13
Julia was nog uitgeput van alle gebeurtenissen van de vorige avond toen ze ’s ochtends haar ogen opendeed en recht in de enorme, felgele zon staarde. De nachtelijke regenbui had de donkere wolken verdreven en nu straalde de hemel zo intens blauw alsof hij net geschilderd was. Er was zelfs geen nevelsluier die de silhouetten van de bergtoppen aan de horizon vervaagde. De gletsjer die zich bij de Ghost uitstrekte, was heel duidelijk te zien en leek vandaag veel dichterbij dan anders. Een idylle in plaats van de ondergang van de wereld. Alsof de vallei eropuit was zijn twee kanten te laten zien. Wat natuurlijk onzin is, dacht Julia, want een vallei is alleen een stuk natuur, niets meer, zonder een eigen leven. En na onweer volgt altijd een stralende ochtend.
Ze had ’s nachts weer lang wakker gelegen en in de korte perioden dat ze had geslapen, was ze wakker geschrokken van de beelden van de vorige avond. In die oneindig lange uren waarin ze naar het plafond lag te staren, had haar slechte geweten opgespeeld. O god, ze was haar broertje in het bijzijn van iedereen afgevallen.
Rose stak haar hoofd om de deur. ‘Ben je al wakker?’
‘Niet echt.’
‘Ga je mee ontbijten in de mensa?’
‘Zo meteen.’
Rose ging op haar bed zitten. ‘Je broer is volgens mij behoorlijk gevoelig.’
‘Misschien wel.’
Ze hoorde haar moeders woorden weer in haar hoofd. Je komt er vanzelf achter. Dat was haar lievelingsuitdrukking. Je komt er vanzelf achter. Als je eenmaal volwassen bent en verantwoordelijkheid hebt. En nu was het blijkbaar zover.
Julia deed haar ogen even dicht. Ik moet iets doen, dacht ze. Ze kon op haar vingers natellen dat Robert vanaf nu voortdurend in de gaten werd gehouden, en dat mocht absoluut niet gebeuren.
‘Je moet iets doen,’ ging Rose verder alsof ze haar gedachten had gelezen. ‘Je moet… Luister, echt… Zou therapie niet iets voor Robert zijn? Er is een psycholoog aan Grace verbonden, meneer Hill, de vader van Isabel. Hij schijnt heel goed te zijn. Je kunt gewoon naar hem toe gaan…’
Julia hoorde de woorden, maar begreep de betekenis niet.
Vroeger wilde ze altijd dolgraag volwassen zijn. Je mocht zelf beslissen wanneer je een hamburger at (om de dag!), wanneer je nieuwe kleren nodig had (voortdurend!), welke film je wilde zien (King Kong!), enzovoort, enzovoort.
Pas toen Julia zich als tiener op het laatste rechte stuk voor de finish van het volwassen zijn bevond, liet ze zich niet langer verblinden: niet door mooie schoenen en niet doordat volwassenen mochten roken, bij elke gelegenheid champagne dronken en op elk moment seks konden hebben zonder dat iemand hen voor aids waarschuwde. Haar moeder had erover geklaagd dat Julia weigerde volwassen te worden, regelmatig spijbelde en beweerde dat die hele rottige volwassenheid haar gestolen kon worden.
‘Wat denk je, zal ik een keer met Robert praten?’ De stem van Rose drong tot haar bewustzijn door.
‘Ik zorg wel voor mijn broer,’ mompelde Julia. Ze bedacht opgelucht dat het morgen zaterdag was. Natuurlijk zou ze voor Robert zorgen, dat had ze altijd gedaan.
Morgen was het zover. Morgen ging er eindelijk een bus naar Fields.
In de mensa heerste op dit tijdstip een enorme drukte. De studenten verdrongen zich voor het buffet. Degenen die op het feest waren geweest, zagen er bleek en oververmoeid uit. Het enige wat Julia op haar blad zette, was een grote beker thee met melk en een bekertje yoghurt.
‘Wacht je op me?’ vroeg Rose terwijl ze in de lange rij voor de spiegeleieren ging staan.
Julia knikte en keek naar Rose. Het was haar niet aan te zien dat ze de vorige avond bang was geweest dat Robert en David zouden verdrinken. Of ging het haar helemaal niet om Robert? dacht Julia plotseling. Misschien moest ze haar minder gemakkelijk vertrouwen. Aan de andere kant was Rose degene geweest die het meeste begrip voor haar broer had getoond. Alleen klopte haar idee om hem naar een psycholoog te sturen niet. Ze had er geen flauw idee van dat ze hem daarmee kapot zou maken.
