Paleis Westminster, Londen, winter-voorjaar 1458
We worden samen met de overige lords in de koude dagen na Kerstmis ontboden in Londen, waar het donkerder en verdachter is dan ooit, en komen aldaar tot de ontdekking dat er helemaal geen sprake is van beschuldiging en straf, maar dat de koning de koningin buitenspel heeft gezet en juist een verzoening wil ensceneren. Hij is uit de as herrezen, gedreven door een visioen. Hij voelt zich plotseling weer goed en sterk, en brandt van verlangen om het conflict tussen de twee vooraanstaande huizen op te lossen door te eisen dat de lords van York voor hun wreedheden in St. Albans gestraft worden. Hiertoe moeten hun boetes worden opgelegd, moeten ze een kapel voor de geëerde doden bouwen en moeten ze vervolgens plechtig beloven een einde te zullen maken aan de bloedvete met de erfgenamen van hun vijanden. De koningin wil dat de graaf van Warwick beschuldigd wordt van verraad, maar de koning wil dat hij als berouwvol zondaar vergeving krijgt. Heel Londen is net een staaf dynamiet met wel tien jongens eromheen die vonken slaan, terwijl de koning doodkalm het Onzevader zegt, opgetild door zijn nieuwe idee. De wraakzuchtige erfgenamen van Somerset en Northumberland hebben waar ze ook gaan of staan hun zwaard in de aanslag, en beloven een vete die zeker tien generaties zal voortduren. De lords van York kennen geen berouw: de manschappen van de graaf van Warwick zijn fraai uitgedost in hun livrei. ‘Warwick’ is een synoniem voor vrijgevigheid en geschenken voor de Londenaren, die pochen dat ze Calais en de smalle zeeën al in handen hebben, en wie durft hen tegen te spreken? En de burgemeester heeft iedere brave burger van Londen bewapend en opdracht gegeven om te zorgen dat op straat de vrede bewaard blijft, waarmee alleen maar nóg een leger in het leven is geroepen waar iedereen bang voor moet zijn.
De koningin roept me op een schemerige wintermiddag bij zich. ‘Ik wil dat u met me mee naar buiten gaat,’ zegt ze. ‘Ik wil dat u iemand ontmoet.’
We doen allebei onze cape om en zetten onze capuchon op om ons gezicht af te schermen. ‘Wie dan?’
‘Ik wil dat u met me meegaat naar een alchemist.’
Ik blijf stokstijf staan, als een hert dat gevaar ruikt. ‘Majesteit, Eleanor Cobham heeft alchemisten geraadpleegd, en ze heeft elf jaar in de gevangenis gezeten en is op kasteel Peel gestorven.’
Ze kijkt me uitdrukkingsloos aan. ‘En?’
‘Een van de dingen die ik me in mijn leven vast heb voorgenomen is om niet als Eleanor Cobham te eindigen.’
Ik wacht. Heel even klaart ze op. Er verschijnt een glimlach op haar gezicht en ze barst in lachen uit. ‘O, Jacquetta, wilt u me nu vertellen dat u helemaal geen lelijke, oude, slechte heks bent?’
‘Majesteit, elke vrouw is ergens diep in haar hart een lelijke, oude, slechte heks. Het is mijn levenstaak om dat te verhullen. Het is de taak van elke vrouw om dat te ontkennen.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘De wereld staat vrouwen als Eleanor, vrouwen als ik, niet toe om zich te ontplooien. De wereld staat niet toe dat vrouwen nadenken en voelen. Vrouwen zoals ik. Als wij zwakker worden, of als we oud worden, valt de wereld met de kracht van een waterval op ons neer. Wij kunnen onze talenten niet aan de wereld laten zien. De wereld waarin wij leven tolereert geen dingen die niet begrepen kunnen worden, dingen die niet een-twee-drie zijn uit te leggen. In deze wereld houdt een verstandige vrouw haar talenten verborgen. Eleanor Cobham was een onderzoekende vrouw. Zij ging om met andere mensen die ook naar de waarheid zochten. Ze heeft zichzelf geschoold en heeft meesters opgezocht met wie ze samen kon studeren. Daar heeft ze een verschrikkelijk hoge prijs voor betaald. Het was een ambitieuze vrouw. Daar heeft ze ook de prijs voor betaald.’ Ik wacht even om te zien of ze het begrepen heeft, maar haar mooie ronde gezichtje staat vragend. ‘Majesteit, als u mij vraagt mijn talenten te gebruiken, brengt u mij in gevaar.’
