31

Af en toe kwamen bij Janus de herinneringen boven aan het moment dat hij stierf, daar onder in dat scheepsruim, maar nooit was dat hem zo vaak overkomen als in de afgelopen weken en maanden, nadat hij ontdekt had hoe het er met Birta voor stond. Dan werd hij ’s nachts met een schok wakker, snakkend naar adem, en doorleefde hij opnieuw de eindeloze nachtmerrie waarin hij het gevoel had dat hij stikte.

Birta en hij waren die dag naar de dorpswinkel gegaan om een film te huren en snoep te kopen. Daar liepen ze een groepje jongens van school in de armen. Die pestten en treiterden hem altijd. Zodra ze hem zagen begonnen ze. Ze stonden voor de winkel, en toen Janus met Birta de hoek om kwam begonnen ze te joelen. Hij kwam aarzelend dichterbij; toen bleef hij staan, keek naar de jongens, deed een stap achteruit en daarna nog een, langzaam, rustig. Hij had gemerkt hoe opgefokt de jongens deden, al direct toen ze hem in het oog kregen. Ze waren tot alles in staat, besefte hij. Hij begreep dat hij in gevaar was, voelde het in zijn hele lichaam; hij kreeg het koud, zijn knieën knikten. Het was een onwillekeurige reactie, maar de jongens merkten direct dat hij aarzelde en dat wond hen nog meer op. En toen ze zagen dat Janus achteruitliep en ten slotte hollend om de hoek verdween, raakten ze door het dolle heen en renden hem achterna.

Toen Birta de groep zag wegrennen begreep ze wat er aan de hand was. Ze holde de winkel uit, sloeg de hoek om en zag dat de brullende meute de volgende straat was overgestoken. Een aantal meters voor hen uit rende Janus zo hard hij kon in de richting van de haven. En al kon hij heel hard lopen, hij was niet groot voor zijn leeftijd, en de groep knabbelde voortdurend wat van zijn voorsprong af. Birta rende achter de horde aan. Kon hij zich maar in de boten verstoppen. Kon hij maar om hulp vragen bij de mannen daar. Kon hij dat stelletje etters maar van zich afschudden. Kon hij maar... Kon hij maar... Ze verloor Janus uit het oog toen hij bij het koelhuis de hoek om rende, een manslengte voor de voorste jongen in de groep. Ze pakken hem, dacht ze. Ze gaan hem pakken.

Het duurde een hele tijd voor ze hijgend en puffend bij het koelhuis aankwam. Ze had dezelfde weg genomen als Janus. Ze sloeg de hoek om en holde over het terrein voor het koelhuis in de richting van de steiger. Er was niemand aan het werk. Het was koffietijd en de arbeiders zaten binnen, ze goten de koffie door hun keel en schrokten haastig hun brood op, want de pauze duurde maar een kwartier. Ze zag dat de jongens op een kluitje aan de kop van de steiger stonden. Janus was nergens te zien. Ze riep zijn naam en rende zo hard ze kon in de richting van de groep. Toen ze dichterbij kwam zag ze dat de jongens naar beneden stonden te staren. Ze keken in het ruim van een boot die daar boordevol lodde aan de steiger lag. Boten die op lodde visten zag je in de Westfjorden niet vaak. Er was in de hele streek maar één bedrijf dat deze vis verwerkte.

Twee van de jongens kregen haar in de gaten en stootten de anderen aan; algauw draaiden ze zich allemaal naar haar toe. Maar lawaai maakten ze niet meer. Ze zwegen en keken toe hoe ze dichterbij kwam. Een paar keken weer omlaag in de boot, en toen gingen ze er allemaal vandoor alsof een van hen ze daartoe het sein had gegeven. Ze schoten langs haar heen de steiger af en holden vervolgens langs het koelhuis. Zo snel haar benen haar konden dragen rende ze naar de kop van de steiger en kon zich nog net staande houden, anders zou ze in de boot zijn gevallen. Het ruim was open; het was tot de rand gevuld met vis.