Deze keer kwam de flashback zonder dat Julia hem kon tegenhouden. Anders waren het herinneringen, die ze soms met veel moeite en soms wat gemakkelijker kon verdringen, maar dit was anders. Julia zag het weer voor zich. Ze voelde en rook het. Toen ze na de nacht met Kristian was thuisgekomen, had de deur naar de werkkamer van haar vader opengestaan. Uitgerekend de werkkamer, die verboden terrein was geweest. Een mijnenveld. De kamer die haar vader bezet hield en waar niemand zomaar naar binnen mocht.
Destijds had ze voor het laatst het gevoel gehad alsof het leven een buffet was. Je moest in de rij staan en lang wachten, maar uiteindelijk kreeg je wat je wilde.
Ze rook de geur weer. Julia werd nog steeds misselijk als ze eraan dacht. Ze had de deur opengeduwd en naar binnen gekeken. Het leek alsof er een tornado door de werkkamer had geraasd. Alle laden en kasten waren doorzocht. Stapels ordners en documenten lagen op het parket verspreid en de lade waarvan alleen haar vader een sleutel had, was helemaal opengetrokken en hing half los. Overal lagen haar vaders grammofoonplaten. Sommige waren kapot. The Beatles, Pink Floyd, Santana. De bands die hij bewonderde alsof deze groepen de muziek pas in de jaren zeventig hadden uitgevonden.
Het ergste was de stank geweest. En het geluid.
Een koppig geschraap drong tot haar bewustzijn door, zette zich in haar gehoor vast en boorde zich vastbesloten en onhoudbaar een weg naar haar hersenen. Debbie stond naast haar en schraapte met een lepel de schaal cornflakes leeg.
‘Er zijn geen spiegeleieren meer,’ zei Rose. Hoewel ze moe was, straalde haar gezicht een enorme aantrekkingskracht uit, alsof de schaduwen onder haar ogen haar nog mooier maakten. ‘Als ik een kater heb, heb ik altijd razende honger.’
‘Ik ook.’ Debbie staarde naar Julia’s blad. ‘Is dat alles wat je neemt?’
Julia haalde haar schouders op.
‘Dan heb je iets met je broer gemeen. Die drinkt alleen water bij wijze van ontbijt. Dat is toch erg?’ Ze keek om zich heen. ‘Hij zit trouwens met David bij het raam.’
Ze wrongen zich samen door de menigte. Flarden van zinnen drongen tot Julia door. Een paar gefluisterde opmerkingen over het feest, maar vooral over het weer van de afgelopen nacht.
‘Alsof de wereld verging,’ zei een van de ouderejaars. Ze herkende hem. Hij had op de steiger gestaan. Godzijdank zag hij haar niet. Eigenlijk wachtte Julia er gewoon op dat iemand tegen haar over gisteravond begon.
‘De apocalyps,’ hoorde Julia. ‘Ik had die nacht niet vrijwillig in de natuur doorgebracht.’
‘Maar sommige mensen hebben idiote ideeën.’
Julia luisterde niet meer, want ze liepen langs de tafel waaraan Alex zat. Ze vroeg zich af of ze nog een keer naar de bus moest vragen. Ze keek hem onderzoekend aan en zag dat hij er moe uitzag en in een slecht humeur leek. En na zijn optreden van gisteravond had ze absoluut geen zin om met hem te praten. Ze nam het hem nog steeds kwalijk dat hij haar een beslissing had afgedwongen die ze niet had willen nemen. Hoewel, was dat zijn schuld geweest? Ze kon hem de verantwoordelijkheid voor haar eigen gedrag toch niet in de schoenen schuiven?
Hij keurde hun geen blik waardig, zelfs niet toen Debbie de aandacht weer eens begon te trekken.
‘Zullen we buiten ontbijten?’ riep ze.
Julia keek naar de glazen gevel, die vanaf de mensa uitzicht bood op het meer en toegang gaf tot het langgerekte balkon. Er zaten inderdaad een paar studenten aan de tafels van de vroege ochtendzon te genieten.
‘Ben je gek?’ antwoordde Rose. ‘Het is ijskoud buiten.’
Het meer was van kleur veranderd en het donkere turkoois was nu intens blauw. De zon scheen op de bergen, waardoor de rotswanden niet meer donkergrijs en dreigend waren, maar licht en onwerkelijk.