Ze draait zich naar me om, ze weet waar ze mee bezig is. ‘Jacquetta, ik moet u dit vragen, zelfs als het voor u gevaarlijk is.’
‘Dat is wel erg veel gevraagd, Majesteit.’
‘Uw echtgenoot, de hertog van Bedford, vroeg u niet minder. Hij is met u getrouwd opdat u Engeland op die manier kon dienen.’
‘Hem moest ik gehoorzamen; hij was mijn echtgenoot. En hij kon me beschermen.’
‘Hij had gelijk dat hij u vroeg uw talenten te gebruiken om Engeland te redden. En nu vraag ik het u ook, en ik zal u ook beschermen.’
Ik schud mijn hoofd. Ik heb heel duidelijk het gevoel dat er een tijd komt waarin zij er niet meer zal zijn en ik net als Jeanne d’Arc, net als Eleanor Cobham, tegenover een rechtbank van mannen kom te staan en dat er documenten tegen mij geschreven zullen worden, bewijsmateriaal tegen mij zal worden aangevoerd en getuigen verklaringen tegen mij zullen afleggen, en dat niemand me dan zal beschermen.
‘Waarom uitgerekend nu?’
‘Omdat ik denk dat de koning betoverd is, en dat hij dat al jaren is. De hertog van York, of hertogin Cecily, of de Franse koning of wie dan ook – hoe moet ik weten wie het is? – maar in elk geval íémand heeft een vloek over hem uitgesproken waardoor hij net een slapende baby wordt of een argeloos kind. Ik moet zorgen dat hij nooit meer van ons wegglijdt. Alleen alchemie of magie kan hem beschermen.’
‘Maar hij is nu toch wakker?’
‘Hij is nu net een wakker kind. Hij droomt over harmonie en vrede, en straks valt hij weer in slaap en glimlacht hij om zijn mooie droom.’
Ik zwijg even. Ik weet dat ze gelijk heeft. De koning is naar een andere wereld gegleden, terwijl we hem nu in deze wereld nodig hebben. ‘Ik ga met u mee. Maar als ik de indruk krijg dat uw alchemist een charlatan is, wil ik niets met hem te maken hebben.’
‘Dat is ook precies de reden waarom ik wil dat u met me meegaat,’ zegt ze. ‘Om te horen wat u van hem vindt. Maar kom nu.’
We gaan te voet, door de donkere straten van Westminster, hand in hand. We hebben geen hofdames bij ons, zelfs geen wacht. Heel even sluit ik vol afgrijzen mijn ogen bij de gedachte aan wat Richard, mijn echtgenoot, zou zeggen als hij wist wat voor risico ik neem, en nog wel in gezelschap van de koningin in eigen persoon. Maar zij weet waar ze naartoe gaat. Met vaste tred over de rommel die op straat ligt, hooghartig tegen de straatvegers, met een jonge jongen met een brandende fakkel voor ons uit, gaat ze ons voor door de smalle straatjes en slaat ze een steeg in. Aan het eind bevindt zich in de muur een grote deur.
Ik pak de ijzeren ring vast die ernaast hangt en trek eraan. Een luid klokkenspel geeft ons antwoord, en ergens achterin klinkt het geluid van blaffende honden. De portier doet het tralieluikje open. ‘Wie is daar?’ vraagt hij.
Margaretha treedt naar voren. ‘Zeg maar tegen uw meester dat de vrouw uit Anjou gekomen is,’ zegt ze.
Onmiddellijk zwaait de deur open. Ze wenkt me, en we gaan samen naar binnen. We lopen een bos in, geen tuin. Het is net een aanplant van naaldbomen binnen de hoge muren, hartje Londen, een geheim bosgebied, alsof een Londense tuin betoverd is en mag verwilderen. Ik kijk even naar Margaretha, en zij glimlacht me toe alsof ze wel weet hoe dit oord op mij zal overkomen: als een verscholen wereld in de echte wereld; misschien is het zelfs de doorgang naar een andere wereld die in deze wereld gelegen is.
