17
De zware deur van de rookoven ging langzaam en geluidloos open. Vanaf het moment dat hij in de oven was aangebracht werd hij gesmeerd met dierlijk vet. Herbert had zijn geroep om hulp gestaakt. Hij lag onder het rooster in de lade van de oven; alleen zijn hoofd kon hij bewegen. Hij sperde zijn ogen open en zag iemand de oven in stappen en naar hem toe komen. De man liep op het rooster en stapte over hem heen. Bij Herberts hoofd bleef hij staan. Die staarde omhoog het duister in, maar hij kon alleen maar vage omtrekken zien. Een hele tijd keken ze elkaar aan. Het leek Herbert dat de man iets in zijn ene hand had, maar wat het was kon hij niet duidelijk zien. De man zette het voorwerp neer en hurkte bij Herberts hoofd. Hij zei geen woord en ze keken elkaar in de ogen.
‘Wie ben je?’ vroeg Herbert eindelijk. Van zijn buitenissigheid en pretenties was niet veel meer over. Hij hield zich rustig en kalm en sprak ineens opmerkelijk goed IJslands. De man antwoordde hem niet, maar keek hem des te indringender aan.
‘Wat ga je met me doen?’ vroeg Herbert. ‘Waarom heb je me ontvoerd? Wat heb ik je misdaan? Wie ben je eigenlijk? Geef nou eens antwoord, alsjeblieft!’
Nog altijd zei de man geen enkel woord. Hij genoot toen hij zag hoe bang Herbert was en hoe hij werd gekweld door onzekerheid. Toch was hij zelf ook bezorgd. Hij kende zichzelf: hij was niet gewetenloos, hij zou waarschijnlijk niet in staat zijn anderen zwaar te mishandelen, maar in hem woelde de haat, en die schreeuwde om wraak. Hij was er vast van overtuigd dat Herbert hem de inlichtingen kon geven die hij nodig had. Alleen, hij zou die nooit krijgen als hij geen geweld gebruikte. Hij wist ook dat de man die daar onder de roosters vastgeklemd lag bepaald niet brandschoon was en dat maakte het hem gemakkelijker. Wat Birta hem over Herbert had verteld was niet veel goeds. Hij handelde op grote schaal in drugs en waakte nauwlettend over zijn belangen. Ook zorgde hij ervoor op geen enkele manier in aanraking te komen met de mensen die het vuile werk voor hem deden, Birta bijvoorbeeld.
Ze was vaak voor hem naar het buitenland gevlogen, had haar lichaam volgepropt met vergif en bij de douane het onschuldige kleine meisje gespeeld. Birta was niet bekend bij de politie, bij sociale instellingen, bij klinieken of afkickcentra, en dus was ze geknipt voor de activiteiten die Herbert organiseerde en die ze Reisbureau Herbert noemde. Ze vloog naar Europa. Vier dagen tot een week zat ze dan in een of andere grote stad en benaderde daar de mensen die Herbert haar had genoemd. Zo kwam ze aan de drugs. Ze paste er wel voor op er zelf iets van te gebruiken. Dat had ze één keer gedaan en toen had Herbert haar met een honkbalknuppel zo afgetuigd dat haar sleutelbeen brak. Voor hij dat deed had hij eerst een honkbalpetje opgezet. Daarna had hij met zijn hand op haar schouder gedrukt en gevraagd of het pijn deed.
‘Zoveel pijn heb ík nou als er iemand van me steelt,’ had hij gezegd.
Dat was nog kinderspel vergeleken met wat ze verder over hem had gehoord. Het had hem heel veel tijd en ongelooflijk veel moeite gekost om de drugshandel in het land op poten te zetten. Voordat hij op het toneel verscheen was er op het gebied van invoer, distributie en betaling helemaal niets geregeld. Er waren in die tijd heel wat mensen die zich met die handel bezighielden; ze liepen elkaar in de weg. De markt was zeer instabiel, soms was er niets te krijgen en rezen de prijzen tot absurde hoogte, soms werd de markt overstroomd met spul dat voor een spotprijs van de hand ging. Er waren lui die elkaar bij de politie aangaven of met de ellebogen werkten om zichzelf meer armslag te verschaffen. Het was Herbert die zorgde dat er in deze toestand orde werd geschapen. Twee krachtige distributieorganisaties waren nu samen op de markt actief, het aanbod en de prijs waren stabiel, en er werd voortdurend gewerkt aan vergroting van de vraag.
