Grafton, Northamptonshire, zomer 1456
Ik wacht in Grafton tot Richard weer thuiskomt en geniet met onze kinderen van de zomer. Elizabeth is op Groby met haar pasgeboren kindje en haar zus Anna is bij haar op bezoek. Ik heb Anthony ondergebracht bij lord Scales, waar hij als diens schildknaap werkt en leert hoe het er in een adellijk huis aan toegaat. Lord Scales heeft toevallig een dochter, zijn enige dochter, zijn erfgenaam: Elizabeth. Mijn Mary is nu dertien en ik moet al gaan rondkijken naar een echtgenoot voor haar. Samen met haar zusje Jacquetta logeert ze bij de hertogin van Buckingham, waar ze leren hoe het er in dat huis aan toegaat. Mijn zoon John is thuis; Richard en hij zijn aan het studeren, samen met een nieuwe leraar, en dit jaar gaat Martha ook naar het klaslokaal. Eleanor en Lionel zijn nog in de kinderkamer, samen met hun zusje van twee, Margaret, en hun broertje Edward.
Ik hoef niet lang op de terugkeer van mijn echtgenoot te wachten. Eerst krijg ik het bericht dat Richard van zijn verplichtingen in Calais is ontslagen, en daarna – in het kielzog van de boodschapper – zie ik het stof op de weg vanuit Grafton de oprit naar het huis op dwarrelen. Ik pak Edward uit de wieg en druk hem tegen me aan, scherm mijn ogen met mijn hand af en tuur de weg over. Het is mijn bedoeling dat Richard, als hij de oprit op gereden komt, mij daar met mijn jongste kindje in mijn armen ziet staan, met ons huis achter me, onze landerijen veilig om ons heen, en dat hij dan weet dat ik vertrouwen in hem heb gehouden, zijn kinderen heb grootgebracht, beschermd door zijn grond, net zoals hij vertrouwen in mij heeft gehouden.
Ik zie de kleuren van zijn vaandel – ik meen ze althans te zien – en dan weet ik zeker dat het zijn vlag is, en dan weet ik zeker dat hij de man op het grote paard aan het hoofd van de troep is, en vergeet helemaal hoe ik wilde dat hij me zou zien, duw Edward snel in de armen van zijn min, trek mijn rokken op en ren het terras van het huis over en de trap af naar de weg. En ik hoor Richard roepen: ‘Hallo! Mijn hertogin! Mijn hertoginnetje!’ Ik zie dat hij zijn paard laat stilhouden en eraf springt, en even later lig ik in zijn armen en kust hij me zo vurig dat ik hem van me af moet duwen, maar dan trek ik hem weer dicht tegen me aan, met mijn gezicht in zijn warme hals, zijn kussen op mijn haar, alsof we jonggeliefden zijn die een leven lang van elkaar gescheiden zijn geweest.
‘Liefste,’ zegt hij, zelf ook buiten adem. ‘Wat heeft het lang geduurd. Ik was bang dat je me helemaal vergeten zou zijn.’
‘Ik heb je zo vreselijk gemist,’ fluister ik.
Mijn wangen zijn nat van de tranen en hij kust ze weg en mompelt: ‘Ik heb jou ook gemist. Lieve hemel, ik heb wel gedacht dat ik nooit meer thuis zou komen.’
‘En ben je nu vrij? Je hoeft niet meer terug?’
‘Ik ben vrij. Warwick zal zijn eigen mensen meenemen. Ik hoop bij god dat ik die stad nooit meer hoef te zien. Het was een en al ellende, Jacquetta. Het was alsof ik al die tijd in een kooi zat opgesloten. Op het platteland buiten de stad is het niet veilig. De hertog van Bourgondië doet invallen en de koning van Frankrijk dreigt. We waren voortdurend alert op een invasie uit Engeland en van de lords van York, en de stad balanceerde op de rand van een bankroet. De mannen waren opstandig en dat kon niemand ze kwalijk nemen, en het ergste van alles was nog wel dat ik nooit wist wat ik nou het best kon doen. Ik wist niet wat er in Engeland gaande was. Verder kreeg ik geen nieuws over jou. Ik wist niet eens of je de bevalling wel goed had doorstaan…’
‘Ik heb je steeds geschreven,’ zeg ik. ‘Ik ben je steeds blijven schrijven, maar ik vermoedde al dat je de brieven niet kreeg. En soms kon ik niemand vinden om een boodschap over te brengen. Maar ik heb je toch fruit en een vat gezouten varkensvlees laten brengen?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik heb niks ontvangen. Terwijl ik zo om een vriendelijk woord van jou verlegen zat. En jij moest het allemaal in je eentje zien te redden… en ook nog met een nieuwe baby!’
