedeelte van de wijk Breiðholt. Hij was er na zijn scheiding, lang geleden, ingetrokken; zijn twee kinderen kwamen er soms als ze onderdak nodig hadden. Ze waren beiden de twintig gepasseerd. Zijn dochter was verslaafd aan drugs, zijn zoon een zware drinker. Erlendur had naar beste vermogen geprobeerd hen te helpen, maar na herhaalde pogingen had hij geconstateerd dat dit een hopeloos gevecht was. Hij hield zich nu vast aan een simpele filosofie: het moet in het leven gaan zoals het gaat. Algauw nadat ze waren begonnen hem wat vaker op te zoeken, hadden ze ontdekt dat de verhalen van hun moeder niet klopten: die boorde hem volkomen de grond in. De scheiding had hem tot haar ergste vijand gemaakt en daarmee ook tot die van hun kinderen. Ze schilderde hem af als een monster.
Toen ze op het kerkhof kwamen had de politie de omgeving van het graf al met geel lint afgezet en de Suðurgata voor het verkeer afgesloten. Speurhonden snuffelden in de omgeving van de poort. Een aantal passanten, het grondsop van het nachtleven, stond op een afstandje toe te kijken. Mensen van de technische recherche stonden bij het graf van Jón Sigurðsson. Een van hen fotografeerde het lijk vanuit verschillende gezichtshoeken. Er waren al persfotografen ter plaatse, die opnamen maakten van alles wat voor hun lens kwam, maar wel buiten het kerkhof moesten blijven. Het was ’s morgens na vijven; de zon stond hoog aan de hemel. Politieauto’s en een ambulance waren met brandende lampen langs de Suðurgata geparkeerd, maar het was al zo helder dat de lichten nauwelijks opvielen.
Erlendur en Sigurður Óli liepen naar het graf. Een zwakke lucht van verwelkte bloemen kwam hun tegemoet. Het lichaam van het meisje, lijkwit en moedernaakt, baadde in het licht van de morgenzon. Elínborg en Þorkell, een collega van Erlendur en Sigurur Óli, stonden bij de dode.
‘Ze ligt er mooi bij,’ zei Erlendur zonder te groeten. ‘Weet iemand al iets?’
‘We hebben nog geen naam, maar de dokter hier heeft haar onderzocht. Hij heeft zo zijn vermoedens,’ zei Elínborg. ‘Het ziet ernaar uit dat het moord is.’
Een man van ongeveer dezelfde leeftijd als Erlendur stond over het lichaam gebogen, maar richtte zich nu op. Hij had een onverzorgde baard en droeg een bril met een dik, hoornen montuur. Erlendur wist dat hij het niet gemakkelijk had. Zijn vrouw was twee jaar tevoren aan kanker overleden. Ze werkten al heel lang samen en waren goede kennissen, maar over privéomstandigheden hadden ze nooit gepraat. Erlendur hield zich liever buiten het leven van andere mensen en vond dat hij genoeg had aan zichzelf en de zijnen.
‘Ik moet het natuurlijk nog beter bekijken, maar het heeft er veel van weg dat ze gewurgd is. Het zou kunnen dat ze daarnaast verkracht is. Ik geloof dat er sperma in haar vagina zit, maar vanonder zijn geen duidelijke tekenen van mishandeling te vinden.’
‘Vanonder!’ snoof Elínborg.
‘Ze spoot,’ ging de dokter verder. ‘Mogelijk al een hele tijd. Dat kun je aan haar armen zien, maar ook aan andere plekken op haar lichaam. Dus daar vinden we ongetwijfeld sporen van in haar bloed. Het zal wel heroïne zijn. Haar lichaamstemperatuur is nog niet noemenswaardig gedaald, dus ik schat dat ze ongeveer één tot anderhalf uur geleden gestorven is. Niet meer.’
‘Het zal wel een zwerfster zijn,’ zei Elínborg. ‘En een tippelaarster natuurlijk.’
‘Verschrikkelijk zeg, zoals díé opgemaakt is,’ zei Þorkell.
‘Wordt er een meisje van die leeftijd vermist?’ vroeg Erlendur.
‘Bij ons niet,’ antwoordde Elínborg. ‘Het zal wel weer het ouwe liedje zijn. Een jaar of wat geleden van huis weggelopen. Daarna op straat geleefd, getippeld, ergens onderdak gekregen, in een opvanghuis of zo, in een afkickcentrum opgenomen, weer op straat terechtgekomen, opnieuw getippeld om aan drugs te kunnen komen en weer opgenomen. We kennen zoveel van dat soort verhalen. Misschien meegedaan aan inbraakjes en andere kleine criminaliteit. Haar klantenkring zal niet veel soeps geweest zijn: vieze ouwe mannetjes. Ik weet zeker dat we een heel dossier over haar in de computer hebben zitten. We hoeven haar alleen maar na te trekken.’