Maar niet iedereen was even verrukt van Herberts initiatief, en sommigen, die niet deden wat hij wilde, had hij met harde hand tot de orde moeten roepen. En zelfs toen hij de drugsbusiness al op orde had gebracht waren er altijd wel figuren die niet onder Herbert wilden werken. Het was een publiek geheim dat hij achter de verdwijning zat van een man die een deel van de markt naar zich toe had willen trekken. Hij had alle mogelijke klussen voor Herbert gedaan, net als Birta. Hij had gesmokkeld, de distributie geregeld en geld bij de dealers geïnd. Een betrouwbare, maar ook een zeer ambitieuze kracht. Herbert vond hij maar een waardeloze kerel. Met een betere organisatie, een doelgerichter distributiesysteem en met beter spul zou hij het rendement nog aanmerkelijk kunnen verbeteren. De man zei dat de winst tot het tienvoudige zou kunnen stijgen als Herbert goedkoop ruw materiaal inkocht en dat thuis liet bewerken. Hij probeerde dat bij hem aan te kaarten, maar om de een of andere reden wilde Herbert er niets van horen. Die vond dat hij zich maar liever met zijn eigen business moest bemoeien.
De man had zich toen hoe langer hoe meer aan de samenwerking met Herbert onttrokken, hij ging voor eigen rekening drugs importeren en verhandelde die heel voorspoedig. Op een dag was hij verdwenen – het was alsof de aarde hem opgeslokt had. Het laatst was hij gezien in de Havenkroeg, waar hij pillen had verkocht. Nadat hij daar was vertrokken had niemand meer iets van hem vernomen.
Het verhaal dat circuleerde luidde ongeveer als volgt: Herbert had de man uit zijn woning gekidnapt en hem naar een afgelegen plek gebracht, waar hij hem met een honkbalknuppel had bewerkt. Pas toen de man al badend in zijn bloed op de vloer lag, had hij hem de genadeslag gegeven, op zijn hoofd. Het lijk had hij in een grote plastic zak gedaan en daarna de vloer schoongespoten. Vervolgens was hij met het lichaam de Faxaflói op gevaren, waar hij het had laten verdwijnen. Vier maanden later was er in Straumsvík een onherkenbaar lijk aangespoeld.
Hij was een keer met Birta bij Herbert thuis geweest nadat ze uit Amsterdam was teruggekomen, haar lichaam boordevol drugsbolletjes. Bij hem thuis op het toilet had ze zich van het spul ontlast, en ze had hem gevraagd mee te gaan als ze het naar Herbert ging brengen. Hij merkte dat ze bang voor hem was. Ze deed de drugs in een zwart rugzakje dat ze vaak droeg, en ze gingen naar Herberts paleis in Breiðholt. Birta had bijna uitsluitend contact met mensen uit de middengroep van Herberts organisatie, want hij vermeed tegen elke prijs zich rechtstreeks met de drugssmokkel in te laten. Nu echter was er geen tussenfiguur beschikbaar en om de een of andere reden zat Herbert om het spul te springen. Zijn vriend, tevens min of meer zijn bodyguard, een enorme spierbundel, was bij hem; hij zat chocoladebiscuits te eten, waarbij hij melk dronk, direct uit de kartonnen verpakking.
‘Wat voor apensmoelwerk is dat?’ zei Herbert.
‘Dat is mijn vriend,’ zei Birta.
‘O, en jij vindt het wel oké om zomaar met een of andere fuckhead bij mij thuis aan te komen zetten?’
‘Je had toch zo’n haast?’ zei Birta. Ze tuimelde achterover toen Herbert haar onverwacht met zijn gebalde vuist in het gezicht stompte. Eerst realiseerde hij zich niet goed wat er gebeurde. Toen wilde hij Herbert te lijf gaan, maar de kleerkast kwam tussen hen in. Er hing een zurige melklucht om hem heen.
‘Je kan maar beter weten wie ik ben, piece of shit,’ zei hij en hij wees met een logge vinger naar hem.
‘Ik wil alleen maar kwijt wat ik bij me heb en dan gaan we weer,’ zei Birta en ze wreef over haar gezicht.
