23
Erla, Birta’s moeder, meldde zich af bij de supermarkt en nodigde Erlendur en Sigurður Óli uit met haar mee naar huis te gaan. Ze besloot nog die dag met hen naar Reykjavík mee te reizen. Ze woonde in een klein, goed onderhouden rijtjeshuis. Het was al heel wat jaren geleden dat Birta het huis uit was gegaan en er was dan ook niet veel meer te vinden dat aan haar herinnerde. Ze bekeken een aantal foto’s van Birta op jongere leeftijd, ze zagen haar boeken. Er was een plak klei met de afdruk van haar hand. ‘Dat heeft ze op de kleuterschool gemaakt,’ zei Erla. ‘Net vier was ze toen.’ Er waren een paar brieven die ze vanuit Reykjavík had geschreven; daarna was ze opgehouden met schrijven.
Het bericht van Birta’s dood had haar moeder geweldig aangegrepen. Ze huilde stilletjes en de twee rechercheurs vroegen of ze niet iemand bij zich wilde hebben, de dominee misschien, maar dat hoefde niet voor haar. Ze vroegen haar of er in Ísafjörður mensen waren die Birta hadden gekend. Misschien hadden die wel informatie over haar die ze in het onderzoek konden gebruiken. Maar Erla kon zich geen namen herinneren. Birta was bovendien al zo’n vijf jaar geleden het huis uit gegaan, dus je kon nauwelijks verwachten dat de mensen die haar nog kenden veel te melden hadden. ‘En dat was nog gajes ook,’ zei Erla. ‘Ze had hier niet bepaald goed gezelschap om zich heen. We hadden eigenlijk veel beter op ons dorp kunnen blijven wonen.’
Voordat ze naar het vliegveld reden kwam Erlendur op het idee het kantoor van de plaatselijke afdeling van de vakbond binnen te lopen. Daar ontmoette hij de vakbondsman, een zekere Þorfinnur, een energieke, lange vent van ergens in de dertig, die hem een stevige hand gaf en hem voorging naar zijn kantoor. Erlendur zei dat hij zich een beetje had verdiept in de problematiek van de Westfjorden, en gezien had welke rol de quota daarin speelden. Hij wilde het niet hebben over de visie die hij tijdens zijn reis door de Westfjorden op die problemen had gekregen; hij wilde alleen over een paar punten nog wat meer weten, maar wist niet precies tot wie hij zich moest wenden. Met de plaatselijke rederijen was hij niet bekend, maar hij vermoedde dat de vakbondsman wel goed op de hoogte zou zijn.
Toen ze gingen zitten kwam hij direct ter zake. ‘Weet je ook wie hier in de Westfjorden de grootste opkopers van quota waren?’ vroeg hij.
‘Ik hoor veel over die lui uit Akureyri. Daar willen ze toch de grootste rederij van het land hebben?’
‘En in Reykjavík, hebben ze daar ook belangstelling?’
‘Nou, reken maar. Ze zijn vanuit Reykjavík alle fjorden afgereisd, en overal waren ze op quota uit.’
‘Wie waren dat?’
‘Mensen die werkten bij de tunnel die ze hier hebben geboord. Ze kwamen voor dat aannemersbedrijf – hoe heet het? Kalmann.’
‘Kalmann?’
‘Precies.’
‘Maar wat moet die Kalmann nou met quota? Die zit toch hoofdzakelijk in het vastgoed en de huizenbouw in Reykjavík?’
‘Dat moet je mij niet vragen. Het enige wat ik weet is dat die mensen door hem waren gestuurd. Ik snap allang niet meer hoe die quotabusiness in elkaar zit. Aan de buitenkant ziet het er allemaal wondermooi uit, dat is het enige wat ik ervan kan zeggen. Dus als die vastgoedmensen uit Reykjavík quota bij elkaar harken, dan kijk ik daar niet van op. Bij dit soort zaken verbaas ik me nergens meer over.’
Elínborg en Þorkell kwamen hen ophalen toen ze rond drie uur in Reykjavík landden. Erla, Birta’s moeder, was met hen meegekomen. Ze reden rechtstreeks naar het mortarium in de Barónsstígur, waar Erla vaststelde dat het inderdaad om haar dochter ging. Ze huilde niet meer, maar keek een tijdje naar Birta’s blauwig witte gezicht en kuste haar op het voorhoofd. Ze hadden haar al in algemene termen beschreven hoe ze dachten dat Birta’s dood had plaatsgevonden; nu kreeg ze de details van de zaak te horen. Ze keek hen niet-begrijpend aan.
‘O god,’ steunde ze. Erlendur sloeg een arm om haar heen en bracht haar naar een nabijgelegen kamertje. Daar gingen ze samen zitten tot ze zich weer wat hersteld had.
