23
De volgende dag kregen ze voor het avondeten alweer pannenkoeken met ahornsiroop. Zo langzamerhand kon Julia geen pannenkoek meer zien. Ze zat met Rose, Katie, David en Benjamin aan een tafel en luisterde naar Benjamin, die zich erover beklaagde dat iemand zijn camera had vernield.
‘Ik heb hem maar heel even laten liggen omdat ik naar het toilet moest,’ herhaalde hij telkens weer.
‘Is dat zo?’ merkte Katie spottend op. ‘Ik dacht dat je hem zelfs mee naar bed nam.’
Rose giechelde en David grijnsde. Iedereen leek blij te zijn dat ze iets hadden om over te praten wat niet echt belangrijk was.
In de verte zag Julia dat Alex met de post de trap naar het podium op liep, waar de tafel van de docenten stond, en naar de microfoon ging. Julia vond het een nogal onnozel ritueel. Ze had gedacht dat de studenten postvakken zouden hebben, maar de postverdeling na het avondeten was een heilig ritueel op Grace. Zo hadden ze het altijd gedaan en niemand vroeg zich af wat het nut ervan was.
Aarzelend prikte ze met haar vork in de pannenboek en vertrok walgend haar gezicht. Ze kon sowieso nauwelijks iets naar binnen krijgen en dit spul zou als een steen op haar maag liggen. Ze moest voortdurend aan Chris denken en aan wat er gisteren tussen hen was gebeurd. De herinnering aan de zoen bezorgde haar vlinders in haar buik. Na de kus was alles veranderd, en ze had er geen flauw idee van hoe ze daarmee om moest gaan.
Ze had in Starbucks inderdaad het verhaal over Loa.loa verteld.
Chris kon goed luisteren. Hij had weinig vermoedens geuit en ook geen commentaar gegeven op het deel over Katie, maar toen hij om tien uur afscheid van Julia nam, was hij nadenkend, zelfs bijna verstrooid geweest. Hij had een vluchtige kus op haar voorhoofd gegeven, en Julia vroeg zich de hele dag al af of ze er goed aan had gedaan hem in vertrouwen te nemen.
Langzaam riep Alex alle namen om. ‘Als ik post krijg, reageer ik niet,’ zei Benjamin chagrijnig. Hij was nog steeds in een slecht humeur vanwege zijn camera. ‘Het zijn toch alleen nare berichten en rekeningen.’
‘Ik vind het fijn om brieven te krijgen,’ antwoordde Rose. ‘Het is net of je een cadeautje uitpakt, vinden jullie niet?’
Rose was een van de weinigen die regelmatig brieven kreeg.
‘Farley, Fredos, Federman, Finder.’ Alex’ stem stokte.
‘Hé!’ Benjamin trok zijn wenkbrauwen op. ‘Alex ziet eruit alsof hij een geest heeft gezien.’
‘Ik kan het me voorstellen,’ zei Rose. ‘Doden krijgen tenslotte niet elke dag post.’
Julia keek naar het podium. Alex staarde nog steeds zwijgend naar de envelop en er verstreek een aantal seconden voordat hij hem teruglegde en de volgende naam noemde.
‘Frost.’
Julia verroerde zich niet.
‘Hé.’ Benjamin stootte haar aan. ‘Je wordt geroepen.’
‘Ik?’
‘Julia en Robert Frost,’ herhaalde Alex.
Post? Daar had ze geen rekening mee gehouden.
‘Wat wordt het, Julia?’ riep Alex in hun richting. ‘Zal ik jullie kaart hardop voorlezen of kom je hem halen?’
‘Of nog beter,’ riep een lange student met rastahaar, ‘hang hem gewoon op het prikbord.’
Onder gelach haastte Julia zich naar voren en ze nam de kaart in ontvangst. Ze bekeek hem vluchtig en zag dat hij in Londen was gepost. Ze draaide hem om en las.