Herbert kalmeerde. Birta was voor hem te belangrijk, hij kon het zich niet permitteren haar slecht te behandelen. Er waren grenzen. Hij gaf haar haar portie van de drugs; haar metgezel kreeg een dreigement te horen dat hij maar half begreep. Toen blafte hij: ‘Get out!’
Achteraf gezien was het betrekkelijk simpel geweest Herbert te overmeesteren. Op de parkeerplaats voor het zwembad Laugardalslaug had hij een auto gestolen. Je had altijd mensen die vergaten hun auto af te sluiten en onder hen ook wel een paar die hun sleutels in het contactslot lieten zitten. Hij reed direct naar Herberts huis in Breiðholt. Hij wist dat er een achterdeur was en parkeerde de auto in de straat vlak achter zijn huis. Daarna liep hij de tuin in en voelde aan de achterdeur. Die was open. Birta had hem verteld dat ze die deur altijd gebruikte als ze naar Herbert ging. Zeer behoedzaam ging hij het huis binnen, een ruimte in die waarschijnlijk bedoeld was als bijkeuken en berging, hoewel er geen wasmachine of drooglijnen te zien waren. Hij kon zich Herbert ook niet direct voorstellen terwijl die de was aan de lijn hing. Hij kwam in een gang die naar de slaapkamers leidde, zag uitsluitend lege kamers en liep vervolgens voetje voor voetje de huiskamer binnen, waar ook niemand te vinden was. Toen hoorde hij geluid vanuit de keuken en liep erop af. Het was een soort gesnuif; toen hij de keuken binnenging begreep hij waar het vandaan kwam. Daarbinnen zat Herbert met zijn rug naar hem toe iets op te snuiven van de keukentafel. Hij had de dopsleutel uit de auto meegenomen en sloop op hem af. Toen hij vlak bij hem was kon hij zien dat Herbert een wit poeder opsnoof. Op het moment dat die aan het laatste lijntje begon mikte hij en gaf hem een harde klap in zijn nek.
Herberts hoofd klapte voorover op de tafel. Hij stond achter hem, wist niet wat hij nu verder moest. En het ongelooflijke gebeurde: Herbert richtte zijn hoofd weer op en drukte zich aan de keukentafel omhoog. Hij brabbelde wat, ging toen staan en betastte zijn nek. Daarna draaide zich langzaam om en keek hem aan. Zo te zien herkende Herbert hem niet. Dat hij Birta een keer vergezeld had scheen hij zich niet te herinneren.
‘Verrek,’ zei Herbert, eerder geërgerd dan kwaad, en raakte hem met zijn gebalde vuist in het gezicht. Hij schoot achteruit in de richting van de keukendeur. De dopsleutel glipte uit zijn hand en viel kletterend op de grond. Zijn onderlip was gebarsten en bloedde.
‘Wat wou jij... Au, verdomme,’ zei Herbert, die de pijn nu blijkbaar in alle hevigheid voelde. Weer betastte hij zijn nek. Hij had een fikse wond opgelopen en zijn handpalm werd rood van het bloed. Even keek hij naar zijn hand.
‘Jesus...’ Herbert kreunde, wankelde even, maar kwam toen dreigend op hem af. Nu moest hij achteruitwijken, maar toen hij bij het fornuis stond sprong Herbert op hem toe. Op een van de kookplaten stond een steelpan met een of andere onduidelijke koude vleesdrab, en op het ogenblik dat zijn tegenstander sprong leek het wel of hij weer bij zijn positieven kwam: hij greep de pan bij de steel en sloeg Herbert uit alle macht tegen zijn slaap. De bruinige inhoud van de pan kletste tegen de kastdeur. Het eerste ogenblik was hij bang dat hij Herberts slaap had verbrijzeld: de man viel als een zak zand op de grond en bewoog zich niet meer.
Herbert was niet erg zwaar; hij zwaaide hem over zijn schouder, verliet het huis via dezelfde weg als hij was gekomen en liep vervolgens door de tuin naar de straat. Hij keek strak voor zich uit. Bij de auto gekomen legde hij de bewusteloze man in de ruime kofferbak en reed weg zonder erop te letten of iemand hem zag. Op dat moment had hij zijn aandacht bij andere dingen. Op het ogenblik dat hij door de achterdeur naar buiten glipte hoorde hij dat de bel bij de voordeur ging. Aan die kant van het huis waren een paar politiemensen in burger uit hun dutje ontwaakt.
