Londen, zomer 1445-1448
Margaretha heeft in zoverre geluk dat ze jong en mooi is en dat de Londenaren haar meteen graag mogen en haar kroning toejuichen. Ze heeft geluk dat ze iedereen voor zich inneemt – ik ben niet de enige die van haar gaat houden en die zich om haar veiligheid bekommert. Rondom haar kleine hofhouding verzamelt ze een groep mensen die haar aanbidden. Mij houdt ze altijd dicht bij zich in de buurt, als haar beste vriendin en confidante. Ze houdt ook van Alice, de echtgenote van William de la Pole, en de eerste jaren van haar huwelijk zijn wij drieën onafscheidelijk, behalve als ik naar Grafton ga om het kraambed te houden voor weer een baby, John, en voor een baby die te vroeg geboren wordt, heel klein is en mij daardoor heel dierbaar: Richard.
Maar ze begaat een paar vergissingen, en heel ernstige bovendien. Haar voorkeur voor William de la Pole brengt haar ertoe om te eisen dat hij tijdens de raadsvergaderingen van de koning wordt geconsulteerd, en door haar begunstiging wordt hij – die toch al een voornaam man is – nog veel belangrijker. Ze nemen het met z’n tweeën op tegen de oom van de koning, hertog Humphrey van Gloucester, en ze stoken de argwaan jegens hem zo hoog op dat hij ervan wordt beschuldigd dat hij de troon voor zichzelf wil bemachtigen en dat hij dus verraad pleegt tegen zijn bloedeigen neef. Dit is een te grote schok voor de hertog en hij sterft nog voordat ze hem kunnen berechten. Er steekt ogenblikkelijk een storm van geruchten op, waarin wordt beweerd dat de brave hertog vermoord is, en de mensen wijzen met een beschuldigende vinger naar William de la Pole. Na het verlies van deze oom – zijn laatste oom – leunt de koning nog meer op zijn andere raadsheren en vraagt hij ook zijn jonge echtgenote om haar mening. Daar doet hij heel onverstandig aan. Ze is nog maar een jong meisje en weet niets van Engeland – in werkelijkheid weet ze helemaal nergens iets van.
De andere gunsteling van de koning is Edmund Beaufort, de hertog van Somerset, en Margaretha is zeer onder de indruk van de zwierige, straatarme hertog die haar zijn nicht noemt en die haar ter begroeting op de mond kust. Hij is de knapste man van het hele hof, altijd prachtig gekleed in fluweel bezaaid met edelstenen, altijd op een groot zwart paard, hoewel wordt beweerd dat hij geen cent bezit en van zijn knappe donkere hoofd tot aan zijn zolen van het beste leer aan de geldschieters van Londen en Antwerpen verpand is. Hij neemt kleine cadeautjes voor de koningin mee, dingetjes van de markt, en die vindt ze enig. Dan speldt hij een kleine broche op de zoom van haar jurk, of geeft haar een stukje gekonfijte schil, dat hij haar in de mond stopt alsof ze een kind is. Hij spreekt vertrouwelijk in rad Frans met haar, en steekt een bloem achter haar oor. Hij plaagt haar alsof ze een knap jong meisje is en geen koningin, hij neemt muzikanten en dansers mee. Het is altijd vrolijk aan het hof als Edmund Beaufort er is, en de koning en koningin geven hem te verstaan dat hij niet meer van het hof weg mag.
Misschien was het beter geweest als ze dat niet hadden gedaan. Maar de knappe jonge hertog is ambitieus en hij vraagt – en krijgt ook – het bevel over de Engelse troepenmacht in Normandië, alsof het speelgoedsoldaatjes zijn waarmee hij zich kan vermaken. De jonge koning en de koningin kunnen hem niets weigeren. Ze overladen al hun gunstelingen met functies en geld, en het hof wordt een kippenhok vol pompeus tentoongespreide jaloezie.
We doen er allemaal ons voordeel mee. Ze strooien kwistig met titels en functies, ze geven hun eigen grondbezit weg, de posities aan het hof zijn gratis, er is alle kans voor handel en omkoperij, vergunningen om te importeren, vergunningen om te exporteren. Kroongebieden, die bedoeld zijn om tijdens het bewind van de koning in zijn levensonderhoud te voorzien, worden in inhalige handen gelegd, in een doldwaze stortvloed van vrijgevigheid. William de la Pole wordt boven zijn stoutste verwachtingen in de adelstand verheven en tot hertog gemaakt – de eerste man zonder koninklijk bloed die ooit zo’n titel heeft mogen aannemen. Edmund Beaufort krijgt ook een hertogdom; er wordt kwistig met gunsten gestrooid. De koning en koningin halen zich in hun hoofd dat Edmund Beaufort een vermogen moet krijgen overeenkomstig zijn titel, dat hij een vermogen moet krijgen vergelijkbaar met dat van Richard, de hertog van York, die bekendstaat om zijn rijkdom, een koninklijk familielid. Nee, nog beter: hij moet de voorname hertog van York overstijgen, en de jonge koning en koningin zeggen dat ze hem alles zullen geven wat maar nodig is om dat te bewerkstelligen.
Zelfs Richard en ik worden in deze stortvloed van geschenken meegesleurd. Ze geven ons een voornaam huis in Londen, en dan komt mijn echtgenoot glimlachend naar me toe en zegt: ‘Vertel eens, lieveling: wat voor naam vind je dat ik moet hebben?’