Erla wilde met de avondvlucht terug en er was geen reden waarom ze Birta niet met zich mee naar huis zou kunnen nemen. De politie hoefde niet langer over het lichaam te beschikken en er werd toestemming gegeven voor de overbrenging. Elínborg nam de noodzakelijke maatregelen om het lichaam per vliegtuig te laten vervoeren. Erla ging met Erlendur en Sigurður Óli naar het gebouw van de rijksrecherche in Kópavogur, waar ze haar verklaring aflegde.
Ze vertelden haar wat ze meenden te weten over het verblijf van haar dochter in Reykjavík. Erla hoorde het zwijgend aan. Ze probeerde hun uit te leggen waarom ze haar best had gedaan niet al te veel te denken aan haar dochter en aan de omstandigheden waarin ze verkeerde. Ze had het niet langer gekund. Maar het was nooit tot haar doorgedrongen dat het zo erg was.
Birta was tweeëntwintig jaar; ze was in 1976 in Ísafjörður geboren. Erla was nog maar achttien toen ze moeder werd. Erla en Birta’s vader waren later gescheiden; zij was opnieuw getrouwd en had met haar tweede man nog twee kinderen gekregen. Die waren nu zeventien en zestien jaar oud en studeerden beiden in Reykjavík. Sinds haar tienertijd had Birta nooit meer contact met hen gehad. Wat er van Birta’s vader terechtgekomen was wist Erla niet precies. Hij was naar Reykjavík verhuisd toen het meisje drie was en had sindsdien niets meer van zich laten horen. Zij had evenmin moeite gedaan contact te houden. Birta had hem nooit gemist. Ze was een heel lief kind geweest, een beetje in zichzelf gekeerd en verlegen misschien, maar altijd behulpzaam en goed. Ze waren weliswaar niet erg rijk, maar het ontbrak hun niet aan de voornaamste levensbehoeften.
Nadat ze de basisschool had doorlopen en naar het gymnasium in Ísafjörður ging, begon haar gedrag in een aantal opzichten opvallend te veranderen.
‘Ze kwam in slecht gezelschap, zoals dat heet,’ zei Erla toen ze bij Erlendur in het kantoor zat. Ze zat voor zijn bureau en Sigurður Óli stond met zijn rug tegen de archiefkast. ‘Ze rommelden op school wat met hasj en dat soort dingen, maar anders dan de meeste andere kinderen kon mijn Birta daar helemaal niet mee omgaan. Dat was het begin van een ontwikkeling die ik niet kan verklaren. Ik had nooit zoiets meegemaakt. Ze had steeds meer nodig. Het ging zo ontzettend vlug! Ze was nog geen zeventien toen ze al van die heel sterke pillen slikte – hoe ze heten weet ik niet precies meer. Ectasy of zoiets.’
‘Ecstasy waarschijnlijk,’ viel Sigurður Óli in.
‘Er was ook iets wat ze speed noemde. En ze had het wel eens over crack. Natuurlijk hadden we daar vaak geweldige heibel over. Het is nu twee jaar geleden dat ik haar voor het laatst heb gezien. En toen ik de foto zag die jullie hadden meegenomen dacht ik eerst: dat is ze niet. Mijn lieve kind. Hoe kan dat nou toch, dat iemand zo aan drugs verslaafd raakt? Alles wat ze gedaan heeft, al dat vergif, het leven dat ze leidde – het is net of ze zichzelf wilde vernietigen. Ik begrijp er niks van.’
‘Is er in haar jeugd niet iets gebeurd dat die ontwikkeling kan verklaren?’ vroeg Erlendur.
‘Ze komt uit een doodgewoon IJslands huishouden, als je dat bedoelt. Nou ja, we zijn gescheiden, maar dat was iets tussen mij en haar vader.’
‘Heeft ze nooit geprobeerd af te kicken?’ vroeg Sigurður Óli.
‘Daar lachte ze om. Als iemand daarover begon moest ze lachen: allemaal kletspraat. Flauwekul! Ze lachte me uit als ik probeerde met haar te praten. Ze kon zo arrogant doen tegen mensen die de moed hadden zich met haar te bemoeien omdat ze zagen hoe ze zichzelf de vernieling in hielp, tegen mensen die zich zorgen om haar maakten en haar probeerden te helpen. Ikzelf ben er op een gegeven moment mee gestopt. Ik weet dat het verschrikkelijk is om dat te zeggen, maar zo is het wel. Je wordt er zo moe van. Begrijp je wat ik bedoel? Je wordt er zo vreselijk moe van. Alleen maar moe.’
‘Ik denk dat ik weet wat je bedoelt,’ zei Erlendur.
‘Dus dat is de reden dat ze nooit als vermist is opgegeven. Ze had met niemand van de familie contact,’ zei Sigurður Óli.
‘Ik heb op het journaal wel iets gehoord over een lijk op het kerkhof. Maar het is totaal niet bij me opgekomen dat zij het zou kunnen zijn. Geen moment aan gedacht. Zo blind kun je zijn. Nooit vermoed dat zíj wel eens die dode zou kunnen zijn.’
‘Wist je in wat voor milieu ze hier in Reykjavík leefde?’ vroeg Erlendur. ‘Of met wie ze omging?’