Herbert was nog bewusteloos toen hij hem uit de kofferbak haalde en de rokerij in droeg. Hij sleepte hem het hok achter de ovens in, trok de lade onder de meest naar binnen gelegen oven uit en legde hem daarin. Hij scheen in orde te zijn en ademde regelmatig; onder zijn oogleden bewogen zijn oogballen zich, zag hij. Alvorens hem onder het rooster van de oven te leggen bond hij zijn handen en voeten. Herbert had brede schouders en paste nauwelijks in de lade. Toen hij die weer naar binnen schoof kwamen zijn borstkas en buik tegen het rooster aan. Hij zat stevig klem in de oven.
Nu zat hij op zijn hurken bij hem; hij had zijn tegenstander volkomen in zijn macht.
‘Is het wel eens tot je doorgedrongen wat voor rottigheid jij veroorzaakt?’ zei hij, door het rooster in de rookoven op Herbert neerkijkend. ‘Nooit nagedacht over wat je aan het doen bent?’
Zijn stem klonk onzeker en Herbert merkte dat. Iemand die nooit had kunnen vermoeden dat hij nog eens een man gevangen zou houden. Maar de woede dreef hem voort, woede en haat tegen degene die schuldig was aan wat er met Birta was gebeurd. Soms laaide de haat met zo’n felheid op dat hij meende gek te worden. Hij merkte dat dit hem hielp, en zo gebruikte hij zijn haat om te doen wat hij te doen had.
Herbert keek naar hem omhoog; hij wist niet wat hij moest zeggen. Zulk gezeik had hij in lange tijd niet gehoord. Hij wilde maar één ding: een kans krijgen die etter te grazen te nemen en vermoorden, maar dat zat er op dat moment niet in. Ik maak hem kapot, dacht Herbert, ik moet hier weg zien te komen en dan sla ik dat varken dood. Langzamerhand kwam hij tot zichzelf. Rothstein nam de leiding weer over.
‘Waar ben ik? Wat is dit voor een plek hier? Een graf? Wil je me soms levend begraven? En wie ben jij eigenlijk, klootzak?’
Hij kreeg geen antwoord.
‘Wat is dat voor lucht? En wat voor deuren zijn dat?’
De ander keek op hem neer.
‘Als je me nou loslaat praten we nergens meer over, understand? Dan ben ik weg en dan is dit nooit gebeurd. Nou? En wat zijn dat voor zwakzinnige vragen, man. Christ! Moet ik vanwege andere lui soms last krijgen van mijn geweten? Als ze die rotzooi willen kopen, dan doen ze dat toch? Ik verkoop trouwens prima spul.’
‘Ik was de vriend van Birta. Ik heet Janus.’
Herbert zweeg; hij had tijd nodig zich hem weer voor de geest te halen.
‘Je ligt in een rookoven,’ zei Janus. ‘Die lucht van gerookt lamsvlees zit in de muren. Je ligt in een la onder de oven. Ik heb hier vroeger gewerkt. Je kan schreeuwen wat je wilt – geen mens die het hoort. En ik zou wel eens willen weten of jij eigenlijk een geweten hebt.’
‘Ik heb Birta niet vermoord,’ zei Herbert. ‘Dat is in elk geval zeker. Daar had ik niks mee te maken.’
‘Daar had jij alles mee te maken. Denk na, man! Wat doe je de mensen aan, wat doe je kinderen aan als je ze die rottroep levert en maakt dat ze niet meer zonder kunnen? Daar denk ík nou over na. Ik kende Birta al voor ze naar de stad kwam. Ze was mijn vriendinnetje. Ik had haar in geen tijden gezien. Maar toen ik haar weer tegenkwam was ze dezelfde niet meer. Ik weet best dat ze er zelf ook schuld aan had dat het zo met haar gelopen is, en dat Reykjavík er schuld aan had, en het slag mensen bij wie ze terechtgekomen is. Maar jij, jij hebt meer dan alleen maar schuld. Jij hebt een spelletje gespeeld met haar zwakte. Je hebt haar misbruikt. Je hebt haar verslaving uitgebuit zoveel je kon. Je hebt haar dingen laten doen die ze anders nooit zou hebben gedaan, alleen maar omdat ze dan drugs van je kreeg. Je liet haar smokkelen. Je liet haar dealen. Je hebt een hoer van haar gemaakt zodat ze haar drugs kon betalen aan jou. Jij hebt haar naar die kerels gestuurd. Ze was jouw bezit, je kon met haar doen en laten wat je wou. En uiteindelijk had ze geen leven meer over. Ze had alleen jou maar. Kun jij je voorstellen dat je helemaal niks meer hebt in je leven? Alleen een stuk vergif als jij?’