Janus zag ze nergens.

Toen hij bij de winkel was weggerend had hij geen idee waar hij heen moest. Hij kon voor het dorp kiezen of voor de haven. Het werd de haven: hij hoopte dat daar mensen rondliepen die hem zouden kunnen helpen voordat de meute hem te pakken kreeg. Hij was te ver van huis om daarheen te kunnen vluchten. Dus rende hij de straat over in de richting van het koelhuis en de haven. Vlak achter zich hoorde hij het geschreeuw van de bende. Hij merkte dat ze steeds dichterbij kwamen, tot hij het gehijg van de koplopers kon horen. Toen schoot hij de hoek bij het koelhuis om.

Hij holde de steiger af. Ineens werd het hem duidelijk dat hij zichzelf klem had gezet. Hij zag de boot met lodde aan de kop van de steiger liggen en wist dat er geen ontsnappen meer aan was. Toen hij bij het eind van de steiger was draaide hij zich om, buiten adem. De bende had het nu makkelijk: hij kon toch niet meer weg.

De jongens kwamen dichterbij. Ze schreeuwden en scholden; hij probeerde er zijn oren voor te sluiten. Hij keek achterom en zag het ruim van de boot. Op het middendek was het open; de vismassa liep bijna over de rand. Weer keek hij naar zijn belagers. De voorste jongens wilden hem al vastpakken. Toen draaide hij zich om en sprong.

Hij was natuurlijk niet van plan geweest in het ruim te springen, maar hij kwam met zijn ene been in de opening terecht en tuimelde naar beneden. Hij zakte weg in de ijskoude massa van lodde en zeewater en zonk dieper en dieper, alsof hij in een zompig moeras was beland. De kou verspreidde zich door zijn hele lichaam; hij wilde schreeuwen. Hij kwam weer boven en schreeuwde en spartelde en probeerde met zijn hoofd boven de massa uit te komen, maar elke keer als hij naar lucht hapte vulde zijn mond zich weer met lodde en zeewater. Even kon hij nog naar boven krabbelen en zag hij de jongens op de steiger staan. Hij hoopte dat iemand zou proberen hem te helpen, hem een eind touw zou toegooien of aan boord zou springen en hem uit het ruim trekken. Maar er gebeurde niets en hij zonk opnieuw.

Hij was doodmoe na al dat rennen en al snel kwam hij adem tekort. Na korte tijd leek het alsof hij uit elkaar zou barsten, in zijn oren bruiste het, voor zijn ogen werd het zwart. Hij voelde dat hij ging stikken, gek van angst werd hij. Hij opende zijn mond om lucht te happen, lucht die hij niet kreeg. Hij sloeg om zich heen, maar hoe meer hij worstelde, hoe erger het werd, tot hij wist dat hij zou gaan sterven.

Toen hij dat besefte merkte hij dat het plotseling beter met hem ging. Hoe dat kon wist hij niet. Hij wist dat hij naar de bodem van het ruim was gezonken en dat hij geen adem meer kon krijgen. Hij deed geen moeite meer voor zijn leven te knokken en nu leek het wel alsof de benauwdheid week. Hij hoefde niet langer meer te vechten voor het laatste beetje adem. Hij merkte de kou niet op. Terwijl hij voelde hoe het leven uit hem wegebde kwam er een wonderlijke rust over hem. Hij had niet langer het gevoel dat hij stikte. Er kwam een andere, prettige gewaarwording voor in de plaats, die hij ook wel eens had als hij ’s avonds doodmoe ging liggen, net voor het moment dat hij in de slaap zou wegglijden. Dan dacht hij soms: zou het zó voelen als je doodgaat? Er kwam rust over hem, en warmte, en duisternis.

Daar, op de bodem van het ruim, was hij gestorven.

Waar is Birta? was zijn laatste gedachte voor hij stierf.