‘Daar wist ik nauwelijks wat vanaf. Nou ja, ze had een vriendin die Dóra heette als ik me goed herinner. En verder had ze weer een oude vriend uit de Westfjorden ontmoet. Dat was een jongen die nog met haar op de kleuterschool heeft gezeten maar naar Reykjavík was verhuisd.’
‘Was dat Janus?’
‘Ja, zo heette hij. We woonden naast zijn moeder. Die heette Guðrún.’
‘Hoe heet ze voluit?’
‘Guðrún Þorsteinsdóttir.’
‘Heeft Birta het wel eens over een zekere Herbert gehad?’ vroeg Sigurður Óli.
‘Dat weet ik niet. Ík heb die naam in ieder geval nooit gehoord. Wie is dat?’
‘Een man van wie we denken dat hij haar gekend heeft,’ antwoordde Sigurður Óli zonder verder in details te treden.
‘En dan hebben we nog die geheimzinnige toestand met Jón Sigurðsson,’ zei Erlendur. ‘Zie jij er een aanwijzing in dat ze op zijn graf is neergelegd?’
‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde Erla. ‘Ik begrijp er helemaal niks van. Wat heeft Jón Sigurðsson er nou mee te maken?’
Erlendur en Sigurður Óli haalden hun schouders op.
Erla kreeg bij het transport van het lichaam van haar dochter naar huis in Ísafjörður alle nodige hulp. Het lichaam werd in een witte kist gelegd, die op de lopende band in de bagageruimte van het vliegtuig verdween. De weinige bekenden die Birta in de Westfjorden had zouden er zijn als het vliegtuig aankwam. Men had de zaken geruisloos en zonder ophef afgehandeld, nog dezelfde dag, zoals Erla wilde. Daardoor was het gelukt de media buiten de zaak te houden. Birta’s vader had men nog niet kunnen vinden. Uit onderzoek van Þorkell was gebleken dat hij in het buitenland zat.
Erlendur en Sigurður Óli namen afscheid van Erla en Erlendur reed Sigurður Óli naar huis. Onderweg noemde Erlendur de hoofdzaken van zijn gesprek met de vakbondsman in Ísafjörður, waarbij de naam van Kalmann was gevallen.
‘Hij vertelde me dat er mensen zijn geweest die voor Kalmann de dorpen in de Westfjorden hebben afgestruind om naar quota te vragen. Wat moet een aannemer nou met visquota? Kun jij me dat uitleggen?’
‘Kalmann is een rijke vent en hij bezit een enorm aantal huizen. Zou hij de man zijn over wie die Dóra zat te kletsen?’
‘Zou best kunnen. Maar nogmaals, kun je me vertellen wat er daar aan de hand is?’
‘Geen idee,’ zei Sigurður Óli geeuwend. Hij was moe, het was een lange dag geweest. Hij wilde naar huis, slapen. ‘Denk je echt dat de quotabusiness en de handel in onroerend goed iets te maken hebben met het feit dat Birta om het leven gebracht is?’
‘Wíst ik maar wat er met Birta te maken heeft en wat niet. Dat is het ellendige. Ik wil dat Elínborg daar dieper in duikt.’
‘Ze heette Anna Birta, dat kind.’
‘Ik begrijp niet waarom mensen hun kinderen opzadelen met al die extra namen,’ zuchtte Erlendur. ‘Pure pretentie. Alleen maar lastig voor anderen.’
Het was al tamelijk laat in de avond toen Erlendur in zijn kantoor terug was. Hij had geen zin om naar huis te gaan. Hij dacht over Eva Lind en Sindri Snær, over zichzelf en het huwelijk dat hij al zoveel jaren geleden beëindigd had. Zijn kinderen verschilden niet eens zo gek veel van Birta. Misschien was het alleen maar een gradueel verschil. Misschien zelfs dat niet.
In zijn kantoor trof hij het definitieve rapport van de patholoog-anatoom aan. Dat was een dag eerder bij de rijksrecherche binnengekomen. Er waren bloedmonsters voor een nauwkeurige analyse naar het laboratorium in het Landshospitaal gestuurd en de uitslag was glashelder. Het duurde even eer Erlendur het zich realiseerde, maar toen de strekking ervan tot hem doordrong sloeg hij in machteloze woede met zijn vuisten op het bureaublad.
Het meisje Birta was hiv-positief, en dat was niet het enige. Ze had aids in een vergevorderd stadium. Toch was er in haar bloed geen spoor van de meest gangbare medicijnen tegen die ziekte te vinden. Ze scheen er niets tegen te hebben gedaan. Een medisch dossier van haar was er niet. Blijkbaar had ze zich nooit laten onderzoeken. Het was onduidelijk of ze zelf had geweten hoe erg het met haar was, al was dat eigenlijk onvoorstelbaar. De ziekte had het laatste stadium bereikt.
Erlendur staarde naar het rapport en mompelde voor zich uit: ‘Do you like girls.’