‘Wat voor naam?’ vraag ik, en dan dringt tot me door wat hij zegt. ‘O, Richard! Krijg jij ook een titel van de koning?’
‘Ik denk dat het eerder de gunst van de koningin aan jou is,’ zegt hij. ‘Maar hoe dan ook, ik word baron. Voor de grote diensten die ik mijn land heb bewezen krijg ik een adellijke titel, of in elk geval omdat de koningin op mijn echtgenote is gesteld. Wat vind je ervan?’
Ik hap naar adem. ‘O, wat ben ik blij! Wat ben ik blij voor je! En ook voor onze kinderen! O, wat worden we voornaam.’ Ik doe er even, onzeker, het zwijgen toe. ‘Kan de koning er dan zomaar titels bij verzinnen?’
‘Die twee denken van wel, en wat nog veel gevaarlijker is: ze doen het nog ook. Er is nog nooit een jong echtpaar met zo weinig macht en zo weinig geld geweest dat zo veel haast had om het allemaal weg te geven. En de rest van het hof wordt natuurlijk gek. Iedereen die zij graag mag of die hij vertrouwt, wordt overladen met gunsten, maar goede mensen worden buitengesloten. Richard, de hertog van York, krijgt niets, niet eens een fatsoenlijke audiëntie. Er wordt beweerd dat ze hem op dit moment niet in de raad willen hebben, hoewel hij erom bekendstaat dat hij een goed mens is en de beste adviseur die ze zich kunnen wensen. Maar hij wordt genegeerd en mensen die veel minder voorstellen dan hij worden de hemel in geprezen. Ik word alleen maar baron gemaakt omdat jij haar gezelschap houdt.’
‘En wat voor naam krijgen we, heer? Word je Sir Richard Woodville, baron… hoe?’
Hij zwijgt even. ‘Baron Grafton?’ zegt hij.
‘Baron Grafton,’ zeg ik hem na, en ik luister hoe dat klinkt. Zelfs na al die jaren in Engeland heb ik nog steeds een zwaar accent. ‘Ik kan het niet goed uitspreken.’
‘Maar ik vroeg me af of jij soms liever een titel hebt die uit jouw familie komt. Een van je familienamen bijvoorbeeld?’
Ik denk even na. ‘Eigenlijk wil ik liever niet iedereen eraan herinneren dat ik een dochter van het huis Luxemburg ben, dat ik Frans ben,’ zeg ik behoedzaam. ‘De stemming wordt steeds anti-Franser. Ik zei laatst nog tegen de koningin dat ze in het openbaar beter Engels kan spreken. Ik ben een Engelse hertogin-douairière en ik ben nu een goede Engelse vrouw. Geef mij maar een Engelse naam en zorg dat onze kinderen een Engelse titel krijgen.’
‘Water!’ roept hij uit. ‘Naar je voorouder!’
Ik moet lachen. ‘Jij kunt toch niet baron Water worden? Maar wat vind je van baron Rivers?’
‘Rivers…’ Hij laat het woord door zijn mond rond rollen. ‘Dat is prima, Rivers. Een goede Engelse naam, en toch een eerbetoon aan jouw familie. Goed, dan word ik baron Rivers, en als God het wil word ik ooit nog een keer graaf.’
‘Nee, echt? Zouden ze je nog tot graaf maken? Denk je echt dat ze je zo veel zullen geven?’
‘Lieveling, ik denk dat ze het koninkrijk nog weg zouden geven. Het zijn geen zorgvuldige vorsten en ze worden geadviseerd door bedriegers.’
Ik laat zo tactvol mogelijk tegenover de koningin vallen dat mijn echtgenoot zich zorgen maakt over hun extravagante gedrag, maar ze schudt haar hoofd. ‘We moeten onze vrienden tevreden houden,’ zegt ze. ‘We kunnen het land niet zonder William de la Pole regeren: hij is de belangrijkste man van het land. En Edmund Beaufort heeft zulke grote schulden! We moeten hem helpen.’
‘En Richard, de hertog van York dan?’ opper ik, want dat is toch ook iemand die ze moeten belonen.
‘We kunnen Frankrijk niet zonder Edmund Beaufort bezet houden. Hij is de enige die we onze Franse grondgebieden kunnen toevertrouwen, en de gebieden die wij aan hun rechtmatige eigenaren moeten teruggeven.’
‘Majesteit?’ Ik ben met stomheid geslagen als ik hoor dat zij vindt dat wij onze grondgebieden aan de Fransen moeten teruggeven. Ze bloost, schuldbewust als een kind. ‘Ik bedoel: om onze gebieden bezet te houden,’ verbetert ze zichzelf. ‘Edmund Beaufort is de enige die we kunnen vertrouwen.’
‘Volgens mij is Richard, de hertog van York, de enige die sinds mijn eerste echtgenoot, de hertog van Bedford, de Franse gebieden met succes bezet heeft gehouden,’ merk ik op.
Ze steekt haar handen in de lucht. ‘Dat kan best zijn, maar ik kan nu eenmaal niemand anders vertrouwen dan Edmund Beaufort en William de la Pole. De koning kan zelf geen beslissing nemen en geen leger aanvoeren. Deze mannen betekenen alles voor me. Ze zijn de vader en de’ – ze zwijgt even en bloost – ‘vriend die ik nodig heb. Ze verdienen allebei de hoogste gunsten, en wij verstrekken gunsten waar die gewenst zijn.’