We lopen een kronkelend pad af, dat ons door de groene schaduw van hoge bomen voert en dat daarna bij een huisje uitkomt, dat nietig oogt door de donkere bomen eromheen, met schoorstenen die door het gebladerte steken en de naalden van de dennenbomen schroeien. Ik snuif de lucht op; het ruikt er naar een smeltoven, ijle rook van hete kolen, en de bekende, nimmer vergeten geur van zwavel. ‘Hier woont hij,’ zeg ik.
Ze knikt. ‘U zult hem zo ontmoeten. Dan kunt u zelf oordelen.’
We wachten naast een stenen bankje voor het huis en dan zwaait er een deurtje open en komt de alchemist naar buiten, met een donkere mantel om, terwijl hij zijn handen aan zijn mouwen afveegt. Hij buigt voor de koningin en kijkt mij met doordringende blik aan.
‘Bent u lid van het huis van Melusina?’ vraagt hij.
‘Ik heet nu lady Rivers,’ zeg ik.
‘Ik wil u al heel lang ontmoeten. Ik heb meester Forte nog gekend, die voor uw echtgenoot de hertog werkte. Hij heeft mij verteld dat u voorspellende gaven hebt.’
‘Ik heb nooit iets gezien waar ik zelf echt iets van begreep,’ zeg ik.
Hij knikt. ‘Bent u bereid voor mij in de toekomst te kijken?’
Ik aarzel. ‘En als ik nu eens iets zie wat tegen de wet is?’
Hij kijkt naar de koningin.
‘Ik zeg dat het is toegestaan,’ bepaalt ze. ‘Wat u maar ziet.’
Zijn glimlach is zachtmoedig. ‘Alleen u en ik zien de spiegel, en ik zal het geheimhouden. Het wordt net een biecht. Ik ben een gewijd priester; ik ben de eerwaarde Jefferies. Niemand zal te weten komen wat u ziet, alleen u en ik. Ik vertel Hare Majesteit alleen de interpretatie.’
‘Is het de bedoeling dat we de betovering vinden die de koning zal genezen? Is het bedoeld voor zijn welzijn?’
‘Dat is wel mijn bedoeling, ja. Ik ben al wat water voor hem aan het klaarmaken, en ik denk dat uw aanwezigheid op het moment van destilleren een groot verschil zal maken. Hij maakt het nu goed. Hij kan nu wakker blijven, maar ik denk dat hij vanbinnen ergens een heel diepe wond heeft. Hij heeft zich nooit van zijn moeder losgemaakt; hij is nooit echt een man geworden. Hij moet een verandering ondergaan. Hij moet van een kind in een man veranderen; dat is de alchemie van de mens.’ Hij kijkt me aan. ‘U hebt aan zijn hof geleefd, u hebt hem al die jaren meegemaakt. Denkt u dit ook?’
Ik knik. ‘Hij is van de maan,’ zeg ik met tegenzin. ‘En van de kou en het vocht. Lord Bedford zei vroeger altijd dat hij vuur nodig had.’ Ik knik naar Margaretha. ‘Hij dacht dat Hare Majesteit hem wel vuur en kracht zou geven.’
Het gezicht van de koningin betrekt, alsof ze in tranen kan uitbarsten. ‘Nee,’ zegt ze bedroefd. ‘Hij heeft mij bijna gedoofd. Hij is te veel voor me. Ik ben verkild, van mijn geestkracht is bijna niets over. Ik heb niemand meer die me kan verwarmen.’
‘Als de koning koud en nat is, zal het koninkrijk in een zee van tranen wegzinken,’ zegt de alchemist.
‘Doe het alstublieft, Jacquetta,’ fluistert de koningin. ‘We zweren alle drie plechtig dat we er niemand over vertellen.’
Ik zucht. ‘Goed dan.’
Eerwaarde Jefferies buigt voor de koningin. ‘Als u dan hier wilt wachten, Majesteit?’
Ze kijkt even naar de halfopen deur van zijn huis. Ik weet dat ze graag binnen wil kijken. Maar ze onderwerpt zich aan zijn regels. ‘Goed dan.’ Ze slaat haar mantel om zich heen en gaat op het stenen bankje zitten.
