Plymouth, najaar 1450-1451
We wonen een jaar lang afwisselend in Grafton, Londen en Plymouth. Een jaar lang leveren we strijd met de ingezetenen van Plymouth, die we proberen over te halen om een invasievloot te huisvesten en uit te rusten. Een jaar lang, terwijl mijn echtgenoot een vloot samenstelt uit schepen in privébezit van kooplieden, handelaren en van de paar vooraanstaande lords die er hun eigen schepen op na houden. Zo halverwege de winter, als we eigenlijk al maanden geleden hadden moeten vertrekken, heeft hij meer dan tachtig boten verzameld, die aan de kaden van Plymouth, Dartmouth en Kingsbridge liggen aangemeerd, en meer dan drieduizend man die in herbergen en kamers, cottages en boerenhoeven in heel Devon en Cornwall zijn ondergebracht – wachtend.
Dat doen we allemaal – van het najaar, de winter door tot het voorjaar: wachten. Eerst wachten we op de mannen wier lords ons beloofd hebben dat ze naar Plymouth zullen trekken, klaar om scheep te gaan. Richard vertrekt om ze tegemoet te gaan en de stad binnen te brengen, onderdak voor hen te zoeken, eten voor ze te regelen, hun soldij te beloven. Dan wachten op de schepen die gevorderd zijn en hierheen moeten komen; Richard rijdt het hele westen van Engeland door, koopt kleine zeilboten op in hun thuishaven, eist dat de grotere kooplieden hun bijdrage leveren. Dan wachten we tot de voorraden arriveren. Richard rijdt naar Somerset, zelfs helemaal tot in Dorset, om graan te halen, en dan wachten we tot de lords die met de invasie mee zullen gaan de vrolijke kersttijd hebben doorgebracht en naar Plymouth komen. Daarna wachten we op het bevel van de koning om eindelijk dan toch te vertrekken, en vervolgens wachten we tot de voorjaarsstormen zijn gaan liggen, en altijd, altijd, altijd wachten we op het schip dat het geld uit Londen komt brengen, zodat we de kooplieden in de haven, de scheepseigenaren, de matrozen, de manschappen zelf kunnen betalen. We wachten maar en wachten maar, en het geld komt nooit op het moment dat het had moeten komen.
Soms komt het te laat en dan moeten Richard en ik iemand naar Grafton en naar onze vrienden aan het hof sturen om ons geld te lenen, zodat we in elk geval het leger te eten kunnen geven voordat ze naar de boerderijen in de omtrek van de haven uitrukken en eten voor zichzelf gaan stelen. Soms komt het wel op tijd, maar dan in zulke kleine hoeveelheden dat we er alleen de lopende schulden mee kunnen betalen en we de mannen slechts een kwart van hun loon kunnen geven. Soms komt het in de vorm van kerfstokken, waarmee we naar de douanekantoren van de koning gaan, en die zeggen dan vol spijt: ‘Ja, het is goed, heer; ik erken uw recht op betaling. Maar ik heb geen geld. Komt u volgende maand maar terug.’ Soms wordt het geld wel toegezegd, maar komt het niet. Ik zie hoe Richard, die langs alle stadjes van Devon rijdt, de lokale landjonkers die woedend zijn omdat er een hongerige horde bij hen is ingekwartierd, probeert te sussen. Ik zie hoe hij plunderende bendes achternazit die eigenlijk tot zijn leger zouden moeten behoren, maar die nu struikrovers worden. Ik zie hoe Richard de scheepsmeester smeekt te zorgen dat hun schepen paraat zijn om uit te kunnen varen, voor het geval we de volgende dag, of de dag daarna, of de dag daar weer na het bevel voor de invasie krijgen. En ik kijk naar Richard als hij het nieuws uit Frankrijk krijgt dat de Franse koning tegen Bergerac en Bazas is uitgerukt en ze heeft ingenomen. In het voorjaar komt ons ter ore dat hij oprukt naar de Engelse gebieden aan weerszijden van de Gironde, dat hij Fronsac aan de Dordogne belegert, dat de inwoners van de stad achter de machtige muren wachten en zeggen dat ze het nooit zullen opgeven, omdat ze zeker weten dat ons leger in aantocht is om hen te verlossen. Als we horen dat Fronsac zich heeft overgegeven, bevindt ons leger zich echter nog op de kade, waar de schepen op en neer liggen te dobberen. De Engelse kolonisten vragen om hulp, beloven plechtig dat ze zullen vechten, dat ze verzet zullen bieden, dat ze Engelsen zijn en zichzelf als geboren en getogen Engelsen beschouwen, dat ze hun leven op het spel zetten voor hun geloof in ons. Ze houden bij hoog en bij laag vol dat hun landgenoten hun te hulp zullen schieten. Ik zie hoe Richard zijn leger bij elkaar probeert te houden, zijn vloot bij elkaar probeert te houden, de ene na de andere boodschap naar Londen stuurt en het hof smeekt om hem opdracht te geven om uit te varen. Maar de koning zwijgt in alle talen.