Groetjes van papa en mama.
Meer stond er niet op. Onverschillig liep ze het podium af, en toen ze wegliep, viel haar oog op de postkar en de bruine envelop die helemaal bovenop lag.
angela finder
grace college
p.o. box 10
grace valley
british columbia
Pas daarna zag ze de afzender. De ansichtkaart viel van schrik uit haar hand.
der tagesspiegel
askanischer platz 3
10963 berlin
deutschland
Julia schrok midden in de nacht wakker. De digitale wekker op haar nachtkastje stond op 4.22 uur. Ze moest meteen aan de ansichtkaart denken. Groetjes van papa en mama.
Ze had hem Robert niet laten zien. Ze had hem ook niets over de bruine envelop verteld. Alleen al het feit dat een dode post kreeg, was luguber genoeg, maar als ze aan de inhoud dacht, raakte ze in paniek.
Der Tagesspiegel. Wat moest Angela uitgerekend met die krant? En waar was de envelop nu?
Plotseling zat ze rechtop in bed. De politie had alle spullen van Angela in beslag genomen, wat betekende dat ze deze envelop ook zouden krijgen. Daar zou het schoolsecretariaat voor zorgen.
Ze was met een sprong uit bed. Had Alex de envelop naar de administratie gebracht? Maar daar werd maar tot vijf uur gewerkt. Na dat tijdstip waren de begeleiders verantwoordelijk voor eventuele problemen en vragen van studenten. Was het dan niet waarschijnlijk dat Alex de envelop in zijn kantoor had gelegd en dat hij hem morgenochtend pas zou afgeven?
Ze aarzelde en schoot toen in haar spijkerbroek en trui. Reageerde ze overdreven? Was het gewoon toeval? Wat het ook was, ze mocht geen enkel risico nemen.
Even later sloop Julia het appartement uit met de zaklamp die in de hal aan de muur hing. In Grace College moest je er altijd rekening mee houden dat de stroom uit kon vallen, dat had Julia de eerste avond al meegemaakt.
Het kantoor van de studiebegeleiders bevond zich op de eerste verdieping van de noordvleugel, in dezelfde gang als de appartementen van de jongens. Toen Julia de trap af liep, lag de gewone nachtelijke stilte over het gebouw. Daarom had ze zelfs op haar sokken het gevoel dat haar voetstappen tot in de verste hoeken van het gebouw te horen waren.
Uiteindelijk kwam ze bij de bruine houten deur waarop met grote letters studiebegeleider. spreekuur 13.00-14.00 en 18.00-20.00 uur stond. Naast de deur bevond zich een groot raam, waardoor je kon zien of er iemand in het kantoor was. Alles leek donker, maar plotseling zag Julia in het achterste deel van het kantoor een beeldscherm flikkeren. Eerst dacht ze dat Alex of Isabel was vergeten de computer uit te zetten, tot ze een beweging zag. Verdomme, er was iemand, ’s ochtends om halfvijf! Wat had dat te betekenen?
Julia bleef heel even besluiteloos staan. Ze moest die envelop gewoon hebben. Ze wilde zich net in het trappenhuis terugtrekken om te wachten tot de kust veilig was, toen ze voetstappen op de trap hoorde.
Wat nu? Ze had absoluut geen zin om uit te leggen wat ze midden in de nacht op de verdieping van de jongens deed.
Het toilet! Dat was de oplossing. Recht tegenover het kantoor waren de toiletten. Het volgende moment tastte ze in het donker naar een van de deuren, deed hem open en was verdwenen op het moment dat de voetstappen het trapportaal hadden bereikt.
Ze deed een stap naar achteren, stootte ergens tegenaan en deed heel even de zaklamp aan om zich te oriënteren. Natuurlijk, ze was in het herentoilet terechtgekomen. Met die stank die er hing had ze dat meteen kunnen weten.