Hij gebaart mij naar binnen te gaan en ik stap over de drempel. De kamer rechts heeft een grote haard in het midden met een houtskoolvuur waar een dikbuikige pot boven hangt. In de pot, in warm water, ligt een groot vat met een zilveren buis die door een koud bad loopt; aan het eind van de buis druppelt gestaag het elixir dat van de stoom is gemaakt. Het is snikheet in de kamer, en de man gaat me voor naar het vertrek links, waar een tafel staat met een groot boek erop en daarachter de waarzegspiegel. Het is allemaal heel bekend voor me, van de zoete geur van het elixir tot de geur van de smeltoven buiten. Ik blijf even staan en ben weer terug in het Hôtel de Bourbon in Parijs, een maagd, maar toch een bruid, de nieuwe echtgenote van de hertog van Bedford.
‘Ziet u iets?’ vraagt hij gretig.
‘Alleen het verleden.’
Hij zet een stoel voor me neer en schuift het gordijn voor de spiegel weg. Ik zie mijzelf erin weerspiegeld, veel ouder dan het meisje dat opdracht kreeg om in Parijs in de spiegel te kijken.
‘Ik heb wat zout voor u, om op te snuiven,’ zegt hij. ‘Ik denk dat u dan beter ziet.’
Hij neemt een zakje uit de la van de tafel en trekt het koordje open. ‘Hier,’ zegt hij.
Ik neem het zakje in mijn hand; er zit wit poeder in. Ik houd het dicht bij mijn gezicht en adem het voorzichtig in. Heel even lijkt het alsof mijn hoofd zwemt, en dan kijk ik op en daar is de spiegel, maar ik zie mijn eigen spiegelbeeld niet. Mijn beeltenis is verdwenen en daarvoor in de plaats zie ik een werveling van sneeuw, en witte vlokken die als de bloemblaadjes van witte rozen neerdwarrelen. Het is de veldslag die ik al eerder gezien heb, met mannen die zich een heuvel op vechten, een heen en weer zwaaiende brug die instort, waardoor de mannen in het water vallen, de sneeuw op de grond die rood wordt van het bloed, en steeds weer de rondtollende bloemblaadjes van de witte sneeuw. Ik zie het leigrijs van een weidse, weidse lucht; het is het noorden van Engeland, bitterkoud, en uit de sneeuw komt een jongeman, als een leeuw.
‘Kijk nog eens.’ Ik hoor zijn stem wel, maar zie hem niet. ‘Wat gaat er met de koning gebeuren? Waardoor is zijn wond te genezen?’
Ik zie een kleine kamer, een donkere kamer, een verborgen kamer. Het is er warm en bedompt, en van de warme, stille duisternis gaat een verschrikkelijke dreiging uit. Er is maar één smalle spleet in de dikke stenen muren, die als raam dienstdoet. Het enige licht komt van dat raam; die ene smalle straal is het enige licht in de donkere kamer. Ik kijk ernaar, aangetrokken door het enige teken van leven in al dat zwart. Dan wordt de straal geblokkeerd, alsof er een man voor staat, en is het alleen nog maar donker.
Ik hoor de alchemist achter me zuchten alsof ik hem mijn visioen heb ingefluisterd en hij alles heeft gezien. ‘God zegene hem,’ zegt hij zacht. ‘God zegene en behoede hem.’ Dan, op wat duidelijkere toon: ‘Verder niks?’
Ik zie het bedeltje dat ik in het diepe water van de Theems heb gegooid, met de linten eraan – voor elk seizoen een ander lint. Het bedeltje in de vorm van een kroon dat werd weggespoeld, waaruit ik opmaakte dat de koning nooit meer tot ons terug zou keren. Ik zie het diep in het water aan een draad bungelen, en dan zie ik dat het naar de oppervlakte wordt getrokken, omhoog, steeds verder omhoog, en dan breekt het door het wateroppervlak, als een vis die uit een zomerbeek opspringt. Mijn dochter Elizabeth is degene die het met een glimlach uit het water trekt. Ze lacht blij en schuift het als een ring om haar vinger.
‘Elizabeth?’ zeg ik niet-begrijpend. ‘Mijn dochter?’