Richard begint al te zeggen dat hij, als hij opdracht krijgt om uit te varen, mij achterlaat, dat hij me niet mee naar Bordeaux durft te nemen als die stad belegerd dreigt te worden. Ik loop over de verdedigingsmuur van de haven en kijk in zuidelijke richting naar de gebieden van Frankrijk die mijn eerste echtgenoot vroeger onder zijn hoede had, en ik wilde dat we allebei veilig thuis in Grafton waren. Ik schrijf de koningin persoonlijk een brief en vertel haar dat we paraat zijn om Gascogne te gaan redden, maar dat we niets kunnen zonder geld om de soldaten te betalen; dat die, terwijl ze op de boerderijen en in de dorpen lanterfanten, klagen over hoe ze worden behandeld door ons, hun meesters en lords, en dat de hardwerkende mannen en vrouwen van Devon zien hoe slecht de soldaten en matrozen behandeld worden en zeggen dat een mens in dit koninkrijk niet wordt beloond als hij zijn plicht doet. Er wordt gemompeld dat de mannen uit Kent gelijk hadden, dat deze koning zijn eigen grondgebied niet weet te behouden, hier niet en in het buitenland niet, dat hij slecht van advies wordt gediend. Er wordt gefluisterd dat Jack Cade heeft verzocht of Richard, de hertog van York, tot de raad van de koning toegelaten kon worden en dat Jack Cade gelijk had en voor zijn overtuiging is gestorven. Er wordt zelfs beweerd – hoewel ik haar dat niet vertel – dat zij een Française is die het geld over de balk gooit dat naar het leger zou moeten gaan, zodat haar eigen land Gascogne kan veroveren en Engeland uiteindelijk helemaal niets in Frankrijk overhoudt. Ik smeek haar tegen haar echtgenoot te zeggen dat hij het bevel moet uitvaardigen dat zijn vloot kan vertrekken.
Maar de koning zwijgt in alle talen.
In juli horen we dat Bordeaux in handen van de Fransen is gevallen. In september komen de eerste vluchtelingen uit Bayonne in een gehavend schip aan, en zeggen dat het hele hertogdom Gascogne door de Fransen is ingenomen, terwijl de expeditie die hen had moeten redden, onder aanvoering van mijn onfortuinlijke echtgenoot, in de haven van Plymouth lag, de voorraden opat en op nadere orders wachtte.
We wonen al het hele jaar in een klein huisje met uitzicht op de haven. Richard gebruikt de kamer op de eerste verdieping als zijn hoofdkwartier. Ik loop de smalle trap op en zie hem bij het kleine raam zitten, waar hij naar buiten kijkt naar de blauwe zee, waar de wind nu stevig naar de kust van Frankrijk waait – uitstekend weer om uit te varen, maar zijn hele vloot ligt aan de kade aangemeerd.
‘Het is voorbij,’ zegt hij onomwonden als ik stilletjes naast hem kom staan. Ik leg mijn hand op zijn schouder. Ik weet niet wat ik moet zeggen om hem te troosten in dit ogenblik van schaamte en mislukking. ‘Het is allemaal voorbij, en ik heb niets gedaan. Ik ben een seneschal van niets. Jij bent eerst de echtgenote geweest van John, hertog van Bedford, een machtige lord, de regent van heel Frankrijk, en daarna van een seneschal van niets.’
‘Je hebt precies gedaan waar je de opdracht toe hebt gekregen,’ zeg ik zacht. ‘Je hebt de vloot en het leger bijeengehouden, en je was klaar om uit te varen. Als ze het geld en het bevel hadden gestuurd, was je gegaan. Als ze alleen het bevel hadden gestuurd, was je ook gegaan, zonder geld om ze te betalen. Dat weet ik. Dat weet iedereen. Je zou onbezoldigd gevochten hebben, en de manschappen zouden je zijn gevolgd. Ik twijfel er geen moment aan dat je Gascogne zou hebben gered. Je moest wachten op nadere orders, meer niet. Jij kon er niets aan doen.’
‘O,’ lacht hij verbitterd. ‘Maar die orders heb ik nu wel gekregen.’
Ik wacht, en de moed zinkt me in de schoenen.
‘Ik moet met een troepenmacht Calais gaan verdedigen.’
‘Calais?’ stamel ik. ‘Maar de koning van Frankrijk is toch in Bordeaux?’
‘Ze denken dat de hertog van Bourgondië een aanval op Calais aan het voorbereiden is.’
‘Mijn familie.’
‘Ik weet het. Het spijt me, Jacquetta.’
‘Wie gaan er met je mee?’
‘De koning heeft Edmund Beaufort, hertog van Somerset, als bevelhebber van Calais aangesteld. Ik moet naar hem toe om hem te steunen, zodra ik de schepen, de matrozen en het leger hier heb weggestuurd.’
‘Edmund Beaufort, hertog van Somerset?’ zeg ik hem vol ongeloof na. Dat is de man door wie wij Normandië zijn kwijtgeraakt. Onbegrijpelijk dat ze hem Calais toevertrouwen, of het moet zijn omdat de koning rotsvast in zijn familielid gelooft en de koningin een misplaatste genegenheid voor hem heeft opgevat.
‘Ik hoop van harte dat hij geleerd heeft om zich door een nederlaag heen te vechten,’ zegt mijn echtgenoot bars.
Ik leg mijn wang tegen zijn arm. ‘Dan kun je in elk geval Calais voor de Engelsen redden,’ zeg ik. ‘Als je het kasteel en de stad weet te behouden ben je hun held.’
‘Ik sta onder bevel van de man die Normandië weggegeven heeft,’ zegt hij somber. ‘Ik sta in dienst van een man die Richard, hertog van York, een verrader heeft genoemd. Als ze ons daar ook geen manschappen en geld sturen, denk ik niet dat we Calais kunnen behouden.’