‘O ja, en wat deed jij dan?’ riep Herbert, die zich begon te herinneren wie die Janus was. ‘Slappe zak! Bleef als een piece of shit aan Birta vastplakken en paste op haar centjes. Dacht je soms dat ik dat niet wist? Ze moest je niet, man. Ze moest je niet, sukkel! Crybaby!’
Herbert begon om hulp te brullen, maar het geluid werd door de muren van de oven teruggekaatst. Janus zat nog op zijn hurken. Hij bewoog zich niet en keek naar de man die in de lade tevergeefs worstelde om vrij te komen. Na een poosje werd Herbert weer stil.
‘En wat heb je gedaan toen jij de enige was die haar nog kon helpen?’ vervolgde Janus alsof er niets gebeurd was. ‘Al was ik dan altijd in haar buurt, ik had geen invloed op haar zoals jij. Ik wou dat ík in haar leven even belangrijk voor haar was geweest als jij. Ik wou dat ze voor mij had gedaan wat ze voor jou allemaal deed. Wat ik van haar vroeg was zoveel makkelijker. Maar haar afhankelijk van me maken kon ik niet, al zou ik het gewild hebben. Ik heb haar gevraagd op te houden met die drugs. Ik heb haar gevraagd in therapie te gaan. Ik heb haar gevraagd me te vertrouwen. Maar ze had meer vertrouwen in jou. En wat heb jij met haar gedaan toen je haar niet langer kon gebruiken en ze niks meer had? Toen ze alleen nog hoopte op af en toe een shot, om zich twee, drie uur lekker te voelen? Jij hebt haar naar je vrienden gestuurd, en die hebben haar gebruikt voor hun gore feestjes.’
‘Yeah yeah yeah, jank maar, zak, als je daarvan opknapt. Ik heb haar niet vermoord en dat hele fucking kutverhaal van je zal me een rotzorg zijn. Understand? Doet me geen fuck. Oké?
‘Jij bent een van de lui die haar hebben vermoord.’
‘Ik weet niet waar je het over hebt, imbeciel.’
Janus was gaan staan.
‘Jullie zijn moordenaars, jij en die vriend van je. Jullie zijn moordenaars.’
‘Yeah yeah yeah, wij zijn moordenaars. Ach jochie, als je eens wist wat voor een zakkenwasser je bent. Volkomen waardeloos ben je, weet je dat? Als ik niet vast zou zitten, zou het een leuk karweitje zijn om je met een honkbalknuppel dood te meppen. Ik zou je tussen je benen raken, net als ik gedaan heb bij Birta, die vieze hoer. Langzaam en rustig zou ik slaan, tot je helemaal kapot bent. En dan zou ik je de hersens inslaan en dansen op de bloedspetters, vuile cocksucker.’
Een lauwe vloeistof stroomde naar beneden en spetterde in de lade op Herbert neer. Herbert snakte naar adem; iets van de vloeistof kwam in zijn mond terecht, zodat hij moest hoesten. Het meeste belandde op zijn borstkas en buik. Het duurde even voor het tot hem doordrong dat het urine was. Hij brulde het uit, gek van woede. Janus nam de tijd voor zijn verrichting en stapte toen de oven uit.
‘De volgende keer is het geen pis, klootzak,’ zei hij, voor hij de grote deur opende en Herbert nat gepist in de lade liet liggen. ‘De volgende keer wordt het de vloeistof in dat blik daar.’
Herbert keek zijdelings door het rooster omhoog. Zijn ogen brandden. Hij keek naar het blik; net voor de deur dicht zou gaan slaagde hij erin te lezen wat erop stond: ‘Brandgevaarlijk’.
De deur sloot met een luide slag en smoorde Herberts geschreeuw.