Hij doet een stap naar voren en geeft me een glas licht bier. ‘Wie is Elizabeth?’ vraagt hij.
‘Mijn dochter. Ik weet niet waarom ik aan haar dacht.’
‘Heeft zij een ring in de vorm van een kroon?’
‘In mijn visioen had ze de ring die de koning symboliseert. Ze heeft hem aan haar eigen vinger geschoven.’
Hij glimlacht vriendelijk. ‘Dat zijn mysteriën.’
‘Aan het visioen was niets mysterieus: zij had de ring die staat voor de kroon van Engeland en ze glimlachte en schoof hem aan haar vinger.’
Hij laat het gordijn weer voor de spiegel vallen. ‘Weet u wat dat betekent?’ vraagt hij.
‘Mijn dochter zal dicht in de buurt van de kroon komen,’ zeg ik. De voorspelling brengt me in verwarring. ‘Maar hoe kan dat? Ze is getrouwd met sir John Grey, ze hebben een zoon en ze is in verwachting van de volgende. Hoe kan zij dan de kroon van Engeland om haar vinger schuiven?’
‘Het is mij niet duidelijk,’ zegt hij. ‘Ik zal erover nadenken, en misschien vraag ik u nog een keer te komen.’
‘Hoe kan Elizabeth een ring in de vorm van een kroon om haar vinger hebben?’
‘Soms zijn onze visioenen duister. We weten niet wat we zien. Dit visioen was heel onduidelijk. Het is een mysterie. Ik zal erover bidden.’
Ik knik. Als een man een mysterie wil, kun je hem maar beter ook in die waan laten. Niemand zit op een slimme vrouw te wachten.
‘Wilt u even meekomen en deze vloeistof in een vorm gieten?’ vraagt hij.
Ik loop achter hem de eerste kamer in, en hij pakt een flacon van de muur, schudt die voorzichtig en geeft hem dan aan mij. ‘Hou maar vast.’ Ik neem de fles in mijn handen en voel meteen dat die warm wordt onder de hitte van mijn vingers.
‘Giet nu maar uit,’ zegt hij, en hij wijst naar de vormen die op zijn tafel staan.
Ik vul elke vorm heel voorzichtig met de zilverachtige vloeistof en geef hem de flacon dan weer terug.
‘Sommige bereidingen vragen om een vrouwenhand,’ zegt hij zacht. ‘De belangrijkste alchemie is gedaan door een echtpaar, dat samenwerkte.’ Hij wijst naar de kom warm water die boven het houtskoolvuur hangt. ‘Deze methode is uitgevonden door een vrouw en is naar haar vernoemd.’
‘Ik ben er niet in thuis,’ zeg ik, en daarmee ontken ik mijn eigen kwaliteiten. ‘En als ik visioenen heb, worden die mij door God gezonden en weet ik niet wat ze betekenen.’
Hij pakt mijn hand, steekt die onder zijn arm en loopt met me mee naar de deur. ‘Ik begrijp het. Ik zal u alleen laten komen als het mij niet lukt om het werk voor de koningin zonder u tot stand te brengen. En u hebt groot gelijk dat u uw licht verborgen houdt. Kundige vrouwen worden door deze wereld niet begrepen; deze wereld is bang voor het ambacht. We moeten ons werk allemaal in het geheim doen, zelfs nu, nu het koninkrijk onze leiding hard nodig heeft.’
‘De koning wordt niet beter,’ zeg ik plotseling, alsof de waarheid uit me geperst wordt.
‘Nee,’ beaamt hij bedroefd. ‘We moeten doen wat we kunnen.’
‘En het visioen dat ik van hem in de Tower had…’
‘Ja?’
‘Ik heb hem gezien, en toen ging er iemand voor het raam staan en werd het helemaal donker…’
‘Denkt u dat hij in de Tower zal sterven?’
‘Niet alleen hij.’ Ik krijg plotseling een heel dringend gevoel. ‘Ik heb het gevoel – vraag me niet waarom – alsof een van mijn kinderen daar ook was. Een zoon van me, misschien wel twee van mijn zonen. Ik zie het, maar ik ben er niet bij, ik kan het niet voorkomen. Ik kan de koning niet redden en ik kan hen ook niet redden. Ze gaan de Tower in en komen er niet meer uit.’
