2
(de a van aankomst)
De lucht in de kamer was verstikkend. Robert had moeite met ademhalen. De rit van de pas naar beneden had niet lang geduurd – Grace College lag op een hoogte van bijna tweeduizend meter. Het was begin mei en dus moesten de nachten op deze hoogte ijskoud zijn. Toch transpireerde hij, en Robert wist dat dat niet aan de buitentemperatuur lag.
Zijn gedachten dwaalden af. Ze vluchtten voor de luide echo van zijn herinneringen. Hij wist het, maar hij kon er niets aan doen, en tot overmaat van ramp werd het steeds erger. Zijn gedachten joegen door de kronkelende, labyrintachtige gangen van zijn hersenen. Het was allemaal maar biologie, dacht hij. Chemie, synapsen.
Maar waarom had hij er dan geen controle over? Wat was er anders?
Ook deze vraag kon hij niet vasthouden. In plaats daarvan werd hij weer overvallen door een van die bliksemsnelle inzichten die hem doodsbang maakten. Soms kon hij door de dingen heen kijken en daarachter een andere wereld zien, die onschuldig kon zijn, maar misschien ook gevaar kon bevatten.
Robert had zich onverdraaglijk gedeprimeerd gevoeld zodra hij het schoolgebouw zag. Onverdraaglijk, omdat hij het gevoel met niemand kon delen en omdat er niemand was die hem kon troosten, niemand die hem zou geloven.
Hij staarde door het raam van zijn kamer naar het onbekende landschap. Tegen de donkere hemel, die door het felle schijnsel van de maan tot zwart leek te verdiepen, tekende zich in het zuidoosten het silhouet van de hoogste bergtop af.
De berg heette Ghost. Hij had het aan Alex gevraagd. Een zeldzame en toch passende naam. Hij bestond uit drie toppen, waarvan de middelste honderden meters boven de linker en rechter uitstak. De bergketen verhief zich boven de vallei en Lake Mirror alsof hij in een grijze doek was gehuld.
Robert kneep zijn ogen achter de brillenglazen dicht. De middelste top zag er inderdaad uit als het gezicht van een spook. De donkere lijnen links en rechts leken twee oogspleten in een spooklaken. En de toppen ernaast waren twee armen, die het meer leken te omhelzen.
Hou op, zei Robert tegen zichzelf terwijl hij tevergeefs probeerde zijn ademhaling te kalmeren. Hij luisterde naar het water, dat zachtjes tegen de oever klotste. Het meer was zo dichtbij dat je het zelfs met het raam dicht kon horen en hoe langer Robert luisterde, des te meer leek het alsof het water woorden fluisterde.
Wat natuurlijk onzin was. Kletskoek, rubbish, nonsense.
Maar het huiveringwekkende gevoel werd sterker. Een voorgevoel verspreidde zich in zijn binnenste, voorzichtig en nog nauwelijks waarneembaar. Vluchtig, als de lichte tocht die langs de gammele ramen trok en die ervoor zorgde dat hij ondanks de verstikkende lucht huiverde.
Zoals altijd berustte zijn voorgevoel op iets wat Robert irriteerde. In dit geval was het de architectuur van Grace College. Op het eerste gezicht was het historische hoofdgebouw van het college een gigantisch, kasteelachtig complex dat uit een enorm middendeel en twee zijvleugels bestond. Aan de achterkant van het hoofdgebouw lagen de moderne gebouwen – de sporthal, de supermarkt en de bungalows voor de docenten en de oudere studenten – maar deze waren zo knap in het heuvelachtige landschap geïntegreerd dat ze niet opvielen.
Wat Robert het meest interesseerde, was de gevel van het hoofdgebouw. Op het eerste gezicht leek die speels en hadden de ontelbare balkons, dakramen, arcadebogen en ramen met spijlen Robert verward. Maar de eerste indruk was misleidend.
En die misleiding berustte op getallen. Terwijl getallen Robert normaal gesproken kalmeerden, gebeurde nu het tegenovergestelde.
2, 4, 8, 12, 16.
De getallen maakten hem bang.
2, 4, 8, 12, 16.
Twee zijvleugels met telkens vier verdiepingen en acht balkons. Elke zijvleugel bezat twee trappenhuizen, dus in totaal vier. Het hoofdgebouw bestond uit een enorm glazen middendeel, waar de ontvangsthal en de mensa waren. Rechts en links daarvan waren zestien ramen en helemaal boven in het dak twaalf dakramen.
Er woonden vier studenten in elk appartement in de zijvleugels. Per etage acht appartementen, vier aan de voorkant, vier aan de achterkant. Dat waren tweeëndertig studenten per verdieping. Dus honderdachtentwintig studenten per zijvleugel, bij elkaar tweehonderdzesenvijftig. Daarbij kwamen nog eens honderdtweeëntwintig ouderejaars, die op de studiebegeleiders na in de ruime en moderne gebouwen in het achterste deel van de campus ondergebracht waren. Het totaal was dus driehonderdachtenzeventig studenten. Precies het getal dat Robert in de brochure van het college had gelezen.
Helder, het getallensysteem was eenvoudig, primitief zelfs, maar de architect had heel goed nagedacht over de architectuur.
Of beeldde hij het zich alleen in? Tenslotte berustte de architectuur, net als de hele wereld, op getallen en wiskundige principes. Was het dus toeval?
Maar dat was niet wat hem irriteerde en het onbehaaglijke gevoel veroorzaakte. Nee, hij herkende het systeem. Elke kamer in elk appartement had dezelfde vierkante vorm. En de vierkanten lagen tegen elkaar aan als cellen in een gevangenis. Overzichtelijk, geordend en op elk moment te controleren.
En nog iets: het schoolgebouw van Grace en de Ghost lagen in spiegelbeeld tegenover elkaar. Grace verhief zich op de westoever, de berg domineerde de oostoever. En als Robert zich niet vergiste… Nee, dat was onmogelijk. De getallenverhouding tussen de zijtoppen en de hoofdtop van de Ghost kon niet identiek zijn aan die van het hoofdgebouw en de zijvleugels.
Robert huiverde weer en draaide zich abrupt van het raam af. Hij voelde een golf van paniek opkomen, en hij had het gevoel alsof hij in een bodemloze put viel.