Op het moment dat Julia bedacht dat het een ideaal filmdecor was, viel haar blik op Benjamin. Hij zat in kleermakerszit op het balkon en richtte zijn camera op de Solomonrots aan de noordoever. De rots leek gedurende de nacht nog verder het meer in geschoven te zijn.
‘Benjamin filmt alweer,’ zei Debbie. ‘Dat is toch ziek?’
Rose en Julia gaven geen antwoord. In plaats daarvan zetten ze hun bladen naast Robert en David, die zwijgend tegenover elkaar zaten.
‘Hallo, jongens,’ zei Debbie op vleierige toon. ‘En, hebben jullie van het meisje met het blauwe haar gedroomd?’ Ze streek gemaakt met haar hand door haar dunne haar. ‘Misschien moet ik mijn haar laten verven?’
Het nietsdoen maakte Julia zenuwachtig en prikkelbaar, net als het zwijgen. Ze kon niet met Robert praten als iedereen meeluisterde. Ze dronk daarom haastig haar thee en at haar yoghurt. Misschien kon ze nog voor de eerste les met Robert praten. Ze stond tegelijk met David op.
David had zoals gewoonlijk een ernstige uitdrukking op zijn gezicht. Het lichtbruine haar krulde in zijn nek en moest eigenlijk geknipt worden, maar David was niet het type dat erg op zijn uiterlijk lette. Heel anders dan Chris, dacht Julia. Waar was die trouwens? En hoe stond ze tegenover hem na wat er gisteren was gebeurd? Het was te veel, het was allemaal veel te veel. Te veel mensen, te veel nieuwe indrukken. Ze had geen tijd om tot rust te komen en over alles na te denken.
David gaapte en knipoogde vermoeid naar haar. ‘Zal ik het voor je meenemen?’ Hij pakte haar blad en zette het op de band.
Ze zocht naar Robert, en zag nog net zijn rug in de deuropening verdwijnen. Verdorie. Robert kon zo verschrikkelijk haatdragend zijn. Hij vergat nooit iets.
‘Ga je mee?’ vroeg David. ‘Ik moet mijn boeken voor filosofie nog halen.’
Ze knikte en ze liepen samen door de gangen naar de noordvleugel.
‘Heb je lekker geslapen?’ vroeg David.
‘Gaat wel,’ mompelde ze.
‘Dat komt wel weer,’ zei hij opbeurend. ‘Geloof me, Robert kan meer verdragen dan je zou verwachten. Hij is niet zo zwak als iedereen denkt. Anders zou hij vandaag met veertig graden koorts en een longontsteking in bed liggen. Maar behalve een beetje keelpijn en spierpijn voelt hij zich prima.’
‘En jij?’
‘Ik? Ik geloof dat het koude water me goed heeft gedaan.’ Hij glimlachte.
‘Ik moet je nog bedanken, omdat je Robert…’
‘Dat hoeft niet.’ Hij bleef staan, keek haar aan, stak zijn hand uit, aarzelde en streek uiteindelijk een haarlok van haar voorhoofd.
Julia’s hart bonkte. Plotseling was ze zich ervan bewust hoe alleen ze zich hier voelde, ondanks alle mensen. Hoe verschrikkelijk eenzaam. Want echt bevriend raken met iemand betekende dat ze diegene moest vertrouwen en hij haar. En dat kon niet. Bovendien wilde ze niets met David, hoe aardig hij ook was.
Ze liep haastig verder. David kwam achter haar aan. Er lag een vragende uitdrukking op zijn gezicht, maar hij kwam er niet aan toe om nog iets te zeggen, omdat ze op dat moment Chris tegenkwamen. Hij droeg een donkerblauwe Adidas-sportbroek en loopschoenen, en had een handdoek over zijn schouders geslagen. Blijkbaar had hij net gejogd.
In plaats van hen te begroeten keurde hij hun geen blik waardig en liep langs David en Julia alsof ze er niet waren. Verbijsterd staarde Julia hem na. ‘Wat is er in vredesnaam met Chris aan de hand?’ vroeg ze.
‘Wat moet er met hem zijn?’ vroeg David. Zijn stem was toonloos.
‘Nou ja, ik snap het gewoon niet. Gisteravond, toen dat met Robert gebeurde, was hij heel anders. Niet zo cynisch en minachtend. Hij trok het zich aan en maakte zich zorgen. En nu is hij weer zo… Hij is zo wisselvallig.’