Hij pakt voorzichtig mijn hand. ‘We kunnen onze eigen lotsbestemming maken,’ zegt hij. ‘U kunt uw kinderen beschermen, misschien kunnen we de koning helpen. Ga met uw visioenen naar de kerk en bid, en ik zal ook hopen dat ik inzichten krijg. Gaat u de koningin vertellen wat u gezien hebt?’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Voor een jonge vrouw heeft zij al genoeg verdriet. En bovendien weet ik het niet zeker.’
‘Wat hebt u gezien?’ vraagt Margaretha als we door de drukke donkere straten, anoniem in onze mantels, naar huis lopen. We lopen arm in arm voor het geval er tegen ons aan gestoten wordt, en Margaretha’s lichte haar wordt bedekt door haar capuchon. ‘Hij wilde me niets vertellen.’
‘Ik heb drie visioenen gehad, maar geen van alle erg nuttig,’ zeg ik.
‘Wat dan?’
‘Eén van een veldslag, in de sneeuw op een heuvel, en van een brug die bezweek, zodat de soldaten in het water vielen.’
‘Denkt u dan dat er een veldslag zal komen?’ vraagt ze.
‘Denkt u dan van niet?’ zeg ik droogjes.
Ze knikt om mijn nuchtere beoordeling. ‘Ik wil ook dat er een veldslag komt,’ verklaart ze. ‘Ik ben er niet bang voor. Ik ben nergens bang voor. En het andere visioen?’
‘Dat was van een kleine kamer in de Tower, waar het licht uitging.’
Ze aarzelt even. ‘Er zijn veel kleine kamers in de Tower, en voor veel jongemannen wordt het licht geblokkeerd.’
Ik voel een koude vinger in mijn nek. Ik vraag me af of ooit een van mijn kinderen in de Tower komt te zitten en op een vroege ochtend het licht geblokkeerd ziet worden als er een grote man langs het smalle raam loopt. ‘Meer heb ik niet gezien,’ zeg ik.
‘En uw laatste visioen? U zei toch dat het er drie waren?’
‘Een ring in de vorm van een kroon, die de kroon van Engeland symboliseert. De ring lag diep in het water en werd eruit getrokken.’
‘Door wie?’ vraagt ze. ‘Door mij?’
Ik lieg zelden tegen Margaretha van Anjou. Ik hou van haar en bovendien heb ik plechtig beloofd haar en haar huis te volgen. Maar ik weiger tegenover haar te zeggen dat mijn mooie dochter de jonge vrouw is die de ring van Engeland in haar hand houdt.
‘Een zwaan,’ zeg ik zomaar. ‘Een zwaan heeft de ring van de kroon van Engeland in zijn snavel genomen.’
‘Een zwaan?’ vraagt ze fluisterzacht. ‘Weet u het zeker?’ Ze blijft midden op straat staan en een voerman roept dat we opzij moeten.
‘Inderdaad.’
‘Wat zou dat te betekenen kunnen hebben? Hebt u gezien wat het betekent?’
Ik schud mijn hoofd. Ik had de zwaan alleen maar verzonnen omdat ik de naam van mijn dochter niet in dit visioen wilde vermelden. Nu merk ik dat de leugen, zoals zo vaak, om een andere leugen vraagt.
‘Een zwaan is het symbool van de erfgenaam van het huis van Lancaster,’ helpt ze me herinneren. ‘Uw visioen betekent dat mijn zoon Edward op de troon zal komen.’
‘Bij visioenen weet je het nooit zeker…’
Ze glimlacht stralend. ‘Begrijpt u het dan niet? Dit is dé oplossing voor ons. De koning kan plaatsmaken voor zijn zoon,’ zegt ze. ‘Dit is de weg die ik moet gaan. De zwaan is mijn zoon. Ik breng prins Edward op de troon van Engeland.’