‘Dit is Edward,’ zeg ik trots, en ik wenk de min naderbij te komen en onze zoon aan zijn vader te geven. Edward doet zijn donkerblauwe ogen open en kijkt zijn vader ernstig aan.
‘Maakt hij het goed?’
‘O ja, en alle anderen ook.’
Richard kijkt om zich heen naar de andere kinderen, die door de voordeur naar buiten getuimeld komen; de jongens zetten hun muts af, de meisjes hollen naar hem toe, en hij laat zich voor hen op zijn knieën zakken en spreidt zijn armen, zodat ze allemaal naar hem toe kunnen rennen en hem kunnen omhelzen. ‘God, wat ben ik blij dat ik thuis ben,’ zegt hij met tranen in zijn ogen. ‘Ik dank God dat Hij me veilig thuis heeft gebracht, bij mijn vrouw en mijn kinderen.’
Die avond in bed merk ik dat ik verlegen ben, bang dat hij veranderingen in mij zal bespeuren – weer een jaar verder, en weer een zwangerschap die mijn heupen breder en mijn taille dikker heeft gemaakt – maar hij is lief en voorzichtig met me, en bemint me alsof hij nog steeds mijn schildknaap is en ik de jonge hertogin. ‘Net als luit spelen,’ zegt hij met een klaterlach onder de gefluisterde woorden. ‘Zodra je hem weer in handen hebt herinner je je altijd meteen hoe het moet. De geest kan je om de tuin leiden, maar het lichaam herinnert het zich altijd.’
‘En op een oude viool kun je nog menig aardig deuntje spelen zeker?’ zeg ik zogenaamd beledigd.
‘Als je er een vindt die helemaal bij je past kun je hem houden,’ zegt hij lief. ‘En toen ik jou voor het eerst zag, wist ik dat je de vrouw was die ik mijn hele leven wilde houden.’ Dan drukt hij me tegen zijn warme schouder en valt in slaap, met mij stevig tegen zich aan.
Ik val in slaap in zijn armen als een zeemeermin die in donker water duikt, maar ’s nachts word ik ergens wakker van. Aanvankelijk denk ik dat het een van de kinderen is, dus schud ik de slaap van me af, glijd onder de dekens uit en ga op de rand van het bed zitten luisteren. Maar het is doodstil in ons huis; ik hoor alleen een vloerplank kraken en de wind door een open raam zuchten. Er heerst vrede; de heer des huizes is eindelijk weer veilig thuis. Ik ga de kamer naast onze slaapkamer in, open het raam en doe het houten luik wijd open. De zomerlucht is donker, donkerblauw, zo donker als een zijden lint, en de maan is wassend, als een bijna rond zilveren zegel, laag aan de horizon, en zakt nog lager. Maar in het oosten zie ik een groot licht aan de hemel, laag boven de aarde, een zee van licht in de vorm van een sabel, die op het midden van Engeland wijst, op de Midlands, waar Margaretha haar kasteel bewapent en haar aanval op de Yorks voorbereidt. Ik kijk omhoog naar de komeet, geel van kleur, niet wit en bleek als de maan, maar goudgeel, een vergulde sabel die op het midden van mijn land wijst. Het staat voor mij als een paal boven water dat dit voorspelt dat er oorlog en veldslagen komen, en dat Richard weer zoals altijd vooraan zal staan, en dat er nu ook andere mannen zijn om wie ik me zorgen moet maken: John, de echtgenoot van Elizabeth, en Anthony, mijn eigen zoon, en alle andere zonen die in een land dat in oorlog is opgroeien. Heel even denk ik aan de jonge zoon van de hertog van York, die ik die dag op Westminster samen met zijn moeder heb gezien: de jonge Edward, een knappe knul; zijn vader zal hem ongetwijfeld mee naar de oorlog nemen, en ook zijn leven komt op het spel te staan. De sabel hangt in de lucht boven ons allemaal, alsof hij op het punt staat neer te vallen. Ik kijk er heel lang naar en bedenk dat deze ster ‘de weduwemaker’ genoemd zou moeten worden. Dan sluit ik het luik en ga terug naar bed.