38
Toen Janus bij bewustzijn kwam had hij het gevoel dat hij zou stikken. Hij kon nauwelijks ademhalen en de lucht die hij binnenkreeg bevatte maar weinig zuurstof. Zijn ogen brandden verschrikkelijk. Het was alsof hij onder in het ruim van de vissersboot lag en op het punt stond te verdrinken. Herbert en Melkmuil hadden hem murw geslagen en hij voelde over zijn hele lijf de wonden schrijnen. Zijn armen moesten gebroken zijn. Zijn hoofd bloedde aan alle kanten, zijn beide ogen waren dichtgeslagen en zijn neus was gebroken. Hij had pijn in zijn maag, in zijn lendenen, overal. Ondraaglijke pijn.
Het kon bijna niet anders of zijn voeten stonden in brand.
Hij verloor het bewustzijn weer, even maar. Hij probeerde zijn ogen open te doen, maar dat ging niet. Om hem heen was het aardedonker. Eerst wist hij niet of hij languit lag of rechtop was vastgebonden. Hij probeerde zich te bewegen, maar dat had geen enkel effect. Toen merkte hij dat hij een beetje heen en weer schommelde, dat hij in de lucht hing en dat onder hem die brandende hitte heerste.
Hij had het gevoel gehad dat ze nooit zouden ophouden. De knuppel danste op zijn lichaam op en neer, totdat Herbert zo pufte en hijgde dat hij zelfs niet langer kon vloeken. Melkmuil had zich wat meer op de achtergrond gehouden, totdat Herbert niet meer kon en ten slotte met honkbalknuppel en al op de grond viel. Toen nam zijn metgezel het over en sloeg Janus hard op zijn lichaam en in zijn gezicht, totdat hij bewusteloos raakte en als een lege jutezak op de vloer lag.
Het ergste was niet de pijn in zijn lichaam of de brandende hitte aan zijn voeten, maar het oude gevoel van verstikking dat hem weer overviel en dat helemaal bezit van hem nam. Het maakte niet uit of hij snel ademde, of hij de lucht diep inzoog, hij kreeg geen zuurstof. Eerst dacht hij dat ze een plastic zak over zijn hoofd hadden getrokken en probeerde hij die weg te trekken. Maar er was helemaal geen zak.
En zijn ogen! O god, dat branden. Het was of iemand ze met een nagelvijl uit zijn hoofd wilde halen.
‘Help!’ riep hij met het beetje kracht dat hij nog had, maar hij er kwam nauwelijks geluid uit zijn keel. Hij ademde door zijn neus en mond de van rook verzadigde lucht in, dronk ze als een gek met gulzige teugen in, verzwolg ze, zoog ze naar binnen, maar het enige wat hij merkte was hoe de hete, bittere rook hem de keel afsneed en in zijn longen kerfde. Hij merkte dat zijn schoenen en zijn broek schroeiden en dat zijn vlees verbrandde.
Weer kwam de bewusteloosheid over hem. Het laatste wat hij zich herinnerde was dat Birta terug was in het kelderappartement in Breiðholt, nadat ze bij Kalmann was geweest, en wat hij toen had gedaan.
Hij had tegen haar gezegd dat hij wist wat het was om te sterven.
En nu was hij zeker in de hel.
Hij móést wel in de hel zijn. Om wat hij Birta had aangedaan.