‘Dat moet aan het weer in de vallei liggen,’ zei David met een glimlach. ‘Eerst vergaat de wereld en daarna hebben we stralende zonneschijn.’ Hij kwam in beweging. ‘Kom, we moeten ons haasten. Anders zijn we te laat voor de les.’
Julia aarzelde. ‘Zeg, David…’
‘Wat?’
‘Wat vind je echt van Roberts verhaal?’
‘Je bedoelt het meisje?’
Ze knikte.
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Omdat…’
‘Gaat het je om het meisje of om Robert?’
‘Om Robert.’ Julia was zelf verbaasd dat het antwoord zo snel uit haar mond kwam.
David schudde zijn hoofd en zijn ogen werden donker. ‘Als het je echt om Robert ging, dan zou je aan zijn kant staan. Daar zijn broers en zussen tenslotte voor. Je steunt elkaar door dik en dun. En als je dat niet doet, kan het op een bepaald moment te laat zijn.’
Julia kwam als laatste het lokaal op de benedenverdieping van de hoofdvleugel binnen, maar professor Brandon was er nog niet. Ze liep langs de rijen naar boven en ging op de laatste rij zitten, waar ze een goed overzicht had. Het filosofiecollege was een verplicht onderdeel voor alle studenten van het eerste jaar en werd daarom goed bezocht. Ze zag Robert tussen David en Rose op de derde rij zitten. Hij zat diep over een van zijn boeken gebogen en leek zijn omgeving niet waar te nemen, net zomin als de nieuwsgierige blikken die hem werden toegeworpen.
‘Hoi.’ Katie kwam naast haar zitten. ‘Debbie gaat weer eens door het lint. Op de een of andere manier is wat er gisteravond is gebeurd toch uitgelekt en nu vertelt ze aan iedereen die het horen wil dat ze maar heel kort op het feest is geweest.’
Julia rekte zich uit. Debbie was de enige die op de eerste rij was gaan zitten. Het was overduidelijk dat ze iedereen die binnenkwam wilde tegenhouden om haar verhaal te doen.
‘Ik was bijna de hele tijd hier,’ klonk haar schrille stem. ‘Niemand…’
Julia moest ondanks haar problemen lachen. ‘Debbie overleeft Grace College nooit als haar hersencellen nu al oververhit raken. Ze kan elk moment vlam vatten en dan moeten we om veiligheidsredenen de zaal ontruimen en staan we buiten op de campus.’
‘Geen slecht idee. Ik kan die filosofiekerel toch niet uitstaan. Ik zou dit college uit mezelf nooit volgen, maar we worden ertoe gedwongen.’
‘Wat heb je tegen Brandon?’
‘Hij vindt zichzelf heel slim.’ Katie hield haar hoofd schuin.
Als een exotische vogel, dacht Julia. Een vogel in gevangenschap.
‘Jezus,’ zei Katie terwijl ze naar Debbie bleef kijken. ‘Heeft ze niet in de gaten hoe gênant ze zich gedraagt? Is er geen wet die mensen zoals zij verbiedt hun mond open te doen?’
Meer zei ze niet, want de deur ging open en professor Brandon kwam binnen. De filosofiedocent was in de veertig en zag er onooglijk uit. Hij had zijn handen in de uitgezakte zakken van zijn colbertje gestopt, zijn stropdas hing scheef en hij had niets bij zich. Geen boeken, geen tas, geen papieren. Er zat niet eens een balpen in zijn borstzak.
Ike sjokte achter hem aan en ging als vanzelfsprekend naast de lessenaar liggen.
Brandon nam de zaal een hele tijd zwijgend op. Uiteindelijk schraapte hij zijn keel en draaide met een zelfverzekerd handgebaar de microfoon op de lessenaar opzij. Hij had een buitengewoon diepe, melodieuze stem. Als hij begon te praten, luisterden de studenten onmiddellijk. En dat was niet alles. Brandon was zo welbespraakt dat je het idee kreeg dat hij uit een boek voorlas en niet voor de vuist weg praatte.