Hoewel hij een van de meest controversiële en gevaarlijke bijeenkomsten heeft georganiseerd die het parlement ooit heeft moeten meemaken, hoewel hij drie magnaten heeft ontboden die allemaal hun eigen leger hebben meegenomen, is de koning blijmoedig tevreden met zichzelf en de wereld. Hij heeft er alle vertrouwen in dat deze belangrijke zaken het best in liefdevolle genegenheid zonder hem beklonken kunnen worden. Hij is van plan om pas te komen als alle besluiten genomen zijn, om er dan zijn zegen aan te geven. Hij vertrekt uit Londen om voor vrede te bidden, terwijl het parlement bakkeleit en de prijs van de overeenkomst berekent, elkaar bedreigt, hetgeen bijna op een handgemeen uitloopt, en dan toch eindelijk een akkoord sluit.
Margaretha wordt woest als ze ziet dat haar echtgenoot zijn werk verzaakt en de leiding over zijn lords opgeeft, en de koning wordt die alleen met de hemel over de veiligheid van zijn land in beraad wil, maar het ondertussen aan anderen overlaat om er daadwerkelijk voor te zorgen dat die veiligheid er komt. ‘Hoe kan hij ze nu naar Londen laten komen en ons vervolgens gewoon in de steek laten?’ vraagt ze mij. ‘Hoe kan hij nu zo dom zijn om maar een halve vrede te sluiten?’
Het is inderdaad maar een halve vrede. Iedereen is het erover eens dat de lords van York moeten betalen voor het feit dat ze het vaandel van de koning in eigen persoon hebben aangevallen, en ze beloven de erfgenamen van Lancaster grote boetes te betalen ter compensatie voor de dood van hun vaders. Maar ze betalen met kerfstokken die hun door de schatkist van de koning gegeven zijn – waardeloze beloften op koninklijke rijkdom die de koning nooit zal inwilligen, maar die Lancaster nooit kan weigeren, want daarmee zouden ze toegeven dat het koninkrijk geen cent bezit. Het is een geniale grap en een verschrikkelijke belediging aan het adres van de koning. Ze beloven bij St. Albans een kapel te bouwen waar missen kunnen worden gehouden voor de zielen van de gesneuvelden, en ze beloven allemaal plechtig dat ze in de toekomst de vrede zullen bewaren. Alleen de koning denkt dat een bloedvete die het in zich heeft om generaties voort te blijven bestaan op die manier met zoete woordjes, een bos stokken en een belofte een halt kan worden toegeroepen. De rest vindt dat er leugens boven op de doden worden gestapeld, en eerloosheid boven op moord.
Dan keert de koning na zijn retraite terug naar Londen en roept een liefdesdag uit – een dag waarop we allemaal hand in hand moeten lopen en iedereen alles vergeven wordt. ‘De leeuw zal bij het lam gaan liggen,’ zegt hij tegen mij. ‘Begrijpt u?’
Ik begrijp het. Ik zie een stad die verscheurd wordt door interne twisten en die bereid is om oorlog te voeren. Ik zie dat de zoon van Edmund Beaufort, die zijn vader in St. Albans verloren heeft, de opdracht krijgt om hand in hand te lopen met de graaf van Salisbury, en ze gaan op een armlengte afstand van elkaar staan, terwijl ze elkaar alleen met de vingers aanraken, alsof ze het natte bloed op hun vingertoppen kunnen voelen. Achter hen loopt de moordenaar van zijn vader, de graaf van Warwick, en hij loopt hand in hand met de hertog van Exeter, die in het geheim gezworen heeft dat er helemaal geen vergeving komt. Daarna de koning, die er goed uitziet en straalt van geluk over deze stoet, waarmee hij het volk denkt te laten zien dat de lords onder zijn bewind wederom verenigd zijn. Achter hem loopt de koningin.
Ze had alleen moeten lopen. Zodra ik haar zag, wist ik dat ze alleen had moeten lopen, als een koningin. In plaats daarvan heeft de koning haar hand in hand laten gaan met de hertog van York. Hij denkt dat hij daarmee laat zien dat ze bevriend zijn. Maar dat is niet zo. Daarmee laat hij de hele wereld alleen maar zien dat ze ooit vijanden waren en dat ze weer vijanden kunnen worden. Het zegt niets over goede wil en vergevingsgezindheid, maar toont Margaretha als een speler in dit dodelijke spel, en dus niet als een koningin die boven de geschillen staat, maar als een strijdlustige koningin, met York als haar vijand. Van alle zotheden op deze dag waarop we allemaal hand in hand moesten lopen – onder wie ook Richard en ik – is dit wel de ergste.