Ze stonden met zijn vieren naar de dokter te kijken, die weer over haar gebogen stond. Geen van hen, Erlendur misschien uitgezonderd, had ervaring met het onderzoek van moordzaken, maar ze probeerden te laten zien dat ze ertegen waren opgewassen. Er gebeurden maar weinig moorden in Reykjavík. De meeste werden onder invloed van alcohol begaan, en zonder dat er een schot bij gelost werd. De dader werd opgepakt en naar de gevangenis in Litla-Hraun gestuurd. Een enkele keer gebeurde het dat de moordenaar pas na enkele dagen werd gevonden, meestal gaf hij zichzelf aan of kwam hij na een kort onderzoek boven water. Maar gevonden werd hij. In de laatste tien jaar waren er weinig of geen moorden gepleegd waarvan je kon zeggen dat ze grondig waren voorbereid, moorden die in koelen bloede waren begaan, of in elk geval zo dat men had geprobeerd de sporen uit te wissen. Met verdwijningen lag het anders. Die kwamen vaak voor en ze bleven bijna even vaak onopgelost.
‘De ouwe Jón zal hier niet erg blij mee zijn,’ zei Erlendur, omhoogkijkend naar de groen uitgeslagen kop van Jón Sigurðsson op de stenen kolom.
‘Wat kan dit nou met hém te maken hebben?’ vroeg Elínborg.
‘Ik betwijfel of het puur toeval is dat dat arme kind hier ligt.’
‘Zoals je zei, misschien heet ze Ingibjörg,’ zei Sigurður Óli.
‘Hoezo Ingibjörg?’ vroeg Þorkell.
‘Omdat de vrouw van Jón Sigurðsson Ingibjörg heette natuurlijk,’ zei Sigurður Óli zelfingenomen.
‘Heette die dan geen Áslaug?’ vroeg Þorkell.
‘Áslaug?’ echode Erlendur. ‘Hoe kom je nou bij Áslaug?’
‘Ach nee, Ingibjörg natuurlijk,’ verbeterde Þorkell snel.
‘Tsjonge jonge,’ kreunde Erlendur.
‘Wat is dat daar op haar bil?’ vroeg Sigurður Óli en hij boog zich voorover. ‘Misschien begon de naam van haar vriend met een J,’ gaf hij zichzelf antwoord. ‘Waar kun je zo’n tatoeage eigenlijk laten zetten? Hier in de stad zijn nauwelijks tattoostudio’s.’
‘Misschien heet ze zelf J en nog wat,’ opperde Þorkell.
‘Volgens jouw geniale manier van redeneren komt ze dus uit Reykjavík en heeft ze nooit een voet buiten de stad gezet, laat staan dat ze in het buitenland is geweest,’ zei Erlendur spottend tegen Sigurður Óli.
‘Het zou me wat waard zijn als er ’s nachts geen moorden meer gepleegd werden. Dan hoefden we jou tenminste niet wakker te maken, gemaskerde!’ zei Sigurður Óli en hij keek Elínborg aan.
‘Het lijkt me duidelijk dat ze hierheen gebracht is,’ zei deze. ‘Er is geen spoor van geweld te vinden en haar kleren liggen hier ook niet. Het lijkt wel alsof ze op dat graf te kijk gelegd is.’
‘Misschien moest Jón haar beschermen,’ zei Sigurður Óli. ‘Misschien moest hij haar weer levend maken.’
‘Waar is de vrouw die haar gevonden heeft?’ vroeg Erlendur.
‘Die hebben we naar huis gebracht,’ antwoordde Þorkell. ‘We dachten dat dat wel kon. Maar ze verwacht je.’
‘Was ze alleen?’
‘Dat zei ze tenminste, en ze heeft ook verteld dat ze een man de poort van het kerkhof uit zag rennen.’
‘Ga eens na of er iemand hier in de omgeving die rennende man heeft gezien,’ zei Erlendur. Hij ging weg en Sigurður Óli liep met hem mee het kerkhof af.
‘Wist je dat ze de Suðurgata vroeger het Liefdespad noemden?’ vroeg Erlendur toen hij in de stralende ochtendzon de straat op stapte. In hun wedstrijdjes wie het meest wist konden ze behoorlijk kinderachtig doen, die twee. Erlendur voelde zich in dit spel de mindere: hij had alleen maar een vwo-diploma. Sigurður Óli was trots op zijn universitaire achtergrond en de opleiding die hij daarna in Amerika had gevolgd – tja, zo was het nou eenmaal, hij kon het ook niet helpen. Onuitstaanbaar was hij met zo’n houding.
‘Klopt,’ antwoordde Sigurður Óli, voor wie dit volkomen onbekend was. ‘En weet je dat de Suðurgata ooit ook nog eens Lijkenhuisstraat geheten heeft?’
‘Jazeker,’ zei Erlendur – hij hoorde het voor het eerst.