Ze keek naar beneden, in de boot, en riep zijn naam. Nergens zag ze haar vriendje. Ze keerde zich naar de groep die de steiger was afgelopen en zich haastig had verspreid. Ze schreeuwde: ‘Waar is Janus? Waar is Janus?’ Een van de jongens bleef staan toen hij haar hoorde roepen en schreeuwde terug: ‘Hij is het ruim in gegaan!’ Het ruim in? dacht ze. Is hij beneden in het ruim? Bij al die vis? Ze aarzelde geen seconde. Aan dek zag ze een stuk touw, bond het ene uiteinde aan de reling, het andere om haar middel, en sprong naar beneden, de vismassa in. Ze spartelde tot ze op de bodem kwam en tastte met beide handen in het rond of ze Janus kon vinden. De kans dat ze iets zou kunnen zien was nihil; ze hield haar ogen dan ook dicht. Haar adem inhoudend tastte ze verder, tot ze hem vond. Ze kwam adem tekort na het harde rennen en haar hart bonsde in haar borst. In haar oren hoorde ze het dreunen. De kou was ondraaglijk. Met haar ene hand greep ze Janus vast, maar ze wist dat ze hem nooit naar boven zou kunnen krijgen: hij was loodzwaar. Ineens voelde ze een ruk aan het touw en merkte ze dat ze naar boven werd getrokken. Ze omklemde Janus nu met haar beide armen. En ze ademde met volle teugen de lucht in toen ze eindelijk, na een eeuwigheid, in het ruim opdook. Iemand tilde Janus op en daarna haar. Allebei werden ze op het dek neergelegd. Ze hoestte, ze kokhalsde en spuugde. Janus lag bewegingloos, met gesloten ogen, naast haar.

De man die hen uit het ruim had omhooggetrokken wist wat hij moest doen. Hij blies direct lucht in Janus’ mond en drukte op zijn borstkas. Geen resultaat. Hij herhaalde die handeling, telkens weer; hij weigerde het op te geven, blies, haalde adem, blies, haalde adem, steeds opnieuw. Er kwamen meer mensen bij. Birta zag het in een waas, terwijl ze op het dek lag, rillend van de kou. Het enige wat ze opmerkte was dat Janus nog steeds geen teken van leven gaf.

Plotseling kwam er een golf zeewater uit zijn mond, hij hapte naar adem, hij hoestte en braakte. De zeeman legde hem op zijn zij. Even kwam hij bij bewustzijn, daarna viel hij weer weg. In de ambulance naar het ziekenhuis werd hij opnieuw wakker; hij zag Birta met een deken om zich heengeslagen naast hem zitten. Van wat er daarna gebeurde kon hij zich later niets meer herinneren.

Janus wist wat het was om te sterven.

Het klopte wat er in die tijdschriften stond over mensen die waren gestorven en weer tot leven kwamen. Maar híj had geen licht gezien, geen tunnel met aan het eind een prachtig schijnsel; hij had zichzelf gezien. Geen moment had hij zijn bewustzijn verloren, meende hij. Hij bleef erover nadenken en begon zich te realiseren wat er was gebeurd, zoals hij zich soms ook realiseerde dat hij gedroomd had. Misschien was het de ziel geweest die het lichaam verliet. Hij had het ineens niet koud meer, het gevoel te stikken verdween en in plaats daarvan kon hij ademen of hoefde hij niet langer te ademen. Hij werd uit het ruim getild, hij zweefde boven de boot en zag een man onder zich, die Birta omhoogtrok. Hij zag zichzelf in haar armen. Hij zag dat hij levenloos op het dek lag en dat een man hem eerste hulp verleende. Hij zag Birta vlak bij zich, kokhalzend. Hij was in een droom.

Plotseling werd hij wakker en keek in de ogen van een man die zich over hem heen boog. Hij sidderde van kou en kon door alle zeewater en vuil in zijn longen nog niet ademen. Hij hoestte, hij spuugde, hij kokhalsde, hij braakte. Toen hij opnieuw wakker werd, lag hij in de ambulance en zag dat Birta bij hem was.

Toen raakte hij weer weg.