‘Filosofie,’ zei hij glimlachend, ‘betekent in het Grieks “de liefde voor de wijsheid”. Misschien moeten we vandaag echter met de liefde voor de waarheid beginnen, vinden jullie niet?’ Hij kwam achter zijn lessenaar vandaan, leunde er nonchalant tegenaan en sloeg zijn armen over elkaar. Hij glimlachte nog steeds. ‘Er doet een gerucht de ronde dat er een illegaal feest in het boothuis heeft plaatsgevonden. Misschien is het jullie ontschoten, maar het boothuis…’ Hij begon met zijn handen in zijn broekzakken heen en weer te lopen. ‘… bevindt zich op verboden terrein, dus in het gedeelte van de vallei dat is afgezet. Er is zelfs een bord waarop staat dat het verboden terrein is. Toegang voor onbevoegden is streng verboden. En als ik het me goed herinner, is er ook een hek.’ Hij schraapte zijn keel. ‘Omdat iedereen op deze school over een bovengemiddelde intelligentie beschikt, denk ik dat we ervan uit kunnen gaan dat jullie borden kunnen lezen. En dat jullie weten wat de betekenis van een hek is.’ Plotseling werd hij ernstig. ‘Heeft iemand iets over dit voorval te melden?’
Geen van de studenten nam het woord.
Er verscheen een ironisch glimlachje op Brandons gezicht. ‘Natuurlijk, de erecode van Grace,’ zei hij. ‘Dat begrijp ik. De dames en heren hebben afgesproken hun mond te houden, nietwaar? Wat ons op een hoeveelheid interessante vraagstellingen brengt, die als het ware gemaakt zijn voor deze les. Wanneer begint verraad? Wanneer begint verantwoordelijkheid? Wat hebben regels voor betekenis in een gemeenschap zoals deze? Preciezer gezegd, wat betekenen regels als je in een afgelegen vallei woont waarin iedereen op de ander is aangewezen? Goed, wat hebben jullie daarop te zeggen?’
‘Dat niemand zonder de anderen kan?’ klonk Benjamins stem. ‘En dat daardoor de kans op seks heel groot is?’
Er werd gelachen.
Brandon trok zijn wenkbrauwen op. ‘Geachte meneer Fox, de enige die in mijn les grappen maakt, ben ik. Maar als je absoluut een waardevolle bijdrage wilt leveren, dan denk ik dat jij het onderwerp vandaag maar moet bepalen.’ Brandon maakte een handgebaar naar de lessenaar. ‘Je mag mijn plaats innemen. Nou, vertel. Heb je al een idee?’
Benjamin leunde achterover op zijn stoel en sloeg zijn armen over elkaar. ‘Waarom moet ik me houden aan regels die ik niet heb gemaakt?’
‘Omdat je niet alleen op de wereld bent,’ klonk het helemaal vooraan. ‘Alleen zo functioneert een gemeenschap.’
‘Maar moet je de mensen met wie je samenleeft, niet kunnen uitzoeken?’ nam Katie het woord.
De meeste studenten lieten merken dat ze het met haar eens waren door op hun tafel te trommelen.
‘Precies,’ riep Benjamin. ‘Als we het over de gemeenschap hebben, waarom zijn er dan maar een paar die de regels bepalen? Dat begint al met het toelatingsexamen voor Grace. Wie bepaalt wie wordt aangenomen en wie niet?’ Hij richtte zich tot zijn medestudenten. ‘Mensen, laten we het feit onder ogen zien. We worden in principe gecontroleerd door een elitaire groep ouwe zakken. Leeftijd en rang bepalen wat er gebeurt, meer is het niet.’
Er klonk gelach en instemmend gemompel.
Julia zag dat Robert opkeek en uiteindelijk opstond. ‘We moeten niet over regels praten. Het gaat veel eerder om oorzaak en gevolg. Op a volgt b. In de logica wordt dat een implicatie genoemd. Regels zonder beschrijving van de gevolgen zijn onvolledig. De mens kan pas vrij beslissen of hij zich aan de regels houdt als hij weet wat de gevolgen zijn.’
‘Kant!’ riep een meisje met een wilde bos blond haar. ‘Immanuel Kant. Die rare Duitser die nooit zijn dorp uit kwam. Die heeft daar toch iets over gezegd?’
‘Verlichting,’ citeerde Robert, ‘is het uittreden van de mens uit de onmondigheid.’
‘Precies, en daarmee bedoelde hij dat iemand die niets in zijn bovenkamer heeft en gewoon doet wat er van hem wordt verlangd, onmondig is.’
‘En zo stom zijn wij niet,’ vulde Benjamin aan.
‘Je schermt dus met Kant.’ Brandon glimlachte. Er lag een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Blijkbaar was de discussie helemaal naar zijn zin. Hij wilde zich net weer tot de studenten richten, toen er op de deur werd geklopt.
Een jonge collega van Brandon kwam binnen, liep naar de microfoon en keek op het briefje in haar hand. ‘Robert Frost,’ las ze. ‘Je mag met me meelopen naar de decaan.’