Op de gang klonken de voetstappen nu heel dichtbij. Iemand stond recht voor de deur. Julia’s maag draaide om. De bewakers controleerden de gangen sinds de dood van Angela regelmatig. Een urinerende bewaker vlak voor haar ogen ontbrak er nog maar aan.
Haar hart bonkte zo hard dat het in het hele gebouw te horen moest zijn. Er gebeurde echter niets. Alles bleef stil en haar nieuwsgierigheid dwong haar naar de deur terug.
Ze hoorde weer voetstappen en daarna stemmen. Een gedempte stem, duidelijk van een man, vroeg: ‘Wat doe je hier? Het is midden in de nacht. Je hebt hier niets te zoeken.’
Julia kon het antwoord niet verstaan.
‘O, echt?’ Het klonk sarcastisch.
Weer onduidelijk gemompel, het klonk een beetje zielig, huilerig zelfs. Daarna stierven de stemmen weg. Ze hoorde een stoel opzijschuiven, er viel iets op de grond en daarna klonken er eerst voetstappen op de gang en vervolgens op de trap. Pas nadat er een deur was dichtgeslagen, was het weer stil in het gebouw.
Julia wachtte nog vijf minuten en deed daarna voorzichtig de deur open. Ze moest hier weg, want de urinestank was alleen te verdragen als ze haar adem inhield. Voorzichtig liep ze door de gang. Ze wist zeker dat er niemand meer was en voelde zich veilig genoeg om de zaklamp aan te doen.
Een moment later stelde ze verrast vast dat de deur van het kantoor van Alex en Isabel openstond en dat er niemand was. Was dat geluk of het lot? Het maakte niet uit. Ze had geen tijd om daar lang over te piekeren. Er waren nu eenmaal momenten in het leven waarop je je hersenen volledig moest uitschakelen.
Ze keek nog een keer naar het trappenhuis. Alles was rustig. Er waren geen bewakers meer te zien. Mooi, het zou maar een paar seconden duren.
Ze liep het kantoor in. Waar had Alex de envelop neergelegd?
Tegen een van de muren stonden twee bureaus. Julia liep eromheen naar een stellingkast met ordners, die zorgvuldig waren beschreven. Daaronder zag ze een plank met dozen, waarin de nieuwe brochures voor het volgende collegejaar lagen, en een stapel studieroosters zoals ze aan het begin van het studiejaar hadden gekregen.
Plotseling zag ze een rode plastic doos waarop het rood-blauwe embleem van de Canadese post stond: post canada.
Snel haalde ze de doos uit de kast en zocht tussen de brieven. Niets. Niets. Niets.
Met de zaklamp, die nauwelijks meer licht gaf dan een glimwormpje, verlichtte ze het kantoor nog een keer. Van haar eerdere bezoeken wist ze dat Isabel aan het linkerbureau werkte. Er stond een foto op, waarop ze in het zwembad van het college te zien was. Ze hield een beker in haar hand. Het andere bureau was van Alex. Bij Isabel lagen de papieren en lijsten slordig op elkaar, maar hier was alles keurig opgeruimd. Typisch Alex. En een geluk voor Julia, want dat maakte het zoeken een stuk gemakkelijker.
Ze trok de laden een voor een open. Schrijfbenodigdheden, papier, formulieren, lesdocumenten, een map met informatie over Yale. In de laatste la vond ze de grote bruine envelop.
angela finder
grace college
p.o. box 10
grace valley
british columbia
Met een razendsnelle beweging schoof ze de envelop onder haar trui. Het papier voelde koud aan en ritselde zachtjes als ze bewoog. Ze duwde de bureaula dicht en verliet zo snel mogelijk het kantoor. Julia had geen zin om zich nu nog te laten betrappen.
Ze deed de zaklamp uit, liep de trap op en was even later veilig op de tweede verdieping. Pas toen ze de deur van haar kamer zachtjes achter zich dichttrok, hoorde ze in de verte het hese geblaf van een hond.